De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

NATUUR EN GENADE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

NATUUR EN GENADE

9 minuten leestijd

V.
De zegswijze, dat een mensch eerst van de wereld tot God moet bekeerd en daarna van God tot de wereld, doet misschien menigeen eerst vreemd aan en toch bevat deze uitdrukking een diepe waarheid.
Toen de mensch zich van zijn God heeft losgemaakt, heeft hij in het schepsel gezocht, wat hij in God had verloren. In het heidendom komt dat tot klare openbaring. Vooral in hun eeredienst wordt het uitgesproken, want de heerlijkheid des onverderfelijken Gods hebben zij veranderd in de gelijkenis eens beelds van een verderfelijk mensch, en van gevogelte en van viervoetige en kruipende gedierten. Daarnaast hebben zij zich neergebogen voor de hemellichamen, zon en maan en sterren. Zelfs de steenen des velds ontvingen bijwijlen de eere, die God toekwam.
Al zijn wij echter uit het heidendom uitgeleid, de natuurlijke mensch blijft in zijn hart toch immer een heiden, waarom de profeten reeds tot het volk Israels zeiden : uw vader was een Amoriet en uw moeder een Hethietische. Zijn hart gaat uit naar het geschapene en daarop is zijn vertrouwen, meer dan op den levenden God. Tal van afgoden heeft hij zich opgericht en tot deze wereld wendt hij zich gedurig met heel zijn hart en ziel en zegt: laat mij toch drinken van de wateren des levens, die gij schenkt.
Wie tot waarachtige bekeering komt, ziet, wat hij tevoren misschien wel beleden heeft, maar nooit in het rechte licht heeft gezien. Als hij Jezus hoort zeggen : wie iemand liefheeft boven Mij, dan moet hij erkennen, dat hij allen en alles Hef heeft gehad boven Jezus, dat zijn hart niettegenstaande vrome woorden, die hij sprak, aan het schepsel verpand was, en het kan niet anders, of het begint bij hem te leven : weg zonde, weg wereld, ik wil Jezus alleen.
Als Israël het beloofde land binnentrekt, moeten zij de afgodsbeelden en altaren en heiligdommen der Kanaanieten uitroeien, ledere vrome koning van Israël, die zich opmaakt om het godsdienstige leven des volks tot reformatie te brengen, begint met de omverwerping van de afgodsbeelden en altaren. Zelfs de koperen slang, door Mozes in de woestijn opgericht en als aandenken aan Gods wondere verlossingen bewaard, wordt verbrijzeld en vernietigd, wijl het volk afgoderij daarmede had gepleegd. De beeldenstorm ten onzent is niet enkel een revolutionaire strooming geweest; daarin sprak mede de afkeer des volks van al, dat afgodische eerbied was toegebracht. Is het dan wonder, dat de mensch, die bekeerd wordt tot den dienst van den levenden God, de wereld, waarmede hij afgoderij heeft gepleegd, den rug toekeert en niets meer van haar weten wil? Menigeen, die tot bekeering kwam, trekt zich zooveel mogelijk uit het leven terug. Niet alleen onttrekt hij zich aan allerlei vermaak en ontspanning, maar het misbruik, dat hij van deze wereld gemaakt heeft, maakt hem voor het gebruik bevreesd ; indien het mogelijk ware zou hij begeeren uit de wereld uit te gaan.
Alle ding heeft zyn bestemde tijd. Dat geldt ook van het leven der godsvrucht; ieder moment heeft daar zijn, bestemde tijd. Daarom breekt in het leven van hen, die God vreezen, de tijd aan, dat zij zien, dat al wat God gemaakt heeft, goed is, . Zij hebben met het schepsel gezondigd, maar alle schepsel Gods is goed en heel deze wereld, voor zoover zij van God geschapen werd, is goed. Ja, het is ex zoo verre vandaan, dat wij uit deze wereld hebben weg te vluchten, dat God de Zijnen hun taak juist in deze wereld heeft gegeven. En meer en meer gaat het licht op over den nauwen band, waarin God de mensch met deze wereld heeft geschapen en de taak en de roeping, die God hem gaf ten opzichte van deze geschapen wereld. Dan verlaat hij God niet wederom om opnieuw de wereld te dienen, maar dan krijgt hij, in God rustende en Hem alleen aanhangende, in deze wereld Gods werk te zien en hij krijgt Gods werk lief, niet met een afgodische liefde, maar met een liefde, die opspruit uit de vreeze Gods.
Niet altijd gaat echter de wasdom des geloofs ongehinderd voort. Ons vleesch legt allerlei hinderpalen aan de groei des geloofs in den weg, brengt aan het geloof tal van wonden toe, waardoor de plant des geloofs dikwijls afwijkingen vertoont, vergroeiingen, die evenals in de natuur, geen doodelijke gevolgen hebben, maar wel een verkeerde vorm en gestalte aan de plant geven.
Zoo zien wij telkens, dat hetgeen tijdelijk behoorde te zijn, een blijvend karakter krijgt. De afkeer, waarmede de christen zich aanvankelijk van de wereld afkeert, wordt daarna niet gevolgd door een nieuwe waardeering van Gods werk, maar verstolt tot een blijvend vluchten voor alle aanraking met het geschapene, in het bizonder voor alle aanraking met de cultuur, waarin de mensch zijn heerschappij over de natuur tot openbaring brengt.
Het monnikenwezen en het kluizenaarsleven vindt zijn oorsprong in een eenzijdige ontwikkeling van de omwending des harten van de wereld tot God. Het piëtisme is niet anders dan dezelfde eenzijdige ontwikkeling op Protestantschen bodem. Men vlucht hier niet in een klooster of een kluizenaarshut; tengevolge van den invloed der Hervorming wist men te goed, dat dit Roomsch was. Maar men vlucht hier in de binnenkamer om in het eenzame leven voor Gods aangezicht en in de verborgen omgang met Hem het ware leven der ziel te vinden.
