FINANCIËN
Zoo omtrent dezen tijd, placht het voorheen zoo stil te zijn, vrijwel over heel de linie, dat men sprak van den komkommertijd. De bladen hadden niets te vertellen, 't Kwam voor, dat men elkander verhalen opdischte, waarvan later bleek dat zij geheel of voor een zeer groot deel verzonnen waren alleen uit gebrek aan werkelijk nieuws. Wat is dit in de laatste jaren geheel veranderd, 't Is nu letterlijk nooit meer stil. De bladen kunnen het nieuws — meest schrikkelijk nieuws — niet verzwelgen. Het kwaad golft de wereld over. Het eene onheil is nauwelijks uitgeluid, of de voorteekenen van een nog grooter onheil zijn al weer zoó dichtbij gekomen, dat deze alle aandacht voor zich opvorderen. Wij leven met recht in bewogen tijden. Denk eens, wat zich afspeelt in het Zuiden, in het weleer machtige rijk van Spanje. Moskou laat in al zijn verschrikkingen zich hier als een vreeselijke macht gelden. Wat er uiteindelijk uit te voorschijn zal treden, weet niemand onzer. God weet het. Doch als onze vrees bewaarheid wondt, is bet niet anders dan kwaad. Alle vrede is hier zoek. Een schrikkelijk oordeel gaat er ongetwijfeld over de aarde. Hoe dit komt, en waar de oorzaak van dit alles schuilt, is voor ieder, die bij het Woord Gods leeft, niet moeilijk aan te geven. Zij hebben God verlaten. Zijn Woord prijsgegeven, menschelijke vindingen daartegenover gesteld, en dan zijn de gevolgen niet anders. Wie God verlaat, heeft smart op smart te vreezen. Deze dingen mogen ons niet onopgemerkt voorbijgaan, want Godes voetstappen zijn daaruit af te lezen. Met dit oogmerk gaan deze oordeelen aan onzen geest voorbij. Wij mogen onze oogen daarvoor niet sluiten.
Integendeel roepen zij het ons toe : „geeft getrouwelijk acht op al deze dingen en werpt daartegen de dammen op, waartegen deze zekerlijk zullen breken". Ook hans geldt niet anders : „Predikt het Woord, houdt aan tijdiglijk en ontijdiglijk". Onze arbeid als Gereformeerde Bond staat in het teeken van opnieuw krachten te verzamelen uit de eenige bron, waaruit kracht kan worden verkregen. De apostel Paulus, van wien wij zooeven een woord overnamen, zegt op een andere plaats: „uit zwakheid krachten verkregen hebbende". Als ik zwak ben, dan ben ik machtig. Wanneer onze knieën in waarheid mogen buigen en wij alles, at wij behoeven, aan Hem hebben voorgelegd, zullen wij niet beschaamd worden.
Gorde de Heere ons inzonderheid in deze dagen aan met nieuwe kracht, d.i. met alles van Hem te verwachten. Hij alleen is een Schuts in benauwdheden.
Wij willen thans overgaan tot verantwoording van wat in deze dagen binnenkwam.
1. De eerste post, welke mij ditmaal ter verantwoording werd voorgelegd, kwam uit Leiden. Mevr. de wed. ds. Beekenkamp zond mij als haar ter hand gesteld door N. N ƒ 2.50
Mag ik mijn oprechten dank aan haar betuigen, gelijkelijk met den dank aan den mij onbekenden gever.
2. Door ds. de Bruin te Rotterdam werd bij een predikdienst dien hij in Den Haag vervulde, een gulden afgedragen voor onze fondsen - 1.—
Evenzoo mijn vriendelijken dank aan gever en zender.
3. Een onzer oud-alumni zond me dezer dagen als blijk van erkentelijkheid voor de indertijd door hem genoten steun en tevens om ook anderen, die onze steun nog behoeven, op dezelfde wijze te kunnen helpen, - loo.—
Laat mij voor dit blijk van medeleven hem allerhartelijkst dankzeggen.
4. De Penningmeester van de Afdeeling Rhenen, de heer Abr. van Oort, zond mij de inhoud van de busjes aldaar. Zij brachten mij niet minder op dan - 11.68
Wat op deze wijze verzameld wordt, is iet alleen een heele som, doch biedt niet minder moreele steun door de gedurige herinnering aan ons Studiefonds.
Wij zeggen den Rhenenschen vrienden, inzonderheid den heer Van Oort hartelijk dank.
5 Hierna kwamen een tweetal posten bij mij binnen, die bedoeld waren voor het zoo na aan onzen arbeid verwante werk van Evangelisatie en Zending.
N. N. uit Rotterdam zond mij voor de Evangelisatie-Commissie - 3.—
6. Terwijl mevr. M. M. P. te Alkmaar bij mij afdroeg 5 gld. voor den Medischen Dienst op Mldden-Celebes - 5.—
Voor beide giften betuig ik eveneens mijn zeer hartelijken dank.
7. Door J. van Voorthuizen te Renswoude kreeg ik een tweetal giften voor onze fondsen, n.l. van A. v. M. ƒ 2.50 en van de wed. O. ƒ 1.—. Samen - 3.50
Mag ik hiervoor mijn oprechten dank betuigen.
