KERK, SCHOOL, VEREENIGING
NEDERLANDSCHE HERVORMDE KERK.
Zestal, : te Dordrecht (vac. C. Heemskerk) : M. Bons te Colijnsplaat; H. P. Brandt te Delft; J. G. C. Brouwer te Oosterbeek ; J. P. E. C. Eerhard te Hillegom ; C. M. Krijger te Beverwijk en J. H. Mulder te Charlois.
Beroepen :
te Loosduinen (2de pred. plaats) J. Loos te Oudega (West-Dongeradeel) — te Zaandam-Oost J. C. Pritzsche te Bergentheim — te Nigtevecht
(toez.) C. J. Call, cand. en hulpptred. te Rotterdam — te Domburg (2de maal) F. Gr. H. Nicolaï te Jutphaas — te Beekbergen (toez.) L. M. S. J. Herfkens, pred.-evang. te Assen — te Hilversum (Ned. Prot. Bond) J. Zuurdeeg te Geertruidenberg — te Gameren D. Th. Keek te Staphorst (Ov.) — te Westerhaar (Ov.) F. L. van Duykeren, cand. en hulppred. te Leeuwarden — te Groot-Ammers A. H. G. J. van Voorthuizen te Wezep — te Bruinisse G. H. J. Marsman te Urk.
Aangenomen :
naar Amersfoort (Vrijz. Herv.) F. Oort te Havelte — naar Woerden (vac. Fred. J. Broeyer) Jac. Treffers te Sneek — naar Lobith J. W. Sepmeijer, cand. te Maasdam — naar Santpoort R. H. Oldeman, voorg. Ned. Prot. Bond te Varsseveld. — naar Spijkenisse Chr. J. Gall, cand. en hulppred. te Rotterdam — naar De Wilp (Gron.) C. D. Moulijn, cand. te Franeker — naar Marssum (Fr.) H. F. C. de Boer, cand. te Groningen — naar Breskens D. Goudzwaard, cand. te Bruinisse.
Bedankt:
voor Kloetinge (Zeel.) J. H. F. Engel te Alblasserdam — voor Delft S. van Dorp te 's-Gravenhage — voor Nigtevecht (toez.) Chr. J. Gail, cand. en hulppred. te Rotterdam — voor Oud-Beijerland J. C. Wolthers te Putten o/d Veluwe.
GEREFORMEERDE KERKEN.
Beroepen:
te Uithuizen (Gron.) W. Scheele te Hoogersmilde — te Harkstede (Gron.) J. van Harmelen, cand. te Den Haag — te Stad-Vollenhove (als hulppred.) A. Douma, cand. te Britsum (Fr.) — te Opperdoes J. van Harmelen, cand. te 's-Gravenhage.
GEREFORMEERDE GE|MEENTEN.
Bedankt:
voor Herkingen W. C. Lamain te Rotterdam-Z.
CHRISTELIJKE GEREFORMEERDE KERK.
Tweetal:
te Amersfoort : A. Dubois te Oud-Beijerland en L. S. den Boer te Arnhem ;
te Rozenburg : J. P. Geels, cand. te Apeldoorn en D. van Wilsum, cand. te Soestdijk.
Drietal :
te Bunschoten: I. de Bruyne, cand. te Zwolle; P. ide Groot te Gorinchem en P. H. van Marrum, cand. te Franeker.
Beroepen:
te Doesburg P. H. van Marrum, cand. te Franeker — te Sneek D. van Wilsum, cand. te Soestdijk — te Nieuwpoort S. de Bruyne, cand. te Zwolle — te Dedemsvaart—Lutten J. Kampman, cand. te Ommen,
Afscheid, bevestiging en intrede.
Ds. A. Dönszelmann nam wegens, vertrek naar Amersfoort afscheid van de Ned. Herv. Gem. te Meppel met een predikatie over Psalm 138 vs. 8. Namens ambtgenooten, kerkeraad, kerkvoogdij, gemeente, Schoolvereeniging en Evangelisatievereeniging werd de scheidende leeraar toegesproken door den plaatselijken predikant ds. A. C. van Uchelen. Toegezongen werd Gez. 96, waarna velen van ds. Dönszelmann en zijn familie afscheid namen.
DB. A. Dönszelmann, gekomen van Meppel, deed Zondag j.l. zijn intrede bij de Ned. Herv. Gem. te Amersfoort, na bevestigd te zijn door zijn vader, ds. A. A. Dönszelmann, van Amsterdam, met een predikatie over Hand. 4 vers 12.
