VRAGENBUS
Vraag: Hoeveel moeten we kennen om te kunnen gelooven ? Mag men zich met weinig kennis tevreden stellen ? Komt ons verstand bij 't gelooven te pas ?
Antwoord : Er kan geen geloof bestaan zonder kennis; want men kan niets aannemen zonder dat men de dingen kent en weet. En die kennis moet dan gaan inzake alles wat God ons in Zijn Woord geopenbaard heeft, bijzonder betreffende de beloften des Evangelies in Christus gedaan. Dat moet inhoud voor ons hebben en dat moet voor ons een vaste vorm hebben aangenomen, anders kunnen we niet gelooven en kunnen we er ons vertrouwen niet aan geven.
't Mag niet alles „onbestemd" en „vaag" voor ons zijn en blijven. De Catechismus zegt met nadruk in .Zondag 7, dat het moet zijn een zekere kennis van alles wat God ons in Zijn Woord heeft geopenbaard en in Christus komt beloven.
En die zekere kennis is dan niet een willekeurige, onbestemde kennis, maar een kennis, waarvan we de vastigheid kennen en die voor ons geen zweem van twijfel toelaat. Om te kunnen gelooven moeten we een vast begrip en een heldere voorstelling hebben van de hoofdsom des Evangelies, waarop we dan met een hartelijk vertrouwen bouwen.
En dan zal men niet met zoo weinig mogelijk kennis te vree zijn, maar men zal gaarne de Schriften onderzoeken, omdat men Gods Woord bemint en er van wil drinken als zijnde het water des levens. Men wil het „opeten", omdat het onze dagelijksche spijze wordt, als de ziele God liefheeft.
Of dus ons verstand bij het gelooven te pas komt ?
Zeer zeker ! De Heere heeft ons geschapen als redelijke, zedelijke schepselen en we zullen als redelijke schepselen er behoefte aan hebben om ons de dingen ordelijk, logisch, voor oogen te stellen. God is een God van orde, en dat zal ook bij de geloovigen openbaar worden. „Onze redelijke godsdienst", zegt Paulus. En „Vader" Brakel heelt er een dik boek over geschreven, opdat we ons de dingen ordelijk voor oogen zouden stellen.
Daartoe wil de Heere geven 'Zijn Geest, waarvan geschreven staat: „Dezelfde Geest getuigt met onzen geest, dat wij kinderen Gods zijn". Maar waarvan óok wordt gezegd : „Wij hebben ontvangen den Geest, die uit God is, opdat wij zouden weten de dingen, die ons van God geschonken zijn".
Heeft dan ook de Heiland niet gezegd : „Onderzoekt de Schriften" ? En indien de geloovige wèl gesteld is en gezond in het geloof, zal hij het getuigenis des Heeren onderzoeken met lust. Niet, om de dingen „curieuselijk", dat is : méér dan betamelijk is en ongewenscht nieuwsgierig, te onderzoeken (de verborgene dingen zijn voor den Heere, onzen God ! Deut. 29 vers 29) — maar wel om te mogen kennen en weten en verstaan wat de Heere Zelf ons geopenbaard heeft in Zijn Woord, tot eere Zijns Naams en ons tot zaligheid en vree.
Wij denken hier ook aan het woord van den apostel Johannes : „Doch wij weten, dat de Zoon Gods gekomen is, en heeft ons het verstand gegeven, dat wij den Waarachtige kennen".
Vraag: Wie worden er in Psalm 82 bedoeld met „de goden" in vers 1 en vers 6 ? En waarom worden die lieden alzoo genoemd ?
