De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJKE RONDSCHOUW

10 minuten leestijd

OECUMENISCH
Er zijn van die vreemde woorden, die inburgeren. Ook in de Kerk. We spreken van Sacramenten, en ieder begrijpt dan wel, wat er bedoeld wordt; hoewel wij liever spreken van Bondszegelen, omdat het Nederlandsch is en, naar onze meening, duidelijker bovendien dan het vreemde (Latijnsche) woord. (Lees Zondag 25 van onzen Heidelbergschen Catechismus maar eens! Waar ook zoo mooi gezegd wordt, dat zij „Ons geloof op de offerande van. Jezus Christus aan het kruis, als op den eenigen grond onzer zaligheid wijzen dat geldt èn bij den Heiligen Doop èn bij het Heilig Avondmaal. Terwijl er ook staat, dat het gaat om de belofte des Evangelies des te beter te verstaan te geven en te verzegelen. Dat is dus „teeken" en „zegel").
Zoo is oecumenisch een vreemd woord. En hoezeer ook bekend loopen vreemde woorden gevaar verkeerd te worden uitgesproken en verkeerd te worden gebruikt. Zoo hoort men dan ook wel eens spreken van „economisch" inplaats van „oecumenisch", wat wel z'n oorzaak hierin zal vinden, dat het woord „economisch" aan de orde van den dag is in onze maatschappij. (Wie spreekt er niet van „economisch leven" enz.).
Daarom willen we beginnen met dat woord oecumenisch (spreek uit eukumenisch;) geen oe klank als. b.v. in 't woord hoepel, maar een eu klank als b.v. in 't woord keuken) eerst even nader te verklaren, 't Is een Grieksch woord: ikoemenè = de bewoonde, n.l. de bewoonde wereld, de geheele bewoonde wereld. En het Woord werd oudtijds gebruikt (en zoo ook nu), als men sprak van kerkvergaderingen, waarbij vertegenwoordigers en afgevaardigden waren van alle volkeren, van alle kerken over de geheele wereld verspreid; en dus van concilies, waar bisschoppen van de gansche wereldkerk bijeen waren. Zoo zijn de concilies van Nicea in 325 en. van Constantinopel in 381 oecumenische concilies, waar heel de Christelijke Kerk van de gansche aarde vertegenwoordigd iS; en zich in zake de belijdenis en het leven der Kerk uitspreekt. [We hebben 3 algemeene belijdenisschriften van de oude, ongedeelde, algemeene Christelijke Kerk der oudheid:1. „De Apostolische Geloofsbelijdenis of de 12 Artikelen van ons algemeen, ongetwijfeld. Christelijk geloof; 2. De Geloofsbelijdenis van Nicea in 325, handelend vooral over de Godheid van Christus, die éénswezens is met den Vader, „God uit God en Licht uit Licht, waarachtig God uit waarachtig God, van hetzelfde Wezen met den Vader, door Wien alle dingen gemaakt zijn"; 3. De Geloofsbelijdenis van Athanasius in 44 artikelen, genoemd naar Athanasius, den verdediger der rechtzinnige leer (gest. 373), niet omdat deze de opsteller van het stuk in den tegenwoordigen vorm is, maar vertolkend de leer, door hem verdedigd. Zooals ook de Apostolische Geloofsbelijderiis 12 artikelen heeft, die niet door de 12 Apostelen zóó zijn samengesteld, maar dan toch de leer der Apostelen voorlegt. Gaat het in de belijdenis van Nicea vooral om de Godheid van Christus, in de Geloofsbelijdenis van Anthanasius: gaat het dan breeder over de leer van de Drievuldigheid of de Triniteitsleer.]
Wanneer 't woord oecumenisch gebruikt wordt, zal men altijd uitdrukken, dat men een universeele beweging op 't oog heeft, die heel de wereld omvat. Dan is 't maar niet iets, dat Nederland alleen raakt, of Nederland en Engeland saam, maar Nederland en heel de wereld, alle landen, alle werelddeelen; en wel bijzonder denkt men dan aan de Kerk van heel de wereld.
Was dus vroeger te Nicea een wereld-Synode, een oecumenisch concilie, waar vertegenwoordigers van heel de Kerk bijeen kwamen, zoo heeft de tegenwoordige eeuw een oecumenische samenkomst gehad in Stockholm en later in Lausanne.
En oecumenische samenkomsten houdt men tegenwoordig wel meer, bedoelende vertegenwoordigers van de verschillende Kerken bijeen te brengen, om een getuigenis af te leggen te midden van de gescheurdheid en de verdeeldheid der Kerk, dat de Kerk van Christus één behoort te zijn, één in geest en streven, één in daad en woord.