De nieuwe leeraar deed zijn intree-predikatie naar aanleiding van Openb. 21 vers 22. Hij werd toegesproken door ds. Gerritsen, van Amersfoort. Uit de vorige gemeente waren velen aanwezig. Verder waren o.a. tegenwoordig ds. Van Amstel, van Lage Vuursche ; ds. Hofstede, van Oud-Leusden; ds. Kuyper, van Bosch en Duin, en de godsdienstonderwijzer Van der Heiden.
De St. Joriskerk was beide diensten geheel bezet, daar de kerken in het Leusder-en Soesterkwartier gesloten bleven.
Candidaat J. W. van der Linden te Utrecht Is voornemens Zondagmiddag 23 Augustus a.s., te half drie, zijn intrede te doen bij de Ned. Herv. Gem. te Kootwijk, na in den ochtenddienst (10 uur) bevestigd te zijn door prof. dir. j. Severijn, hoogleeraar te Utrecht. Beide diensten zullen gehouden worden in de kerk te Kootwijkerbroek.
Begrafenis dr. D. Fokkinga.
Zaterdagmiddag werd, onder zeer groote belangstelling te Appingedam ter aarde besteld het stoffelijk overschot van dr. D. Fokkinga, in leven conrector van het Christelijk Lyceum, te Harderwijk. Aan de groeve werd het woord gevoerd door dr. J. W. van den Bosch, Geref. pred. te Harderwijk; door dr. IJ. Langhout van Voorburg, een vriend van den overledene ; door ds. K. J. van den Berg, Ned. Herv. pred. te Amersfoort, als voorzitter van het Lyceumbestuur en door dr. J. Moll, rector van dat Lyceum, waarna een zwager, de heer W. Baarsjes, van Appingedam, namens de familie dank bracht voor de laatste eer, aan den overledene bewezen.
Het Lyceumbestuur was bij deze begrafenis vertegenwoordigd door zijn voorzitter, ds. Van den Berg, voornoemd ; door zijn 2den voorzitter, ds. L. van Mastrigt, Ned. Herv. pred. te Harderwijk ; door zijn secretaris, den heer A. Sonke te Harderwijk, en door zijn penningmeester, den heer H. Cozijnsen Gzn. te Harderwijk.
Voorts was met den rector aanwezig een zevental leeraren der school, vele leerlingen en oud-leerlingen en de oud-leeraar, dr. J. Oudman, thans te Groningen.
Jubileum ds. R. F. A. Rutgers.
Zondagmorgen herdacht ds. R. P. A. Rutgers, predikant bij de Ned. Herv. Gem. te Katwijk aan Zee, het feit, dat hij 25 jaren geleden aan die gemeente verbonden werd. Ds. Rutgers hield een herdenkingspredikatie over 2 Corinthe 5 vers 19b, waarin uiteengezet werd hoe hij het Woord der verzoening gebracht heeft en hoe de gemeente dit heeft aangenomen. Br werd aan herinnerd, dat de jubilaris de eerste predikant is, die 25 jaren aan deze gemeente verbonden is. Ruim 3100 kinderen werden in die jaren door hem gedoopt. Ouderling Siderius sprak ds. Rutgers toe.
Ds. G. A. van der Hooft.
Ds. G. A. van der Hooft, te Overschie, herdenkt op 27 Augustus a.s. het feit, dat hij vóór 25 jaar zich aan de Ned. Herv. Gem. aldaar verbond. Ds. Van der Hooft, geboren in 1876, werd in 1903 candidaat. te Groningen. In 1904 deed hij zijn intrede te Domburg, vanwaar hij in 1911 naar Overschie vertrok. De jubilaris is praetor van den Ring Hillegersberg, secretaris van de Classicale Zendingscommissie Rotterdam en verder bekleedt hij tal van functies in plaatselijke besturen en vereenigingen op christelijk en sociaal gebied.
|'s Avonds, 27 Augustus, zal er in de kerk een feestelijke samenkomst worden gehouden.
Zondag 30 Augustus zal de jubilaris zijn gedachtenisrede uitspreken.
Dr. A. van Iterson.
Donderdag 6 Aug. vierde de nestor der Ned. Herv. predikanten van Dordrecht, dr. A. van Iterson, zijn zilveren jubileum aïs predikant dezer gemeente.
