De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

GEESTELIJKE OPBOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

GEESTELIJKE OPBOUW

8 minuten leestijd

Voorwerpelijke en Onderwerpelijke Prediking
V.

Wie zou niet met huivering denken aan de gevaren en den eigendunk van een dorre leer-heiligheid, waarbij men zich laat voorstaan op een volledige kennis van de waarheid, een hoog en hard oordeel heeft over ieder, die van de zuivere waarheid ook maar een streep afwijkt, en soms met een onboetvaardig en onbekeerlijk hart den ouden mensch op den troon laat ? En wie zou niet vaak beschaamd hebben gestaan over de smaadheid, den Naam des Heeren hierdoor aangedaan ? Wat voor wederwoord kan hij hebben tegen het helaas dikwijls maar al te gegrond verwijt, dat van zulk een geloof de vruchten dan toch al uiterst schaarsch zijn ?
En toch, de waarheid Gods moet geëerd, en van de waarheid mag niet worden afgeweken ! Wat moet de prediker doen, en hoe moet hij de zielen leiden ? Zal hij een aanvulling zoeken voor zulk verstandsgeloof ? Maar een geloof, waar iets bij moet komen, is geen geloof.
En bovendien, op welke wijze wordt dan niet zelden de aanvulling gezocht ?
Het verlicht verstand schijnt de waarheid der Heilige Schrift te doorzien, te verstaan, en toe te stemmen; het weet van de voldoening, van de gerechtigheid van Christus, van de volkomenheid van het verlossingswerk, van de zekerheid der verkiezing enz.; doch nu komt de vraag, hoe dit alles toegepast en verzegeld wordt aan het hart, en hoe Gods kinderen de zekerheid erlangen, aan dit alles deel te hebben. En deze zekerheid wordt dan gezien en gezocht in iets, dat in den mensch-zelven ligt. De begrijpelijke, en op zichzelf prijselijke bedoeling is, het gevaar af te snijden, dat dreigt van de zijde van een dor en dood verstands-geloof. Al te duidelijk wordt ingezien, dat een toestemmen, een uiterlijk kennen van de waarheid geen deel geeft aan het heil, dat voor Gods kinderen is weggelegd. Aangedrongen wordt daarom, en met het volste recht, op zelfonderzoek, gewaarschuwd wordt tegen valsche gerustheid en zelfbedrog. En zoo wordt overgestapt van, het voorwerpelijke naar het onderwerpelijke.
Doch hoe zal, in dezen gedachtengang, de verzekerdheid des geloofs worden gevonden ? Het gezag van de Kerk, zooals dat bij Rome bestaat, kent de Gereform. Kerk niet. Het gezag van Gods Woord, met zijn dreigingen èn z'n beloften, met z'n wet èn evangelie, wordt onvoldoende geacht, omdat het is teruggedrongen naar het terrein van de verstandelijke overtuigingen.
Er moet dus van elders nog iets anders bijkomen, waarop de ontruste en beangste ziel zich kan neerlaten. En zoo wordt zij verwezen naar haar eigen gevoelens en gewaarwordingen. Als een duistere tunnel vol van verschrikking en angsten moet zij doorkruipen, eer haar wordt toegestaan zich te verblijden in het licht. Een bijzondere, duidelijk te bepalen ervaring moet zij doorleven, aleer zij vrijmoedigheid zal hebben, zich de beloften Gods toe te eigenen. Hoe dieper een ziel in de duisternis wordt ingeslooten, hoe beter het is. En eindelijk, eindelijk misschien, zal haar een sprankje van licht worden gegund, zal een flauwe straal van hoop uit de verte haar wenken.
Wáár ligt dan, M.L., tenslotte de zekerheid ? Bij den mensch-zelven. Hij wordt geleerd, die te zoeken in zijn geprikkeld en opgezweept gevoel, en niet in de onveranderlijke trouw Gods.
Is het u niet duidelijk, dat wij in dezen weg weer dreigen terug te keeren tot de paden van Rome ? Worden wij soms niet gebracht als in de sfeer van de kloostercel, met hare kastijdingen en boetedoeningen ? Wordt niet het zwaartepunt verlegd van het geloof naar de liefde, d.i. een wel edele en verfijnde, maar daarom toch een des te gevaarlijker eigen-gerechtigheid ?
En zal niet het geprikkeld en overprikkeld gevoeIsleven naar telkens sterker prikkel vragen, behoefte hebben aan almaar feller opzweeping, om weer te worden gebracht tot het gevoel van zekerheid ? En zinkt het opgezweept gevoel weer in, hoe mat en arm is dan de geplaagde ziel!
En daar komt nog iets bij. Omdat de geloofs-verzekerdheid in dezen weg wordt gezocht, wordt zij eigenlijk als iets zeer bijzonders, als een buitengemeene zeldzaamheid beschouwd. Men wantrouwt één, die in het geloof staat, en niet van zeer bijzondere ervaringen vermag te spreken. De staat van onzekerheid, van bekommernis, wordt eigenlijk voor het gewone, misschien wel voor beter, in ieder geval, als veiliger beschouwd dan die van een blijmoedig, wel-bevestigd geloof.
Laat mij mogen opmerken, dat ook hierin de vervallen staat der Kerk mede een rol speelt. Men leeft niet meer uit het genadeverbond. En iedere afzonderlijke ziel wordt voor de wet Gods gesteld, alsof daar niet was het evangelie, de belofte, en de gemeente Gods, door dat Woord der belofte in 't leven geroepen, en bij Woord en Sacrament levend.
