MANKE MURK
EEN VERHAAL UIT HET FRIESCHE VOLKSLEVEN
Met toestemming uitgever J. H. Kok te Kampen
's Avonds was zij vermoeid van den arbeid en viel in slaap tot de wekker haar deed ontwaken en dan was het weer aanpakken den ganschen lieven dag tot aan het uur, dat het klokje van gehoorzaamheid sloeg. Zoo ging het, als het vee op stal was en wanneer het liep te grazen in de malsche weide ; als het lentezonnetje koesterend nieuwe vrucht uit de aarde deed voortkomen, en als de sneeuwvlokken in wilde jacht krijgertje speelden en de wintervorst bloemen op de ruiten teekende, het eene jaar uit, het andere jaar in. En niets, dat Pleuntje bij het klimmen harer jaren aan andere dingen denken deed. Zij at en dronk en werkte en sliep, en daarmede — uit.
Alleen wanneer Murk op komst was, dan leek het alsof haar belangstelling werd opgewekt. Zooveel mogelijk kwam hij op vaste tijden, zoodat zij onwillekeurig uitkeek als hij langer uitbleef dan gewoon. Dan kon het wezen, dat zij hem tot het hek tegemoet liep, om dit voor hem te openen, of dat zij een emmer water gaf voor den hit, alles zonder eenige bijbedoeling, alleen omdat zij het zoo vanzelf vond. Murk was immers mank, en dat arme dier, zoo'n heelen dag in het gareel, had ook zijn behoeften. Als het binnen heel lang duurde, gaf zij het beest weleens een stuk brood, of wierp het een dek over den rug voor de kou. Dat was ook niet meer dan plicht en behoorde zoo bij het werk.
Toch waren het deze kleine attenties, die vooral in de laatste tijden bijzonder Murk's aandacht trokken. Wat zou het op „Lucht en Veld" kaal wezen als Pleun er niet was. Als niemand hem tegen kwam met dien gewonen groet en hem dan hielp het heem op te rijden. Niet, dat hij deze hulp noodig had, — op „Bornia-State", en op „Glad verlegen", en bij Osinga's plaats moest hij zichzelf ook redden, maar hier was hij dat nu eenmaal niet gewoon. Pleun en hij waren oude bekenden en 't sprak vanzelf, dat zij hem hielp. Althans zoo was het tot hiertoe geweest. Naarmate zijn handel zich ging uitbreiden en hij in beteren doen kwam, scheen er evenwel ook op andere wijze nog verandering bij hem te komen.
„Vreemd, dat die Murk altijd zoo alleen blijft, " zeiden de menschen, totdat men de stoute schoenen aantrok en tot hem zeggen ging : „Murk, waarom neem je geen vrouw ? "
'Die vraag, eerst als grap beschouwd, maar telkens uit andere monden vernomen, bleek in het eind voor hem een weerhaak te hebben. „Waarom hij geen vrouw nam ? " Daar had hij vroeger nooit over gedacht. Nimmer had hij het zich ook maar één oogenblik voorgesteld, dat hij, de arme, manke Murk ooit het zoo ver in de wereld brengen zou, dat hij nog eens zijn eigen schoorsteen zou zien rooken. Hij een vrouw ! Moest hij al niet blij zijn, zelf het leven te kunnen houden door eigen brood te verdienen ? Toen hij zich in den tijd vóór zijn bekeering nog al eens met de meisjes bemoeide, was het meer om eens een grap uit te halen of een pretje te hebben, dan dat hij dacht aan trouwen.
Maar nu de omstandigheden zich gingen wijzigen, nu hij het groote voorrecht genoot zijn eigen brood te eten, en dat nog niet alleen, maar bovendien ook nog mede te kunnen dragen de lasten van het gezin eener weduwe, nu werd 't anders. Nu kon het gebeuren, dat hij, rustig op zijn kar gezeten zooals de hit , deze over den heirweg trok, plotseling zich die vraag van de menschen weer herinnerde, zonder evenwel hierop een antwoord te kunnen geven. Waarom hij geen vrouw nam ? Ja, waarom niet ?
Zoo kwam hij op zekeren dag als gewoon op „Lucht en Veld", toen zijn aandacht bijzonder op Pleun gevestigd werd. Hoe het kwam ? Wie zal dat zeggen. Als altijd, reed hij het heem op, om aan de zijde van de schuur stil te houden en den hit daar aan een ring vast te binden. Pleun stond op het boenstap potten en pannen te boenen, en als steeds groette zij hem, meteen een opmerking makend over het mooie weer en de groenende velden, waar het vee in de malsche klaver liep of rustig lag te herkauwen, 't Was alles precies als andere dagen, en toen gebeurde dat wonderlijke en onverklaarbare, 't welk zoo menigmaal in ontelbare levens plaats grijpt. Toen bleef Murk een oogenblik staan en keek haar aan. Zonder dat hij wist waarom, en heel anders dan tot nu toe.
En of Pleuntje dit merkte, maar opeens deed zij hetzelfde, om zich het volgend oogenblik diep over haar vaatwerk te buigen en daardoor de kleur voor hem te verbergen, die plotseling bij haar opkwam. Hoe was 't mogelijk, en waarom kwam het zoo ? De meer dan dertig-jarige Pleun blozen, en dat, omdat Murk haar aankeek, dien zij al zoo lang kende, en wat hij zoo menigmaal gedaan had en zij ook. Foei, hoe gek toch ! Wat mocht hij wel niet van haar denken. En wist zij nu maar iets te zeggen, of het gesprek in de een of andere richting te brengen en daardoor de aandacht op iets anders te vestigen, maar dat lukte óok niet. Net, alsof zij geen woorden had en haar verstand stil stond. Precies als de oude Friesche klok in de keuken, die ook geen geluid meer gaf, hoe het ook geprobeerd werd. Zoo had zij ook niets meer te zeggen.
En intusschen scheen Murk heelemaal geen haast te hebben. Waarom ging hij nu niet naar binnen en liet haar alleen ? Ja, waarom weer niet ? Ook al een vraag, waarop hij misschien zelf geen antwoord had weten te geven. Gelukkig, daar wist hij het zwijgen te verbreken en Pleun iets te vragen, waardoor zij zich wel van haar werk moest oprichten.
„Weet je ook, hoe het met Elske op „Bornia-State" is ? " vroeg hij.
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 augustus 1936
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 augustus 1936
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's