De jubilaris werd 4 Aug. 1875 te Leerdam geboren en bezocht het Gymniasium te Gorinchem, waarna hij aan de Leidsche Universiteit studeerde. In 1902 werd hij candidaat. Hij stond achtereenvolgens te Gorredijk, Oosthuizen en Grootebroek. Op 6 Aug. 1911 deed hij zijn intrede te Dordrecht, na kort te voren te promoveeren op een proefschrift : „Armenzorg bij de Joden in Palestina van 100 jaar vóór Christus tot 300 na Christus".
Dr. Van Iterson, die thans in het buitenland verblijft en geen gedachtenisrede zal uitspreken, is o.a. praeses van het Ministerie van predikanten te Dordrecht en quaestor van den Ring Dordrecht.
Ds. A. Weeder.
Ds. A. Weeder, .pred. der Ned. Herv. Gem. te Diepenheim (Ov.), heeft eervol emeritaat aangevraagd.
Ds. A. J. Wartena.
Ds. A. J. Wartena, pred. der Ned. Herv. Gem. te Zevenaar, is met ingang van 1 October a.s. eervol emeritaat verleend.
Ds. H. E. J. Verweij.
Ds. H. E. J. Verweij, (pred. der Ned. Herv. Gem. te Twiske (N.-H.), heeft tegen 1 October a.s. eervol emeritaat aangevraagd. Ds. Verweij, die 66 jaar oud is, heeft van 1695 tot 1899 te Rockanje gestaan.
Uit de Algemeene Synode der Ned. Herv. Kerk.
In de 13e zitting kwam. aan de orde een voorstel van de Kerkelijke Hoogleeraren van Leiden en Utrecht tot invoering van een nieuw reglement op het Hulppredikerschap. Het wil meer perspectief voor het hulppredikerschap openen dan er thans is. De directe aanleiding is de overvloed van candidaten, maar de diepe oorzaak is een andere. Men wil: en weg banen tot de volledige ontplooiing van het Hulppredikerschap in zijn viervoudige gestalte, die daaraan in dit ontwerp gegeven wordt:1. de hulpprediker, benoemd door den Kerkeraad; 2. benoemd door den Kerkeraad op Initiatief van den predikant; 3. benoemd door het Classicaal Bestuur, op initiatief van den Ring ; 4. benoemd door het Classicaal Bestuur, op verzoek van de Synodale Commissie. Het nieuwe in dit ontwerp is het hulpipredikerschap tot oefening.
Overeenkomstig het voorstel van de Commissie van rapport wordt het voorstel van de Hoogleeraren niet aangenomen.
Verder een voorstel van de Classicale Vergadering van Heerenveen tot wijziging van art. 17 al. 1 Algemeen Reglement en van art. 3 al. 4 Reglement Kerkeraden. De predikanten Blauw te Schoten en J. H. Zwijghuisen Reigersberg te West-Zaandam voegen daar nog bij een voorstel tot wijziging van art. 4 al. 4, 11 en 26 Reglement Kerkeraden en art. 1 en 3 Reglement Diaconieën. Het gaat over
de benoeming van vrouwen tot diaken.
De heeren Blauw en Swijghuisen Reigersberg wenschen deze benoembaarheid verplichtend te stellen. De Classicale Vergadering van Heerenveen wil alleen de mogelijkheid openen. De conclusie van het rapport luidt gunstig ten opzichte van dit laatste, ongunstig ten opzichte van het eerste. De conclusie van het rapport wordt aangenomen met 10 tegen 9 stemmen.
Aan het in de 15e zitting uitgebracht verslag van de schriftelijke kerkvisitatie over de jaren 1933 en '34 is het volgende ontleend : Het zielental bedraagt in ronde cijfers 2.940.000 ; aantal lidmaten 800.000. De middag-en avondbeurten verheugen zich in vele gemeenten in goed bezoek, in andere gemeenten minder ; ook is het eene gedeelte van het land veel kerkscher dan het andere. Ook over de avondmaalsviering is soms veel goeds te zeggen, maar ook veel dat te laken is.
