De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

HET LICHT DER WERELD

8 minuten leestijd

Jezus dan sprak wederom tot hen, zeggende: „Ik ben hef licht der wereld". Joh. 8 vers 12a.

HET LlCHT DER WERELD
Eeuwen reeds voor de komst van Christus op aarde werd door Jesaja, den grooten Godsman uit de dagen der oude bedeeling geprofeteerd, dat het volk, dat in duisternis wandelde, een groot licht zou zien, en dat over degenen, die woonden in het land van de schaduw des doods, een licht zou schijnen.
Met dat volk, dat in duisternis wandelde en in het land woonde van de schaduw des doods, werd allereerst bedoeld het volk in de landpalen van Zebulon en Naphtali, door Mattheüs terecht het Galilea der heidenen genoemd.
Daar was de duisternis het zwartst geworden over het volk der Joden, want daar in die landpalen van Zebulon en Naphtali was het licht van Israels religie al meer getaand en het oude volk des Heeren al dieper gezonken.
Maar met dat volk, dat in duisternis wandelde, werd door Jezaia niet minder bedoeld heel de wereld der volken, die zonder de waarachtige kennis Gods in geestelijke duisternis gedompeld is en gevangen ligt onder de zwarte schaduw des doods.
Over die wereld zou een licht opgaan, een licht, zoó helder en klaar, dat zijn schijnsel vergeleken zou worden met den stralengloed van de zon op middaghoogte.
Dat licht is opgegaan.
Het is opgegaan in Jezus Christus, want Hij kon terecht getuigen: „Ik ben het licht der wereld; die Mij volgt, zal in de duisternis niet wandelen, maar zal het licht des levens hebben".
De uitspraak van den Heiland, dat Hij het Licht der wereld is, gaat uit van de gedachte, dat zonder Hem de wereld in donkerheid ligt.
En nu wijs ik in deze korte meditatie niet hierop, hoe die wereld alles wat zij nog kent aan licht op velerlei natuurlijk gebied enkel dankt aan de genade Gods in Christus, maar ik wil u enkel bepalen bij het licht van Christus in de donkerheid van zonde, van schuld en ellende.
Daar is een diepe geestelijke duisternis over de aarde gedaald, sinds het eerste menschenhart zich verhief tegen zijn Maker.
Geen rechte Gods-kennis wordt meer gevonden, sinds de zonde haar intrede deed in deze wereld.
Sinds dat rampzalig oogenblik is het verstand van lederen mensch door de zonde verduisterd, kiest die mensch het kwade en begeert, wat hij moest tegenstaan.
Sinds die ure staat een iegelijk menschenkind voor de raadselen van leven en dood, voor de geweldige problemen der eeuwigheid, zonder te vinden het antwoord op die bange vragen van het kloppend hart.
Een diepte van ellende is 't gevolg van die verduistering van het verstand.
Die peillooze diepte van ellende kunt ge zien bij de heidenvolkeren, die buiten alle cultuur zijn gebleven.
Daar vindt ge de heerlijkheid des onverderfelijken Gods — om met Paulus te spreken — veranderd in de gelijkenis eens beelds van een verderfelijk mensch en van gevogelte en van viervoetige en kruipende dieren.
Daar roept het menschelijk hart zich moede tot een god van hout of van steen, tot een god zonder ziel, tot een god, die niet hooren kan en geen antwoord kan geven op de klacht van zijn dienaar.
Maar daar ziet ge ook in waarheid vervuld het woord der Schriften, dat God hen overgegeven heeft in de begeerlijkheden hunner harten tot onreinigheid en allerlei gruwelijke zonden.
Zwelgend in duivelsche wellust, gaat het de eeuwigheid tegen, ten laatste zelf verzwolgen door de schrikwekkende duisternis van den eeuwigen dood.
Doch diezelfde duisternis treft ge ook aan bij de heidensche cultuur-volken der oudheid.
Het oude volk der Grieken ook heeft gezocht naar vrede en naar rust, het heeft — dit heeft het met de andere volken buiten Christus gemeen — in zijn zangen wel gezongen van een verloren paradijs, maar de troost van het herwonnen paradijs heeft het nimmer gekend.
Menigeen onder die volkeren der oudheid vond geen vrede in den dienst der goden, geen vrede in de stelsels der wijsbegeerte en heeft, moede van het tasten in de zwarte duisternis, zich den slagader opengesneden in de meening op die wijze ten slotte vrede te vinden, helaas echter. om de donkere eeuwigheid binnen te glijden.
Diezelfde duisternis ten slotte is ook heden onder die volken te zien, waar de laatste slagboomen van het Christendom door het regeerend gezag zijn verbroken en het vendel der revolutie is geplant.