Dat drukt zijn stempel op de wijze, waarop de ziel door de bekeering heen naar het geloof wordt gedreven; alsof niet, naar het woord van Calvijn, de bekeering een vrucht was van het geloof. ¹)
En laat nu niemand zeggen, dat het van oppervlakkigheid getuigt, als de weg niet heel zwaar en heel diep wordt voorgesteld.
Want ik zou u willen vragen, wat zwaarder en pijnlijker, en meer verootmoedigend is : zichzelf geheel en al, en telkens weer, als een zondaar voor God, te ontvallen; te zien en te erkennen, dat al onze, werken onvolkomen en met zonde bevlekt zijn ; en altijd door niets over te hebben dan te grijpen naar de belofte Gods, die alle verzoening en gerechtigheid in Christus heeft bereid; óf zich te wiegelen op de schommelingen van een vroom gevoel, op en neer te deinzen op eigen aandoeningen, en misschien, bij het roepen over eigen verlorenheid, nog het vrome vleesch te streelen ?
Men vergete toch dit niet: oprechte bekommering over de zonde, een waarachtig door den Heiligen Geest gewerkt besef van verlorenheid, kan ongetwijfeld aan het doorbreken der geloofsverzekerdheid voorafgaan; de ziel kan benauwd, in de engte gedreven worden, vóór zij in de ruimte wordt gesteld. Doch die benauwenis kan en mag toch niet de blijvende toestand worden ! Dat zou immers tot wanhoop leiden ! En als men zulk een bekommerden staat als het gewone, als het meest voorkomende, eigenlijk als het meest gewenschte beschouwt, is juist dan niet het gevaar groot voor zelfbedrog, voor een schrikkelijke eigengerechtigheid, waarmee de mensch in schijn en met den woorde zichzelf verwerpt, maar metterdaad zichzelf behaagt ?
Het komt voor, dat iemand weigert te gaan, omdat hij zich inbeeldt, glazen beenen te hebben. En ik kan mij voorstellen, dat zulk een zieke met verbazing, met wrevel misschien, de overmoedigen gadeslaat, die het gebruik van hun voeten hebben. Maar moet men dien angst, die afgunst, als het normale gaan beschouwen ?
De vorm der waarachtige kennis Gods, de vorm der ware Godsvrucht is voor den zondaar het geloof. In het geloof ontmoeten het voorwerpelijke en het onderwerpelijke elkander. Want het geloof grijpt de belofte Gods aan en leert daarin rusten; niet ééns, maar altijd weer. Daarin vindt de ziel van Gods kind haar evenwicht, In het geloof heeft zij het meest zekere en vaste dat er is: de belofte van Gods onveranderlijke trouw en genade, in Christus betoond; en in het geloof ligt het meest persoonlijke, onderwerpelijke, dat gij u denken kunt, het zich verlaten van een schuldige, zichzelf ontdekte en ontdekkende ziel op de beloften van Gods ongehouden goedheid en gewisse ontferming.
Dàt reformatorisch standpunt moest in de prediking meer tot zijn recht komen, en onder het Gereformeerde volk beter worden verstaan.
Ik zou, als de tijd het toeliet, tal van aanhalingen willen doen hooren, om u te toonen, dat Calvijn het aldus heeft omschreven. Hij zegt dat „het geloof is een vaste en zekere kennis van Gods goedwilligheid jegens ons, die, op de waarheid van Zijn genadige belofte in Christus gegrond, door den Heiligen Geest ons geopenbaard en in onze harten verzegeld wordt. ²)
Hij trekt te velde tegen de Roomschen, die zeggen, dat wij altijd in twijfel moeten zijn. ³)
Hij vraagt, hoe wij zullen overtuigd zijn, dat God ons liefheeft, tenzij wij gewapend zijn met Zijne beloften ? 4)
Wat is gewisser, onbedriegelijker rotsgrond, dan de belofte Gods? En wat is de weg om daaraan deel te hebben, anders dan het geloof ? Het oprecht geloof weet in Christus de rechte verhouding tot God volkomen en voor eeuwig hersteld. Zulk geloof heeft zijne zekerheid in zichzelf. Juist omdat hier èn het voorwerpelijke èn 't onderwerpelijke tot z'n recht komen.
Zulk geloof is een eigen werk van den H. Geest, die leert roemen in de hoop.
En, om te besluiten met een woord van Calvijn: „zonder dezen roem bestaat het Christendom zelf niet". 5)


1) Cf. Inst. III, 2, 29, IIl, 2, 7 enz.

2) Inst. III, 2, 7.

³) „La condition des Papistes est miserable : car lis ne veulent pas même s'assurer de Ia bonté de Dieu, mais disen't que toujours il nous faut être en doute....

Nous ne pouvons invoquer Dieu qu'en fiance, nous ne pouvo'ns aussi louer son INom, si non en Ie connaissant être favorable envers nos". (la een preek over Jes. 38, 18—22. C. < R. 63, p. 572).

4) Ad Ps. 119, 82 V. (C. R. 60, p. 607).

5) Inst. Hl, 2, 40.

Wat doen wij anders, dan den H. Geest verongelijken, wanneer wij het geloof, hetwelk zijn eigen werk is, van Hem afzonderen'? Dewijl dan dit de eerste beginselen der godzaligheid zijn, is het een zeer ellendige blindheid, dat men de christenen van opgeblazenheid beschuldigt, omdat ze van de tegenwoordigheid des Geestes durven roemen : zonder welken roem het christendom zelf niet bestaat«.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 juli 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

GEESTELIJKE OPBOUW

Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 juli 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's