Het aantal gedoopten (kinderen) was in 1933 : 35700 ; in 1934 : 38318 ; (volwassenen) : 2021 en 2214. Aantal huwelijksinzegeningen, in 1933 : 4015, in 1934 : 4735 ; in beide jaren tezamen 8750. In tal van plaatsen worden jeugddiensten gehouden ; zeer verschillend is de wijze, waarop deze geregeld zijn ; wanneer, waar en door wie zij worden gehouden ; door hoevelen zij worden bezocht; de leeftijd van de bezoekers ; maar over het algemeen mag gezegd. worden, dat zij in menige gemeente toonen in een behoefte te voorzien. Aantal catechisanten: mannelijke 87567, vrouwelijke 108308. Op belijdenis des geloofs tot lidmaten aangenomen : 8712 mannelijke in 1933, 9249 in 1934 ; 11358 vrouwelijke in 1933 ; 12072 in 1934. Het godsdienstonderwijs wordt gegeven of het geheele jaar door of gedurende den winter. Aantal overgangen, die bekend zijn, van andere kerkgenootschappen naar die Ned. Hervormde Kerk 1383; van de Ned. Hervormde Kerk naar andere kerkgenootschappen : 1155 ; zonder tot andere kerkgenootschappen te zijn overgegaan : 4784. Over de toestanden gebouwen en lokalen is natuurlijk heel veel te zeggen. De diaconierekeningen van de laatste 2 jaren wijzen de volgende cijfers aan: inkomsten in 1933 ƒ '6.152.507.62; in 1934 ƒ 6.403.370.19 ; uitgaven ƒ 6.089.266.112 en ƒ 6.488.272.41.
In de 16e zitting werden de voorgestelde wijzigingen in het ontwerp-reglement op de suppletiebeurs voor predlkantsweduwen en weezen aangenomen.
In de 17e zitting werd afgewezen een verzoek van de Classicale Vergadering van Haarlem, om art. 3 al. 2 Reglement op de bijdragen te wijzigen. De bedoeling was van deze wijziging om gelijkheid te brengen in de beoordeeling van de verplichte bijdragen.
Mede in deze zitting kwam in behandeling de kwestie der groote stadsgemeenten.
In de voorjaarsvergadering van de Algemeene Synodale Commissie werd ingediend een rapport uitgebracht onder leiding van prof. Haitjema met 3 afgevaardigden van den kerkeraad van Amsterdam, 3 van Rotterdam, 2 van 's-Gravenhage, 2 van Utrecht, 2 van Haarlem en 2 van Groningen. In dat rapport wordt allereerst uitgesproken, dat de besprekingen over het zoogenaamde „Groote stadsprobleem" alleen goede vrucht kunnen opleveren, wanneer de oorzaken van zedelijk verval, dat zoowel op het platteland als de groote steden zich openbaart, worden onderkend en beleden :
1. den zondigen toestand van Christus' Kerk in Nederland ;
2. het niet vervullen van de geestelijke roeping der overheid naar Artikel 36 der Nederlandsche Geloofsbelijdenis ; van oordeel, dat zoowel in de Kerk als daarbuiten de verkondiging van het Woord niet wordt bevorderd en alzoo de Heilige Geest bedroefd ; meenende evenwel, dat in de huidige droevige omstandigheden een betere functioneering der ambten kan worden voorbereid ;
adviseeren tot eenige wijzigingen in de reglementen.
De wijzigingen betreffen een toevoeging aan art. 14, om in gemeenten van 5 en meer predikanten een wijkverdeeling in te stellen (deze is er reeds in de meeste gemeenten), die door den kerkeraad geschiedt.
De predikanten kiezen zelf hun wijk.
Ieder jaar brengt de wijkcommissie een verslag uit van alles wat in de wijk verricht werd. Wijkpredikant, wijkouderling en wijkdiakenen doen vóór 1 Maart aan den Algem. Kerkeraad verslag van hun werkzaamheden.
Bijna hetzelfde Reglement werd in 1934 ingediend, maar om bezwaren, die er toen waren, maar nu zijn ondervangen, verworpen.
Het voorstel werd met 15 stemmen voor aangenomen ; 4 leden waren er tegen. Het zal worden onderworpen aan de consideratiën der Provinciale Kerkbesturen en der Classicale Vergaderingen.
Het Humanisme of Hominisme.
In het Calvinistisch Weekblad van 10 Juli 1936 herinnert dr. G. C. Berkouwer aan de kritiek van prof. Haitjema op dr. Kuyper, waarbij aan dr. Kuyper verweten werd, dat de worteldwaling van z'n Neo-Calvinisme gelegen was in een eigenaardigen vorm van humanisme, n.l. een humanisme van den wedergeboren mensch.
Het „Calvinistisch Weekblad" zegt dan verder, dat er een vrij groote verwarring bestaat in het gebruik van de aanduiding : humanisme.