Antwoord : Hier worden bedoeld de rechters, die zitten om recht te spreken ; om het onrecht te straffen en het recht te verdedigen en te handhaven. Die rechters worden (vers 6) genoemd „de zonen des Allerhoogsten. Hier worden niet bedoeld de Engelen. Dat is al te gezocht. Maar de rechters der aarde worden hier zoo genoemd, omdat ze de dragers zijn van Gods majesteit, in Zijnen dienst staan, om Zijn recht te handhaven, daartoe van Hem aangesteld zijnde. Zij zijn van God verordineerd, de goddelijke glans ligt over hen, en zij behooren tot de bijzondere machten, aan welke wij ons onderworpen moeten weten en gehoorzaamheid moeten bewijzen. Dat ze er zijn is door de algemeene gratie Gods om 't menschdom te behoeden en te bewaren en een ordelijk, gerust en stil leven mogelijk te maken. (Rom. 13 : 1 enz.). De Heiland ziet in Pilatus zoo'n „god" of „zoon des allerhoogsten", die is aangesteld om recht te doen; waarom Hij ook tot den Romeinschen stadhouder zegt: Gij zoudt geen macht hebben tegen Mij, indien het u niet van boven gegeven ware". Dat had Pilatus moeten bedenken, dat hij daar zat om recht te doen, in den dienst van den God van hemel , en aarde. Die de rechters aanstelt. Hij had naar „hooger recht" moeten vragen, zich bewust van zijn "goddelijke" roeping en opdracht. Want de rechter spreekt feitelijk recht in den Naam Gods, Die de Rechter is van hemel en aarde. Daarom ook de eed voor de rechtbank : saam staat me dan voor Gods aangezicht, de beschuldigde om voor Gods aangezicht te getuigen, de rechter om voor Gods aangezicht recht te spreken !
Psalm 82 is bewijs, dat de rechters, die „goden" zijn, dat wil zeggen : als op een goddelijke plaats zitten om in 's Heeren dienst goddelijk werk te doen — dit helaas!, niet verstaan en niet beseffen. Want ze handelen naar eigen zin en lust, alsof ze eigen heer en meester zijn ; en niet naar God vragend, verdraaien zij het recht en bezondigen zich zwaar. Maar de dichter van Psalm 82 weet het dat ze straks eenmaal zelf voor Gods rechterstoel zullen staan ! Dat de rechters der aarde dat mochten bedenken, om zich gewillig in 's Heeren dienst te stellen en als „zonen des Allerhoogsten" recht te doen op de plaats waar ze geroepen, zijn, om als „goden" te zitten.
In weerwil van al het onrecht dat de rechters doen — God zal ze oordeelen ! — is; de rechtspraak, de rechtbank, een goede gave Gods ter bescherming van de menschheid, naar de grootheid van Zijn algemeene goedheid. Wat zou het een hel worden op aarde als er geen rechtspraak, geen rechters meer waren en ieder ongebreideld en ongestraft alles kon doen waarin hij maar behagen schept: dieven, brandstichters, moordenaars, oproermakers, enz. enz.
We moesten veel meer bidden voor de rechters der aarde, die in de Schrift „goden" en „zonen des Allerhoogsten" genaamd worden — maar waaronder er helaas! zoovelen zijn, die (lees Ps. 82) onrecht plegen!
We hebben de bijbelverklaring van Calvijn nog eens opgeslagen bij Ps. 82. Laat ons hieronder een gedeelte afschrijven wat de groote Hervormer van Geneve, wien ook het burgerlijk en staatkundig leven zoo zeer ter harte ging, in deze kwestie schrijft.
Calvijn zegt dan bij Psalm 82 : „Daar God gewild heeft, dat sommige menschen boven de anderen gesteld zijn om heerschappij over hen uit te oefenen tot welzijn van allen, is het zeer onbetamelijk, dat zij niet erkennen tot welk doei zij boven de anderen zijn verheven, noch door Wien zij die hooge plaats innemen, maar alle recht en billijkheid versmadende, de vrijheid nemen om naar eigen zin en lust te heerschen ; daar zij zóó bedwelmd zijn door hun pracht en heerlijkheid, dat zij zich
inbeelden, dat de geheele wereld slechts voor hen gemaakt is.
Hier komt nog bij, dat zij het onbestaanbaar achten met hunne hooge waardigheid om zich door wijzen en bezadigden raad te laten leiden ; en hoewel zij zich nu in dezen waanzin te buiten gaan, zoeken zij toch nog vleiers, die hunne ondeugden vergulden en toejuichen.
Om deze hoovaardij te bestraffen, ontkent de Profeet (de dichter van Ps. 82) bij den aanvang („God is gezeten in de vergadering"), dat de tronen en rechtszetels zóó zeer in het bezit zijn der menschen, dat God Zich niet de opperheerschappij zou hebben voorbehouden, gelijk God ook gewild heeft, dat zelfs een heidensch en goddeloos dichter getuigenis daarvan heeft afgelegd, zeggende : „de geduchte koningen hebben heerschappij en macht over de volkeren, die zij aan zich hebben, onderworpen, maar de groote en heerlijke Jupiter, die de reuzen heeft overwonnen, en die door een oogwenk alles, wat boven en beneden het uitspansel is, kan doen wankelen, heeft heerschappij en macht over de vorsten en gebieders van alle volkeren".
