Gelijk een bloem
Gelijk, o groote zon, de bloemen dezer hoven 's Morgens te wachten staan op 't rijzen van uw gloed. En, als uw schijnsel komt, dien lichtglans van hier boven In 't hart ontvangen, dat zich voor u opendoet,
En bloeien naar uw wil, en met hun schoon u loven, U, die hun schoonheid zijt, en God, en hoogste goed, En 's avonds, als de glans van uw zoet licht gaat dooven, Tevreden slapen gaan, als alles rusten moet.
Zoo ligt mijn ziel voor God en doet zich voor Hem open, Voor Hem, der zielen zon, die 't eeuwig schijnsel geeft, En bij Wiens goddelijk licht mijn zitten, opstaan, loopen, Al wat ik ben, of doe of niet, doe waarde heeft; Zoo ligt mijn ziel voor God, zoo zonder vreezs of hopen, Tevreden zoo ze sterft — of zoo ze eeuwig leeft.
Uit: „Iris".
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 juli 1936
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 juli 1936
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's