In het „Encydopaedisich Handboek van het moderne denken" wordt het humanisme van de 15e, 16e en 17e eeuw met Erasmus als hoofdvertegenwoordiger, vervolgens het z.g.n. neo-humanisme, dat aansluit aan de klassieke wereld van Rome en Griekenland, als verwerkelijking van het ideaal eener Christelijke humaniteit. Tenslotte wordt dan nog genoemd een humanisme der 19e en 20e eeuw, dat alle waarheid en waarde afhankelijk acht van den mensch en zijn cultuur; een humanisme, dat door Windelband: : hominismie genoemd wordt.
In den laatsten tijd. wordt onder humanisme verstaan — zonder verband met het historisch humanisme — het toekennen van een plaats aan den mensch, in 't geheel der prediking, dogmatiek en theologie, die hem niet toekomt. Men ziet het gevaar, dat de norm der Goddelijke openbaring van de Heilige Schrift en van de Kerk wordt los gemaakt en dat de menscheiijke natuur zou worden vergoddelijkt.
Men zal, wanneer men een anti-humanistisch getuigenis doet hooren, moeten zeggen, waarin men wel het specifieke van het humanisme ziet. Er zal onderscheid moeten worden gemaakt tusschen den mensch, zooals hij zeer goed uit de hand van den Schepper is voortgekomen, èn den mensch, zooals hij door de zonde tot zondaar is geworden. Die oorspronkelijke mensch leeft niet meer op aarde en de Openbaringsgegevens dwingen ons hiermee rekening te houden. Maar de Heilige Schrift spreekt van het leven, dat in Jezus Chrlstus is, en van den Heiligen Geest, die het verloren gegane leven in Christus weer herstelt en het beeld Gods in den mensch weer hernieuwt : de nieuwe mensch, naar God geschapen, tot goede werken. Het herstel van den Heiligen Geest heeft een reëel effect in deze wereld. Wie dit in z'n dogmatiek en theologie uitschakelt, gaat fout in de plaatsbepaling van den mensch Gods In het geheel van de werken Gods.
Zoo is er een humanisme, dat met de zonde niet rekent en den mensch een plaats geeft, die hem niet toekomt, wat op een mislukking uitloopen moet. Maar er is door genade óok een mensch, die een nieuw mensch is geworden, de mensch Gods, waarvan Paulus zegt, dat hij volmaaktelijk toegerust moet worden tot alle goed werk.
Hier is onderscheid of men den mensch een plaats toekent, die hij verloren heeft en niet meer bezit, öf dat men den nieuwen mensch een plaats geeft, welke van God gewild, is, met een levenstaak, welke God hem heeft opgedragen : wandel voor Mijn aangezicht en wees oprecht!
Het wereldsche en onzuivere humanisme gaat fout door de onzuivere plaatsbepaling van den mensch, tegen de openbaring Gods in Zijn Woord ingaande, niet wetende ook van het werk Gods door Zijn Geest.
Er moge verschil van meening zijn over de wetenschappelijke definitie van het begrip humanisme, in ieder geval wordt in de tegenstelling tusschen Christendom en Humanisme onder humanisme verstaan een denkwijze of levensrichting, waarin de plaats van den mensch en de richting van het menschleven niet zuiver is en in conflict komt met de openbaring en de souvereiniteit Gods.
Maar met dat humanisme heeft niets te maken de Schriftuurlijke plaatsbepaling van den mensch in het geheel van het werk Gods. En hier moet men met een z. g. n. anti-humanistisch dogma voorzichtig zijn. En voor dogma en Kerk dreigt hier gevaar. Want in den naam van het anti-humanistisch dogma draagt men dan een dualisme in in de verhouding tusschen God en wereld.
Als Karl Barth in 1926 zegt, dat er in de wereld geen humaniteit is, en er aan toevoegt, dat ze er wel is in Christus, maar niet in de wereld, dan is dat crisis theologie pur sang, die met de Schrift in lijnrechten strijd is. Dat is een crisisdualisme. De weigering van den mensch, om zich met al z'n gaven en talenten te laten stellen in den vollen dienst van God, is 't verschrikkelijke.
We moeten de verhouding tusschen den mensch en God uitsluitend vanuit Gods openbaring bepalen en we mogen niet in strijd komen met de schepping en de herschepping Gods. We moeten het humanisme bestrijden, met de erkentenis van de Openbaring en daarmee tegelijk van het werk Gods in deze wereld, in wedergeboorte en geloof en bekeering, in Kerk en Koninkrijk Gods. De plaats, die de mensch in dit alles heeft, is naar Gods bestel een belangrijke.
