De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MANKE MURK

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MANKE MURK

EEN VERHAAL UIT HET FRIESCHE VOLKSLEVEN

6 minuten leestijd

Met toestemming uitgever J. H. Kok te Kampen
„Zorg er voor, dat je overal trouw je plicht volbrengt", had vader gezegd, „en kom nooit met klachten thuis. Alleen bij ziekte staat het ouderlijk huis voor je open, maar voor de rest moet je zelf den weg door het leven vinden, gelijk wij dat ook gedaan hebben".
Zóó is zij de wereld ingetrokken, alleen met een klein bundeltje kleeren, al haar hebben en houden, om evenwel trouw de les in beoefening te brengen, haar van huis mee gegeven, 't Scheen dat zij maar één ideaal had : werken, van den morgen tot den avond, en als het moest, den nacht er nog bij. Wie haar in dienst kreeg, wist, wat men aan haar had. Met niemand en niets bemoeide zij zich, en vandaar, dat eigenlijk ook niemand acht op haar gaf. Sinds jaren diende zij nu al bij de familie Siderius, eerst bij den ouden, later bij den zoon, en ongemerkt was Pleun huisgenoote geworden, zoodat de kinderen niet anders wisten of zij hoorde er bij, en niemand haar gevoelen deed, 'dat zij de mindere was, die diende voor geld. Eigenlijk dacht zij daar zelf ook nooit aan. Zij diende, omdat het haar plicht was, en daarmee uit.
Zoo had zij Murk ook leeren kennen, toen hij als losse arbeider hier kwam, en meermalen medelijden met hem gehad, wanneer hij soms schier boven de kracht werken moest, of gedaan werk kreeg, omdat men hem niet meer gebruiken kon. Wist zij niet uit eigen ervaring en die van thuis, wat het beteekende, niet te verdienen en in alles van anderen afhankelijk te zijn ?
Daarom had zij met blijdschap gehoord, dat de boer wilde trachten hem een ander bestaan te verschaffen, en toen kort daarop de hondekar het heem opreed en Murk zijn koopwaar kwam aanbieden, ontbrak het ook van haar kant niet aan de noodige belangstelling. Gewoonlijk kwam hij om de veertien dagen, en wist vooruit, dat de reis niet vergeefsch was. Kwam hij tegen den tijd, dat het eten klaar stond, dan was het gewoonlijk : „Val aan, . Murk", en kwam hij tijdens de koffie of als de theetafel stond aangericht, ook dan wachtte hem zeker een verkwikking. Boer Siderius was nu eenmaal in de wolken, dat hij zulk een succes had, gelijk hij het noemde. De vijftig geleende guldens werden zoo spoedig het kon terugbetaald, waar karakter uit sprak, en nu kon Murk een potje breken, 't Eenigste wat hem tegenstond was, dat Murk zoo bijzonder godsdienstig kon zijn en niet meer op de wijze van voorheen de menschen aan het lachen bracht, 't Was altijd zoo'n „zieltje zonder zorg", die alle kanten uit kon, maar sinds zijn „bekeering", zoo hij dat noemde, 'geheel veranderd. Nog wel vrooiijk van aard, doch op een geheel andere manier, waardoor een mensch onwillekeurig zoo ernstig gestemd werd als op een begrafenis. Doch omdat de godsdienst bij Murk ernst was en niet alleen aan den buitenkant zat, had hij het vertrouwen van zijn vorigen patroon en behield het ook. „Als je ooit in geldverlegenheid moogt wezen, dan kom je maar, en als het kan, zal ik je helpen", heeft hij gezegd.
Dit alles wist Pleuntje ook wel, omdat zij geheel met de familie meeleefde, en het trok haar aan. Waren Murk en zij tot op zekere hoogte geen lotgenooten, omdat beiden zoo van nabij met den harden kant van het leven hadden kennis gemaakt ? Bijzondere toegenegenheid had zij heel weinig ondervonden. Men hield van haar om haars werks wil, doch voor de rest was zij voor de dorpelingen een vreemde. De jongelingen bemoeiden zich niet met haar, omdat zij deze niet aantrok en in 't geheel geen aanleiding tot omgang gaf. Nog nooit had één van hen naar haar omgezien.
„Vreemd, dat ze je allen passeeren : je moet je wat meer met de jongens bemoeien, " had de boerin weleens gekscherend tegen haar gezegd ; „anders loop je veel kans om over te blijven". Doch Pleun had hier geheel geen oor voor. „Dan maar overblijven, " sprak zij kort en bondig, en hield zich stipt aan haar gewoonte, met niemand meer omgang te hebben dan noodig was. Wat had zij aan de menschen en deze aan haar ! Elk leefde voor zichzelven, en elk zocht zichzelven, nu ja, met een enkele uitzondering misschien. Daarom ging zij niet naar het dorp , dan om boodschappen te doen en maakte dan gewoonlijk nog spoedig „rechtsomkeer", 's Zondags kwam zij nooit van het heem. Gewoonlijk werd eerst na het middageten een ander jak aangetrokken, waaraan te zien was, dat het gewone werk niet verricht werd, doch dit was ook de eenige onderscheiding bij andere dagen. Kerkgaan was haar van huis uit nooit geleerd en in de diensten evenmin. Goed voor menschen die veel tijd hadden of erg vroom waren. Voor haar was zoo iets niet. Zij zou zich daar niet thuis gevoelen en geen mensch ook, die ooit met haar gesproken had over het zieleheil. Pleun wist niet wat een ziel was, nog minder, dat zij er zélf een had. Dood was dood. Bij een mensch evenzoo als wanneer een schaap verdronk, of een lam in het voorjaar bezweek van de koude, of een koe niet door het kalveren komen kon, of wanneer in den herfst de slager uit het dorp kwam om de pekelvaten te vullen of een varken in den schoorsteen te krijgen. Den doodstrijd van zoo'n beest vond zij naar, vooral wanneer het een der dieren gold, welke zij steeds verzorgd of gemolken had en gewoonlijk was zij op een afstand wanneer het blinkend mes uit de scheede kwam, maar voor de rest voelde zij niet verder, 't Was uit met dat leven van dat dier en zoo ging het óók met een mensch als hij stierf. Voor de achterblijvenden was het soms hard, doch de dood kon ook een verlossing zijn, vooral wanneer het oude gebrekkige menschen gold, die zichzelf en anderen vaak tot last waren. Dezulken werden dan immers uit hun lijden verlost. In het graf was geen verdriet meer.
Dat zij zélf ook sterven moest en de dood plotseling tot haar komen kon, daaraan dacht zij nimmer. Nog nooit had ze een dokter gehad.
(Wordt vervolgd).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 juli 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

MANKE MURK

Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 juli 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's