WAT DE PERS TE LEZEN GEEFT
Blijf van de Kerk af.
De meesten onzer lezers zullen wel eens gehoord en allicht ook iets gelezen hebben van dr. J. H. Gunning. Niemand zal Gunning van kerkisme kunnen beschuldigen. Zijn opvattingen zijn hier zoo ruim als de oceaan, al zijn ze niet zoo diep. Maar het kan zelfs Gunning te bar worden.|
In »Hervormd Amsterdam«, het weekblad van Amsterdamsche Vereeniging van Hervormden, schreef Gunning een raak artikeltje aan het adres van de Buchmannbeweging; dat wij hier overnemen uit „De Wekker". Hij schreef o.m. :
Maar wat ik niet hebben kan, is spot en verachting van de Kerk en van hare dienaren. O, ik ben lang niet blind voor de gevaren en de zonden van den geestelijken stand, allerminst van dien mijner „eigene" Hervormde Kerk. Maar ik vind het onuitstaanbaar wanneer men met goedkoope minachting over mannen spreekt, die hun gansche leven in de Kerk aan het heil der zielen wijden.
Op een samenkomst van Oxfordvrienden — een kleine tweehonderd personen sterk — had een leeraar onzer Kerk de „leiding". Hij is een niet onvermaard man en arbeidt in eene niet onvermaarde stad. Hij heeft, gelijk zoovelen, een zegen ontvangen in en door de Groepbeweging. God zij er voor geloofd en geprezen! Maar ik vind het treurig, dat die broeder (gelijk maar al te zeer te doen gebruikelijk wordt) op „de dominees" geweldig afgaf en als zijn „getuigenis" gaf, dat hij „vroeger net als andere dominees preekte om menschen in de kerk te krijgen, hoe meer hoe liever — nu preekt hij om de menschen, tot Christus te brengen". Men vond dat innig en treffend — ik vind het jammerlijk en onbeschrijfelijk onrechtvaardig. Indien deze broeder in de Groep de overtuiging heeft ontvangen : tot dusver heb ik niet met de vereischte toewijding, met de algeheele overgave mijner ziel mijn heilig dienstwerk verricht", laat hij zich dan in de binnenkamer voor zijn God verootmoedigen, vergeving zoeken in het bloed der verzoening en met betooning des Geestes en der kracht van zijn Heiland en het centrale punt aller waarheid : het verzoenend kruislijden van den Borg en Middelaar, getuigen — maar niet onder het vroom gegiechel en ja-geknik van een gedistingueerd select-publiek zijne mede-ambtgenooten aldus; aan den medelijdenden glimlach van deze „tot-leven-gewekte" menschen prijsgeven. Ik ken en erken de vele tekortkomingen der Kerk, ook die van „onze" Hervormde Kerk, maar honderden van haar trouwe, vrome, ijverige dienaren zijn mij te goed en te dierbaar om zulk een woord (en het wordt in die kringen Vaak vernomen) zonder protest te laten passeeren.
Men beschouwe deze opmerkingen niet als een kritiek op deze „beweging" evenmin als op de nobele, vrome mannen en vrouwen, die er onder hare pleitbezorgers gevonden worden. Ik heb herhaaldelijk menschen ontmoet, die het dankbaar en ootmoedig getuigden dat Jezus hun eerst daar tot eene werkelijkheid geworden was. Maar bedenken al die bekeerden wel, dat in zeer vele gevallen de nederige, trouwe, maar weinig gewaardeerde arbeid der kerk is vooraf gegaan ? En waar dit niet 't geval was, was het daar altoos uitsluitend de „schuld der kerk? Ik heb van vele „getuigenissen", die er in deze kringen worden afgelegd, den indruk, dat ijdelheid en babbelzucht en pralerij, die helaas ook in kerkelijke kringen gevonden worden, in deze samenkomsten niet geheel onbekend zijn.
Wat mij betreft, ik behoor tot die „ongelukkigen" — maar is het wel waarlijk een ongeluk ? — die veel intenser gevoelen wat hun ontbreekt dan wat ze bezitten. Als ik voor mijn God. op de knieën lig weet ik geen enkel ding te noemen, waarop ik mij beroemen kan voor den Heer en als ik toch zoo gaarne óók wat zou hebben om van te „getuigen", zooals deze vrienden het soms zoo stichtelijk en soms ook wel echt wonderlijk en infantiel kunnen doen, komen mij Schriftwoorden als deze verootmoedigen : „Wij hebben allen gezondigd en derven de heerlijkheid Gods en worden om niet gerechtvaardigd door de verlossing, die in Christus Jezus is."
God zegene de Oxford-Beweging, en God zegene Möttlingen, en God zegene Johannes de Heer met zijn Maranatha-Boodschap, God zegene het Heilsleger en wat er meer zij aan toegewijde, liefdevolle Evangelisatie, maar men miskenne niet den grooten zegen van den kerkelijken arbeid. Ik verzeker u, als die eens plotseling geheel werd gestaakt, het zou er in de wereld, óók in de „christelijke" wereld, maar droevig uitzien.
Blijf van de Kerk af!
Het Belgisch gebeuren.
Een der argumenten, ten gunste van devaluatie aangevoerd, is, dat daardoor loonsverlaging vergemakkelijkt wordt.
In een der tractaten voor devaluatie lezen wij: »Doordien men zich in .arbeiderskringen blind staart op het geldloon en de strijd voor loonsverhooging moet worden gestreden op tal van fronten, is het uiterst moeilijk tot de noodzakelijke loonsverlaging te komen. Door devaluatie zal het geldloon op dezelfde hoogte kunnen blijven en onze arbeid toch in het buitenland worden verkocht«.
Deze argumenteering ten gunste van devaluatie is verwerpelijk. „Doordien men zich in arbeiderskringen blind staart op het geldloon", zal men de blindstaarders tegemoet komen, den gulden in waarde verminderen, het loon laten op het oude nominale peil, en dus loonsverlaging doorvoeren met een blinddoek.
Dergelijk occultisch bedrog moet schadelijke gevolgen hebben.
Dat occultisch bedrog werkt onrechtvaardigheid, omdat het een onevenredig zwaren druk legt op de arbeiders met lage loonen en zeker de landarbeiders het gelag zullen betalen.
Het zal schadelijke gevolgen hebben in dien zin, dat in zekere kringen de gedachte veld zal winnen, dat het streven naar bezuiniging en aanpassing toch eigenlijk overbodig is, omdat door een gemakkelijken monetairen maatregel datgene bereikt kan worden, waarvoor anders zooveel moeilijkheden getrotseerd moeten worden.
De verwachting, dat devaluatie den arbeidsvrede bevordert, stakingen voorkomt, omdat dan langs een omtrekkende beweging, langs den weg van den minsten weerstand: zal worden bereikt hetgeen bij aanpassing alleen met groote arbeidsconflicten kan worden tot stand gebracht, wordt door den gang van zaken in België wel tragisch weersproken.
België devalueerde, en nadat de schoone schijn was geweken, werd het, nauwelijks een jaar na de devaluatie, geteisterd door werkstakingen, die in omvang haar weerga in België's geschiedenis niet vinden.
De zoogenaamde weg van „den minsten weerstand" bleek een weg van massale conflicten.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 augustus 1936
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 augustus 1936
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's