De overschatting van den mensch is een gevaar, dat de Kerk altijd heeft bedreigd. Maar de miskenning van de plaats van den mensch in het werk Gods is een even groot gevaar. Want ze heft de taak en de roeping en de verantwoordelijkheid op, die de mensch in de schepping gegeven waren, en hem in de genade van Jezus Christus weer werden tot een dagelijksche vreugd. Geen degradeering der anthropologie ter eere van de genade.
Het humanisme moet bestreden worden met wapenen, door Gods Woord ons gegeven.
Calvijn en zijn Institutie.
Op den 23sten Augustus j.l. was het juist 400 ]aar geleden, dat Calvijn het voorwoord schreef der eerste uitgave van zijn institutie, dat gericht was aan Frans I. Deze eerste uitgave verscheen in het Latijn te Bazel in Maart 1536 en bevatte na het voorwoord zes hoofdstukken over de wet, het geloof, het gebed, de sacramenten en de vrijheid. Calvijn heeft dit werk drie malen uitgebreid en wel in 1539, 1543 en 1559. De laatste editie was ongeveer vijf maal grooter dan de eerste, maar onderging geen verandering wat de principieele inhoud aangaat.
Met de uitgave van dit werk, dat de geschiedenis van vele eeuwen heeft beheerscht, en dat nog steeds In het centrum der theologische belangstelling staat, bedoelde Calvijn tweeërlei.
Ten eerste zou het den Protestanten in Frankrijk rechtvaardigen tegenover het verwijt, als zouden zij bezield zijn met een revolutionaire gezindheid, die aanstuurde op losmaking van het Fransche gezag. Aangezien ook de koning, Frans I, een dergelijk gevoelen was toegedaan, wat bleek uit het feit, dat hij de vervolgingen, die hij tegen de Protestanten had ingesteld, tegenover de Duitsche vorsten vergoelijkte, achtte Calvijn het noodig, zich tot hem te wenden met een soort van verdedigingsgeschrift, dat naar vorm en inhoud een meesterstuk is van apologetisch verdedigend talent, en dat reeds bij voorbaat der Fransche regeering duidelijk maakte, dat de Evangelische Kerk in Frankrijk in Calvijn een man bezat, die niet alleen in staat was, maar ook den moed had, om voor de zaak van Jezus Christus in het krijt te treden, en dat op zulk een wijze, dat zijn geestesgrootheid. algemeene erkenning zou moeten vinden. In de Voorrede van zijn commentaar op de Psalmen vertelt Calvijn, dat zeker door Frans I verbreide geschriften hem in handen gekomen zijn, door middel waarvan den Duitschen vorsten de meening bijgebracht was, dat die tegen de Protestanten in Frankrijk ingestelde vervolgingen slechts tegen een groep dwepende en tot oproer geneigde wederdoopers hadden plaats gehad. Calvijn zag in, hier met een 1st van het hof te doen te hebben om het vergieten van het bloed zijner medebroeders goed te praten en te bestendigen, reden waarom Calvijn het als een verraad aan de waarheid beschouwde, wanneer hij niet met kracht en tact beide tegen deze fantasie optrad. Ziedaar de eerste aanleiding tot het schrijven van zijn institutie. In de voorrede aan den koning van Frankrijk, Frans I, zegt Calvijn: „Toen ik tot het „inzicht kwam, dat de razernij van sommige „boosaardige menschen in Uw koninkrijk zulk „een kracht gekregen had, dat daar voor de gezonde Heer geen plaats is, scheen het mij toe, „dat het de moeite zou loonen, wanneer ik tegelijkertijd aan hen onderwijzing schonk en mijn belijdenis onder Uw oogen. bracht, opdat Gij „daaruit kunt leeren, welke de leer is., tegen welke met zoo grooten waanzin ontvlammen die woedende lieden, die tegenwoordig met vuur en zwaard Uw koninkrijk in onrust brengen".