Nu moeten wij hier goed onderscheiden. Tegenover het rationalisme mag en moet er immer de nadruk op gelegd, dat het verborgen leven des geloofs de ware kracht en 't eenige fundament van een godvruchtig leven is. Waar dit leven des geloofs ontbreekt, wordt niet anders dan een ijdele en ledige vorm van godsdienst gevonden. Maar dit neemt niet weg, dat de vorm van onzen godsdienst niet zonder beteekenis is, dat de vorm ook van God is besteld, gelijk aan Mozes op den berg een voorbeeld is getoond van den tabernakel die hij vervaardigen moest. En de vorm, die het piëtisme aan het leven des geloofs geeft, is niet naar heit voorbeeld, dat ons in de Schrift wordt getoond.
Onder den invloed van het piëtisme draagt het leven van tal van christenen onder ons het stempel der wereldmijding en wereldontvluchting. Men moet nu eenmaal werken voor zijn brood, maar anders trokken velen zich geheel uit het gewone leven terug. Als monniken en nonnen kleedt men zich bij voorkeur in het zwart, de kleur der wereldverzaking. Eenzame meditaties en vrome gesprekken, op zichzelf een te waardeeren goed, worden nagenoeg de eenige openbaring van het leven der godsvrucht. Evenals in het klooster, krijgt het leven een sterk wettischen inslag. Het kan zelfs niet ontkend worden, dat velen boven den gewonen dagelijkschen arbeid er de voorkeur aan geven van de liefdadigheid van anderen te leven, wijl men dit ziet als een leven uit Gods hand, een bizondere trap van heiligheid.
Nog in ander opzicht treft vaak de overeenkomst met het kloosterleven. Menigeen heeft niet alleen zijn arbeid in deze wereld vaarwel gezegd om zich in het klooster terug te trekken, maar zelfs de band met vrouw en kinderen verbroken om in de eenzaamheid, door niets gestoord zijn God te kunnen dienen. Ook onder ons zien wij dikwijls, dat zij, die God wenschen te vreezen, hun taak in het gezin naast zich neerleggen als iets wat tot deze wereld behoort, om zich geheel te wijden aan vrome «gesprekken op de gezelschappen der vromen. En tot zijn gezin keert men terug 'als tot de wereld, van wie men niet scheiden kan, maar wel gaarne wilde.
Het is de groote en onuitwischbare beteekenis van dr. Kuyper, dat hij onvermoeid tegen deze piëtistische opvatting van het leven heeft gestreden, waardoor de invloed van het christendom, of wil men van Gods Woord op het openbare leven, steeds achteruitging en dit leven meer en meer ontkerstende.
Zeer terecht moet daarbij ingezien worden, dat het zich werpen op evangelisatie en philanthropie de kwaal niet wegneemt. Op zich zelf genomen zijn deze werkzaamheden natuurlijk van groote beteekenis. Dat het reveil van de vorige eeuw den stoot tot velerlei arbeid op dit terrein gaf, doet zien, welk een levenskracht tot den dienst van God door het reveil verwekt werd. Maar wij kunnen daarbij niet blijven staan. Als schrijnende armoede zich onder ons openbaart, zijn wij zonder twijfel tot liefdadigheid geroepen, maar als burgers des lands hebben wij tevens tot taak om ons af te vragen, uit welke oorzaken deze armoede voortkomt en of het niet mogelijk is door maatschappelijke hervormingen of andere sociale maatregelen de bron der armoede weg te nemen, waardoor dus niet alleen een pleister op de wonde wordt gelegd, maar deze wonde ook wordt genezen.
Het is maar een enkel voorbeeld, waardoor wij willen aanwijzen, hoe de christen, die in het verborgen leven des geloofs met God zijn sterkte vindt, nochtans een plaats heeft in deze wereld, een plaats, hem van God daar gegeven, wijl hij deel dezer wereld uitmaakt, en een plaats, waar aan een goddelijke roeping verbonden is.
Gods genade maakt de natuurlijke banden, waarmede wij met deze wereld verbonden zijn, niet los, maar heiligt deze. Als Jezus zegt, dat wie niet haat zijn vader en moeder, broeder en zuster, man, vrouw of kinderen, Zijn discipel niet kan zijn, dan mag dit niet zoó verklaard, alsof de christen geroepen zou zijn deze banden des bloeds te verbreken. Dat blijkt het best uit het woord van den apostel, waar hij zegt, dat wie zijn eigen huisgezin niet verzorgt, erger is dan een ongeloovige. Wie zijn taak in het gezin verwaarloost en vrouw en kinderen aan hun lot overlaat, om alle vrije tijd door te brengen bij dierbare vrienden en vriendinnen, met wie men door banden des geestes en niet des bloeds is verbonden, zondigt tegen den Heere en geeft blijk, dat hij zijn goddelijke roeping, die hij in deze wereld heeft, niet kent of niet wil kennen.
Maar wij zijn niet alleen door banden des bloeds aan ons gezin en onze familie verbonden; ontelbare banden verbinden ons met het leven van ons volk en heel de menschheid en overal worden wij geroepen den Heere te dienen naar Zijn Woord. Hier past geen vlucht den christen, maar een ootmoedig aanvaarden van de taak, waartoe God roept. Dat deze taak moeilijk is, verontschuldigt onze poging tot bevrijding van deze taak niet. God heeft ons hier in het strijdperk gezet. Alleen zij zullen de kroon des levens ontvangen, die den strijd wettiglijk hebben gestreden.
O. a/d IJ.
Woelderink

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 augustus 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

NATUUR EN GENADE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 augustus 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's