8. Mej. N.N. alhier, droeg naast andere giften, mij ook voor onze fondsen af - 5.—
’k Heb haar reeds dank gezegd, 'k Doe het bij dezen nog graag een keer.
9. Door ds. Van Hof te Delfshaven ontving ik van de K. één gulden - 1.—
Hij zal mijn dank wel willen overbrengen.
10. Vanuit Meppel wordt mij van tijd tot tijd een tientje overgemaakt. Deze gever blijft voor mij altijd zich schuil houden achter het bekende NN - 10.—
Mijn dank zal hij wel willen aannemen,
't Doet mij elke keer goed, hem op deze wijze te ontmoeten.
11. Door ds. Poot te Bunschoten ontving ik van N.N. vijf gulden - 5.—
't Doet mij elke keer goed, eenig levensteeken te zien van onze jonge menschen, die ons het werk helpen vergemakkelijken.
12. Door ds. Remme te Amsterdam kreeg ik van mevr. A. een gulden - 1.—
Hij wil de geefster onzen dank wel overbrengen.
13. Ds. Ewoldt te Bergambacht zond mij de collecte die aldaar gehouden werd bij gelegenheid, dat ds. Enkelaar van Leerdam aldaar voorginig. De collecte bracht niet minder op dan - 49.04
Gaarne zou ik zelf dezen dienst geleid hebben, gelijk meerdere malen reeds plaats had, ware ik daarin niet verhinderd.
'k Betuig mijn vriendelijken dank hierbij aan collega ds. Enkelaar, die zoo goed was dezen vriendendienst te bewijzen. Evenzoo ben ik hoogst erkentelijk aan den kerkeraad te Bergambacht voor zijn hartelijke medewerking.
14. De post, welke thans onze aandacht vraagt, wekt bij mij een gemengde gewaarwording. Naast dankbaarheid voor de ononderbroken steun, welke hierbij voorzit, is de gedachte dat wat thans door de achtergeblevene wordt voortgezet,
zoo jarenlang met uitnemende trouw werd gedaan door haar onvergetelijken echtgenoot.
Busje no. 20, dat, ik weet niet hoeveel jaren, op zoo uitnemende wijze is verzorgd geworden door wijlen onzen vriend C. Bardelmeijer, is thans overgegaan in handen, van zijn weduwe. Waar elke maand zijn naam in mijn verantwoording voorkwam, zult ge verstaan, dat naast groote dank en erkentelijkheid, een gevoel van leed niet achterwege kon blijven.
Wij spreken als onze hartelijke wensch uit, dat de Heere Zelf met Zijne versterkende genade haar nabij zij, met de haren, en dat zij ook dezelfde steun mag ontvangen bij het werk, dat zij zoo vrijwillig op zich wilde nemen.
Deze eerste verantwoording wijst 't zelfde spoor reeds aan van wat wij gewoon waren te boeken. Bleef er zelfs niet bij achter.
Dit stemt tot grooten dank - 2.20
15. Door ds. Van Grieken kreeg ik van N.N. te Rotterdam een gift voor het Studiefonds van 100 gulden - 100.—
'k Behoef niet te zeggen, hoe zulke giften den moed verlevendigen, 'k Betuig mijn blijdschap bij dezen en blijf onze zaken met groote warmte aanbevelen.
16. De sluitpost komt deze keer uit Kampen. Vóór enkele Zondagen had ik 't voorrecht hier tweemaal te mogen voorgaan. Waar het niet de eerste maal was dat dit voorkwam en de indruk onverflauwd gunstig blijft, welke ik daarvan kreeg, toen ik voor de eerste keer in de Broer-kerk daar te midden van de Kamper vrienden voorging, doet het zoo goed, dat het oude spoor niet wordt uitgewischt. 't Is me nog altijd goed, te toeven onder de broeders. Dat ik bij deze gelegenheid een collecte mag houden voor onzen arbeid, is stilzwijgende afspraak. Toch kan het zich voordoen, dat door samenloop der dingen de druk wel iet of wat te groot wordt. Als er al een bizondere collecte gehouden wordt, om er dan nog een aan te zien toegevoegd, is niet beslist gunstig voor wie het laatste komt.
Zoo waren de gedachten van onze broeders wel een weinig aan de donkere kant. Maar de uitkomst heeft ons allen beschaamd. Immers wat blijft ons anders over dan God dank te zeggen, die de harten alzoo bewoog, dat niet minder, maar veeleer meer, werd gecollecteerd, dan verwacht mag worden. Deze bracht op de kolossale som van honderd zeven en dertig gulden en zestig cent - 137.60
’k Heb er God voor gedankt en betuig ook mijn dank aan allen, die hieraan hebben medegewerkt.
Tezamen geteld kom ik tot een eindsom van
f 437.52
Utrecht.
Ds. J. GOSLINGA.
P.S. Wanneer ik onverhoopt de volgende week niet op den Zendingsdag mocht zijn, zoo zal ongetwijfeld, wanneer ge iets te zeggen hebt of af te dragen, ds. Remme of een der andere leden van ons Hoofdbestuur, wel zoo goed willen zijn, u te woord te staan.
Ik denk enkele dagen van huis te zijn.
Ds. J. G.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 juli 1936
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 juli 1936
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's