Naast dit apologetisch doel beoogde Calvijn, zooals hij in de voorrede van de tweede uitgave zegt, eenige beginselen te boek te stellen, waardoor zij, die met eenigen ijver tot den godsdienst bezield zijn, opgeleid kunnen worden tot de ware vroomheid. „Deze arbeid", zoo zegt hij, verrichtte ik hoofdzakelijk voor onze Fransche landgenooten, onder welke ik begreep, dat er velen waren, die hongerden en dorstten naar Chrlstus, maar van wie Ik zeer weinigen zag, die ook maar met een geringe kennis van Hem naar behooren toegerust waren. Calvijn zag dus de hooge noodzakelijkheid in om zijn geloofsgenooten een korte saamvatting der evangelische leer te bezorgen, waaraan zij schrikkelijk behoeften hadden. Het ontbrak hen aan. een geestelijk middelpunt, en het gevaar, dat een ieder de H. Schrift op zijn wijze zou gaan zien, was niet denkbeeldig, omdat de verschillende gemeenten vanwege de hitte der vervolging uiteengejaagd waren en een zelfstandig bestaan leidden, zonder persoonlijk contact met elkaar. Wilden de gemeenten dus niet In allerlei .godsdienstige richtingen uiteenvallen, dan was het allereerste eisch, dat zij in het bezit kwamen van een gemeenschappelijke belijdenis, die hen tot richtsnoer zou kunnen dienen, ook wanneer zij niet in de gelegenheid waren elkander persoonlijk te ontmoeten. Met helderen blik begreep Calvijn, dat de gezonde leer des Evangelies niet mocht worden ingeboet door de omstandigheden, waarin de Gereformeerden in Frankrijk waren geraakt. En zelfs, wanneer de geloovigen van dien tijd hadden willen trouw blijven aan de leer, die naar de Schriften is, waar hadden zij dan het noodzakelijke onderwijs kunnen bekomen ? Want de Bijbel was In den. eersten tijd der Fransche reformatie nog een tamelijk zeldzaam boek, waarbij komt, dat zij, die nog pas in de onwetendheid, waarin de Roomsche Kerk haar leden laat, hadden verkeerd, reformatorisch onderwijs niet konden ontberen.
Uit dit alles blijkt, dat vooral de tweede uitgaaf van Calvijn's Institutie een uitgebreide geloofsbelijdenis was, die dienen moest als regimentsvaandel, dat aan de verstrooide manschap, temidden van de verwarring op het slagveld, een plek aanwijst om te verzamelen en de gelederen te herstellen. Zoo was de opgestelde belijdenis het herkenningsteeken van de dappere strijders des geloofs, die bijeen hooren.
(De Kandelaar).
De Sumatra-Zending onder de Batakkers.
De Rijnsche Zending mocht in 1928 haar eeuwfeest vieren. Nu mag zij in gulden letters haar 75 jaar schrijven boven den arbeid, verricht op het eiland Sumatra.
In 1861 werd de bekende N om mensen als Zendeling afgevaardigd. Wie de levensbeschrijving van dezen geloofsheld leest (verschenen bij J. N. Voorhoeve, Den Haag) en hem op den voet volgt van het oogenblik af, dat hij het grondgebied der woeste Batakkers betrad en stap voor stap doordrong in het onherbergzame gebied, omringd door gevaren, waarvan wij ons geen idee kunnen vormen — aldus J. H. v. R. in „Timotheüs" — moet wel tot het besluit komen, dat deze pionier onder Gods bijzondere bescherming stond, en een grootsche opdracht van Hem uitvoerde.
Nommensen moest het aanzien, hoe de inboorlingen vrouwen en kinderen op de gruwelijkste manier martelden en doodden ; hoe mannen met stukken menschenvleesch van de markt kwamen ; hoe men toovermlddelen bereidde uit de lichaamsdeelen van een kind, dat men gedood had, door het gesmolten lood in den mond te gieten. Er werden samenzweringen op zijn leven gesmeed, waardoor dat kostbare leven dikwijls aan een zijden draad hing.
De eerste tijden scheen het wel, of het werk van den Zendeling met onvruchtbaarheid werd geslagen. Maar ten slotte kwam de Heere mee door zijn stoeren en gestagen arbeid het werk rijkelijk zegenen en grootelijks uitbreiden.
In 1865 mocht Nommensen de eerstelingen oogsten, en toen werden de fiolen van den heidenschen toorn over deze bekeerlingen op vreeselijke wijze uitgegoten.
Dertig jaren later waren de eerst zoo vijandige hoofden medearbeiders van hem geworden ! De landstreken van het Tobameer waren als 't ware herboren. Thans is het ledental van de Batakkerk tot 356.000 zielen gestegen. Welk een wonder is in deze drie-kwart eeuw door God den Heere in de Bataklanden gewrocht!