En als ge nu die geheele menschheid onderscheidt in de beide deelen, waarin de H. Schrift ze verdeelt, in kinderen der wereld en in kinderen Gods, o, dan ziet ge misschien niet bij de kinderen der wereld dat openlijk zwelgen in duivelsche wellust of de schanddaden, door een Paulus in zijn Brief aan de gemeente te Rome genoemd, maar dan ziet ge toch wel dat zelfde tasten in de duisternis en dat wandelen in de schaduwen des doods.
Dan ziet ge toch wel den dood van het geestelijke leven des harten.
Dan ziet ge een wereld in weeën en een zuchtende zondaar in bange smart.
Dan ziet ge in ieder oog, dat Christus niet kent een onbeantwoorde vraag naar de eeuwige toekomst.
Dan hoort ge uit ieder hart, dat in Christus nog geen vrede vond, de klacht omhoog gaan tegen de verschrikking des doods en ziet boven elk hoofd, dat voor Hem nog in waarheid niet boog, de zwarte wolk van het onafwendbare gericht.
Buiten Christus wandelt een iegelijk in de duisternis en de schaduw des doods, want zonder Hem is er geen kennisse Gods en zonder de reinigende kracht van Jezus' bloed geen ziel, die voor God kan bestaan.
In het woord van onzen tekst dient Christus Zich aan als 't Licht der wereld.
Lezer of lezeres, dat kon Christus naar waarheid getuigen.
Hij heeft door Zijn lijden en sterven het licht van Gods gerechtigheid doen opgaan over de groote problemen van zonde en schuld.
In den Christus, Die onder den vloek Gods over de zonde der wereld wegstierf aan het kruishout van Golgotha, gaat een | licht, gaat het licht op over de vraag, hoe een rechtvaardig en heilig God staat tegenover de zonde der menschheid.
In het lijden der helsche smarten of in Zijn nederdaling ter helle, zooals 't staat uitgedrukt in de Twaalf Artikelen van ons algemeen Christelijk geloof en in de Belijdenisschriften onzer Kerk, gaat het licht op over de vraag, wat de toekomst is van een iegelijk, die niet met God wordt verzoend.
In Zijn nederliggen in het stof der aarde spreekt Hij van den bangen smaad des doods als bezoldiging der zonde, maar in Zijn opstanding uit het graf doet Hij lichten over de zonde-donkere wereld de triumf der verzoening in Zijn bloed.
Ja waarlijk, bij Hem is het antwoord op al de bange vragen van ons hart.
Hij is het antwoord op de vraag : „Is er eenig middel om de straf te ontgaan en weder tot genade te komen ? "
Hij heeft ons verklaard, dat het bloed der rammen niet kan opwegen tegen de eeuwige schuld van den zondaar.
Maar Hij heeft ons ook verklaard het eeuwig mysterie van de genade Gods, die zich strekte naar een verloren wereld.
Niet, dat die dood van Christus allen ten goede komt, die in Adam schuldig en aan het eeuwig doemvonnis vervallen zijn.
Neen, de kracht van Christus' werk strekt zich verlossend uit tot hen, die Hem van Zijnen Vader gegeven zijn.
Maar die gegevenen des Vaders zijn dan ook de wereld, waar het om gaat.
Die verlosten zijn het geslacht, dat de aarde en den hemel zal bewonen, die voort zullen komen uit de branding der elementen.
Een aarde en een hemel, die vervuld zullen zijn met recht en gerechtigheid.
Nu is het de vraag voor een ieder, of dat licht van den Christus zijn ziel heeft bestraald en is doorgedrongen in de donkere zonde-hoeken van het hart.
Of met andere woorden: hebt ge de klove gezien tusschen den heiligen,
rechtvaardigen God en uw schuldige ziel ?
Dan zal dit het kenmerk zijn van uw leven, dat de valsche vrede en rust er uit weg zijn.
In uw ziel zal de voortdurende vraag zijn in al hare bangheid :
„Hoe word ik rechtvaardig voor God ? "
De wereld is haar glansen kwijt, want zij biedt u geen vrede.
Zij wordt u zoo hol en arm.
En ge vindt eerst ruste, als ge van Christus moogt zingen :
Gij hebt uit genade mijn ziele bestraald, En zijt uit genade in mijn harte gedaald ;
Genade zij 't wachtwoord, genade mijn bracht, Genade het licht in den donkersten nacht. Zoo reis ik dan verder door de aardsche woestijn Wil Gij, Heer! mijn  wolk-en mijn vuurkolom zijn Uw licht doe mij wandelen met vasteren tred, Tot Gij eens in de woning Uws Vaders mij zet.
Harderwijk.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 augustus 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 augustus 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's