De Heidelbergsche Catechismus (1)
Inleiding. (1)
De apostel Paulus prijst zijn geestelijken zoon Timotheüs gelukkig, dat hij van kind af onderwezen is in de Schriften; want de Schriften zijn ons gegeven, opdat ze ons wijs zullen maken tot zaligheid ; opdat ze ons geloof zullen sterken en leiden; opdat ze ons genoegzame kennis zullen geven om de Waarheid te verbreiden en, waar noodig, te verdedigen, wederstaande allerlei leugen-en dwaalleer (2 Tim. 3 : 15—17). Want hoe slechter we thuis zijn in de Schriften, hoe meer afdwalingen in leer en leven ! (Matth. 2i2 vers 29).
Wij moeten niet blijven bij ónze gedachten en onze woorden en ónze wegen. Die menschelijke bron is onrein en bedorven. En het einde van al óns bedenken is, omdat we Adams kinderen zijn, de dood.
Wij moeten uit ónze wegen worden verlost en in aanraking worden gebracht met hetgeen God Zelf heeft uitgedacht tot wijsheid en tot verlossing. We moeten worden overgezet In Zijne wegen, die Hij, vol genade, gebaand, heeft en die in Jezus Christus, den tweeden Adam, leiden tot het eeuwige leven.
Geen wonder dan ook, dat de Heiland Zelf Adams kinderen altijd heeft willen bewegen om eigen wegen te verlaten en te komen tot Hem, Die van Zich Zelf getuigde : „Ik ben de weg, de waarheid en het leven, niemand komt tot den Vader dan door Mij".
Buiten Christus is dan ook geen waarheid en geen leven. Daarom heeft ook de Kerk altijd te prediken : „Gelooft in den Heere Jezus Christus en gij zult zalig worden". „Zoekt Hem en leeft". Maar — hoe zullen wij in Hem gelooven, indien wij Hem niet kennen ? En hoe zullen wij Hem kennen, indien wij de Schriften niet onderzoeken en zoo de Schriften ons niet worden uitgelegd ? Die Schriften toch zijn het, die van Hem getuigen ! (Joh. 5 vers 39).
Als bij den profeet Hosea de Heere Zelf klaagt: Mijn volk is uitgeroeid, omdat het zonder kennis is" (4 vers 6a), dan kunnen we gerust aannemen, dat het volk van Israël, aan wie „de Woorden Gods waren toebetrouwd" (Rom. 3:2), vervreemd van die Woorden Gods waren geworden en los van die Woorden Gods leefden, de kleinen met de grooten. De schat en het dierbaar pand, aan Oud-Israël toebetrouwd, dreigde geheel verloren te gaan en het zou de ondergang zijn van Kerk, Volk en Vaderland !
Men had geen honger naar dat brood, geen dorst naar dat water. En. als men geen honger heeft naar dat brood — zoekt men andere wijsheid tot spijs. Want een mensch wil en moet toch eten ! En als men dan de wijsheid ten leven veracht, zoekt men de leugen tot den dood!
Hoe anders bij den Moorman uit het Zuiderland ! Diens geest was ten leven gewekt door Gods grondelooze barmhartigheid, waar de Heere van alle vleesch zoekt tot behoudenis. En, levend gemaakt door den adem des Geestes, verlangt zijn ziel, zooals het moegejaagde hert hijgt naar de waterstroomen, naar het brood des levens en het water uit den rotssteen, Christus, waarbij de lezing der Schriften hem verkwikt, vooral door en na de uitlegging van de Woorden Gods, door Filippus, den evangelist. De Woorden des Heeren, door Jesaja den profeet gesproken, gaan voor hem leven. En door de Schriften gaat Christus voor zijn ziele leven. In den weg der Schriften komt deze zoekende ziel tot de rijkste Christuservaring. Wat een vervulling is van hetgeen de Heiland Zelf gezegd heeft: „Onderzoekt de Schriften, want gij meent in dezelve het eeuwige leven te hebben ; en die zijn het, die van Mij getuigen" (Joh. 5 vers 39). De heerlijkste Christus-ervaring, in den weg der Schriften, voor een iegelijk die gelooft!
Heusch, het is zoo belangrijk niet, wat de menschen denken en leeren en aanprijzen. Ook ai zijn het héél knappe menschen. Want ten slotte komt de mensch toch niet uit boven de dwaasheid en de ijdelheid. Maar wat God Zelf heeft uitgedacht en ons in Zijn Woord, in Zijn Christus, ons geopenbaard heeft, is waarheid en leven en overtreft alles.
Zoo worden wij dan ook telkens voor de keus gesteld : óf te leven bij hetgeen des menschen is óf te leven bij hetgeen de Heere Zelf heeft geopenbaard in Zijn Woord, in Zijn Christus. En 't gaat daarbij om dood en leven, niets meer en niets minder.
't Zal dan ook alléén maar goed zijn, als ook ónze ziele er iets van kennen mag, om te getuigen naar waarheid : „hoe lief heb ik Uw getuigenis, o Heere !" „Uw Woord is een lamp voor mijn voet en een licht op mijn pad".
Dat Woord wil ons brengen tot Hem, in Wien de eenige troost ligt, voor leven en sterven, van een iegelijk, die in Christus gelooft, zeggende :
„Mijn Heere en mijn God !"
[Wordt voortgezet.]
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 augustus 1936
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 augustus 1936
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's