Er zijn nog beschaafde Europeanen, die beweren, dat het dwaas is, natuurvolken te verontrusten en hen te vermoelen met christelijke dogma's, waarvan ze niets begrijpen. Men zegt: laat ze toch blijven in hun idyllischen toestand van kinderlijke onschuld". — Maar deze menschen geven daarmee bewijs, dat ze niets weten van de toestanden in de heidenlanden, waar het Evangelie nog niet is doorgedrongen en Jezus Christus nog niet gepredikt als den eenigen en algenoegzamen Zaligmaker!
Van idyllische toestanden' is geen sprake. Gelukkig óok niet van de prediking van niets dan dorre dogma's.
Gode zij dank, dat ook in de binnenlanden van Sumatra het Licht der lichten is opgegaan, dat het land vol schaduwen des doods is komen beschijnen, om te leiden in het vredepad!
Dat men de Sumatra-Zending in deze dagen bijzonderlijk mag gedenken in de gebeden en met gaven der liefde.
Hervormd Gereformeerde Jeugdcentrale.
Blijft Zaterdag 15 Augustus niet thuis, maar komt naar den Landdag der Hervormde Geref. Jeugdcentrale in „Zomerlust", Oude Plantage, Rotterdam, waar zullen spreken :
Ds. Th. G. Vollebregt, van Hoornaar. Onderwerp : „Is het wèl met u ? "
Ds. T. H. Oostenbrug, van Gouderak. Onderwerp : „Een jongeling, die den Heere diende".
Ds. H. A. de Geus, van De Büt. Onderwerp : „Open of gesloten grenzen".
Komt zelf en wekt anderen op!
Anti-religieuse wandaden.
Monument der Hervorming te Geneve besmeurd.
Nadat onlangs door Communistische agitatoren de kathedraal van St. Pierre te Geneve ernstig besmeurd was, werd thans na den herdenkingsdag der Reformatie te Geneve, dezer dagen zoo plechtig gevierd, een nieuwe anti-religieuse wandaad bedreven. Op het Monument der Hervorming werd namelijk op het hoofd van Farel een flesch Chineesche inkt uitgegoten ; een deel van den inhoud stroomde ook over de figuur van Calvijn.
De Kerkeraad van-Geneve heeft een protest aan de Overheid gezonden en ernstig gevraagd aan dergelijke gebeurtenissen paal en perk te stellen.
Staat en Kerk in Polen.
Een dwangoplossing.
Het Poolsche Parlement heeft den Staatspresident de volmacht geschonken om thans door middel van een Staatsverordening een dwangoplossing inzake de verhouding van de Evangelisch Luthersche Kerk tot den Poolschen Staat te bewerkstelligen.
Onder de Protestanten in Polen is dit Parlementsbesluit met ontsteltenis ontvangen. Want 't concordaat met de Roomsch Katholieke Kerk, en de wetten betreffende de erkenning van de Mohammedaansche en Karawische geloofsgemeenschappen kwamen op den ordelijken weg door behandeling in het Parlement tot stand. De Evangelisch Luthersche Kerk rekende op den zelfden weg. Ter zake diene voorts, dat er reeds drie jaar lang een ontwerp betreffende de Evangelisch Luthersche Kerk ter tafel is, doch dat men het hierover niet eens kon worden, wijl het wetsontwerp aan den Staat te veel invloed geeft.
Japan.
Het Japansche Ministerie maakt bekend, dat het in de eerste vijf jaren een totaal van vijf millioen Japanners als emigranten naar Mamdsjoekwo hoopt over te brengen. Eveneens maakt de politiek er gewag van, dat men Buiten-Mongolië niet in de macht van Rusland laten zal, maar Binnen-en Buiten-Mongolië tot één Mongoolsche Staat, onder leiding van Japan vereenigen wil en dat men verder de vijf provincies van Noord-China, die zich van Zuid-China onlangs hebben losgemaakt, met een der Staten vereenigen wil, eveneens onder leiding van Japan. Zoo wordt de ontwikkeling der Japansche politiek op het vaste land duidelijker. Uit Moskou verluidt, dat men Buiten-Mongolië niet loslaten zal. Daar ligt dus het moeilijke punt, terwijl anderzijds Zuid-China nog geweldig spartelt tegen de opdringende Japansche politiek.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 augustus 1936
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 augustus 1936
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's