Opdat dan ook de Potentaten dezer wereld zich niet méér zullen toeëigenen dan hun toekomt, richt de Profeet (de dichter) hier een troon op voor God, van welken troon de Allerhoogste allen oordeelt en hun hoogmoed ter nederwerpt, hetgeen zeer noodig is. Want hoewel zij belijden, dat het Gods genade is, dat zij regeeren, en Hem met uitwendige ceremoniën ook wel dienen, zoo zijn zij door hun hoogmoed toch zóó zeer beloovend, dat zij in hun dwaze inbeelding God uitwerpen van hunne vergaderingen, want zij kunnen het niet verdragen zich aan wet en recht te onderwerpen.
De Profeet (de dichter) wil den spot drijven met deze dwaasheid, dat zij in hunne vergaderingen aan God geen plaats laten. En om dezen hoogmoedigen eigenwaan des te beter te bestrijden, waardoor de vorsten dezer wereld zich bedwelmen, noemt God de burgerlijke orde : de vergadering der goden. Want hoewel Zijne heerlijkheid uitblinkt in elk deel der wereld, toch schittert zij voornamelijk aan deze plaats, te weten : waar eene wettige regeering gevestigd, is onder de menschen.
Ik erken wel — aldus Calvijn — dat het bij de Joden eene zeer gewone zaak is, om alles wat zeldzaam en voortreffelijk is met den titel God te versieren, maar hier schijnt de Profeet, naar de omstandigheid der plaats, de orde en den staat der vorsten goddelijk te noemen, omdat daarin de bijzondere majesteit Gods uitblinkt, gelijk Salomo het huwelijk het verbond Gods noemt (Spr. 2:17), omdat in het huwelijk eene bijzondere heerlijkheid gelegen is."
„Het woord goden heeft hier, gelijk een weinig later, en ook nog aan andere plaatsen, de beteekenis van rechters, in wie God een bijzonder merkteeken van heerlijkheid heeft ingedrukt. Om het woord „goden" hier van de Engelen te verstaan is eene al te gezochte verklaring".
Calvijn besluit zijn uitlegging bij het laatste vers van Psalm 82 („Sta op, o God, oordeel de aarde, want Gij zult alle natiën bezitten") aldus : „De Profeet eindigt met zich tot God te richten, om van Hem te vragen, dat Hij de trots en aanmatiging van de rechters der aarde moge fnuiken. Dat is ons tot troost. Want, hoewel men op aarde generlei teugel ziet, om hunne wetteloosheid te breidelen, zoo moet men toch opzien naar den hemel, om van daar hulp en vertroosting te verwachten, want het is niet tevergeefs, dat God Zich het ambt toeschrijft van de wereld te oordeelen. Daarom moeten wij Hem vragen, dat het Hem moge behagen orde te brengen in hetgeen in zoo droeve wanorde verkeert".
„Alle natiën zijn Gode reeds van zelve gehoorzaamheid schuldig en het zal tevergeefs zijn en het is onrechtvaardig, dat de tyrannen Hem van het recht van te heerschen willen berooven". „Daarom betaamt het ons te bidden, dat Hij door onde te scheppen in ds wereld. Zijne heerschappij over de volkeren herneemt".
Als de dichter van Psalm 82 zegt in het laatste (8ste vers) : „want Gij zult alle natiën bezitten", zijn er uitleggers, die hier denken .aan „een profetie van het Koninkrijk van Christus, door hetwelk de Heere alle volkeren onder Zijne gehoorzaamheid brengt". Maar Calvijn stemt daarmee niet in. Hij zegt: „Maar ik strek het nog vérder uit, te weten : dat alle natiën Gode reeds van zelve gehoorzaamheid schuldig zijn".
Alle volkeren, alle vorsten, alle overheden, alle rechters der aarde zijn Gode gehoorzaamheid schuldig ! Dat is „Calvinistisch", omdat het Schriftuurlijk is.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 augustus 1936
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 augustus 1936
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's