En heeft de Koning der Kerk, die nu verhoogd is aan des Vaders rechterhand, niet gebeden, toen Hij op aarde was, dat de geloovigen toch één mochten zijn ? Moeten wij daarom niet een éénheid van gevoelen, een éénheid van geest en streven, najagen, nu de Kerk van Christus menigmaal in zoo groot gevaar is en de wereld van alle kanten met tal van gevaren bedreigd wordt ?
Is éénheid, vooral éénheid der Kerk, éénheid in de Kerk en éénheid der verschillende Kerken, hier en elders, niet begeerlijk goed?
Geen Gereformeerde zal hier neen zeggen. Het Calvinisme zegt hier hartelijk ja. Omdat de Heiland hier ja zegt. Omdat de Heilige Schrift hier ja zegt. Zouden we Gods stem hier willen ontloopen en Gods Woord hier willen wederstaan ?
Laten we het niet doen ! Nu vooral niet!
Maar dan is het Gereformeerd Protestantisme in vroeger tijd en nu zóó nuchter en zóó eenvoudig, dat het óók hier, ja, vooral hier, vraagt: wat is éénheid ? Wat is éénheid der Kerken ?
Op zich zelf heeft het woord éénheid weinig zin. Evenmin als het woord vrijheid.
Wat bedoelt men dus, als men spreekt van vrijheid ; wat bedoelt men als men spreekt van éénheid? Want als twee het zelfde woord vrijheid gebruiken — we weten het maar al te goed — bedoelen ze lang niet altijd 't zelfde. En zoo is het ook met het woord éénheid, 't Kan zóó zijn, dat de een onmogelijk zich met het gevoelen van den ander kan vereenigen, om des beginsels wil; en zou men dan willen, dat men het beginsel maar opzij zet, om de wille van het woord éénheid. ?
Éénheid kan niet beteekenen een „zoo maar saamgebrachte massa". Want een „massa" is nog geen éénheid. Een zandhoop is een massa zandkorrels, maar een zandhoop is geen éénheid.
Eénheid onderstelt een principe, een centrum, een saambindende gedachte. En allen die van één principe zijn en de saambindende gedachte koesteren, zoeken dan de éénheid.
Zoo kan de nood van het Vaderland' allen saam binden inzake de liefde voor Vorstenhuis en Vaderland, voor land en volk. In dat trekkende middenpunt vinden ze dan hun éénheid.
Zoo kunnen de volkeren getrokken worden door het principe van vrede door recht. Saam zal men zich dan verzetten tegen onrecht en saam zal men dan zoeken te bevorderen den vrede.
Wat kan nu de éénheid der kerken zijn ? Hoe kan zij worden gewekt en gesterkt ?
Alleen als het eenig saambindend princiep gaat werken. Als alle Kerken zich scharen om het centrum van haar bestaan, dat is hier rondom de goede belijdenis van haar Koning en Heere. Dat is de Christus, de Zoon des menschen, de Zoon des levenden Gods. De belijdenis van Hem, die eeuwig God is en in de volheid des tijds mensch geworden is, ontvangen van den Heiligen Geest, geboren uit de maagd Maria. Dat is de belijdenis van het vleesch geworden Woord. „Wij hebben Zijne heerlijkheid aanschouwd, de heerlijkheid van den ééniggeborene des Vaders, vol van genade en waarheid".
Men kan natuurlijk de afgevaardigden der Kerken van heel de wereld saamroepen rondom allerlei dingen. Een menigte is wel bij elkaar te brengen ; een massa menschen is wel bijeen te krijgen ; ook vele menschen „van de Kerk".
Zoo kan men een groote vergadering krijgen. Maar zullen we tevreê zijn met een massa ? Zullen we zoeken de éénheid van de zandhoop ?
Daar is voor de Kerk (en wie het woord Kerk noemt, moet Christus noemen) maar één middelpunt, maar één saambindend princiep, maar één sterkend beginsel, en dat is de Christus. En dan niet een willekeurige Christus, maar de Christus; de Christus Gods, de Christus der Schriften, waarbij alle Christgeloovigen belijden : „Alzóó lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijnen ééniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk, die In Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe".
Dat is de wereld-Christus, die dood geweest is, maar die nu leeft en die nu zit aan de rechterhand des Vaders. Die Christus wil de volkeren maken tot Zijn leerlingen. Die Christus wil de wereld zegenen met de genade Gods, des Vaders, en met de gaven des Geestes.
Een ander centrum is er niet, dan de levende Christus, die gezegd heeft: „Ik ben het licht der wereld" ; die tot Zijn belijders gezegd heeft: „Ik ben met ulieden, alle de dagen, tot aan de voleinding der wereld".
Die Eéne moeten we in ons midden hebben.
Onze Gereformeerde Vaderen hebben de belijdenis van het oecumenisch concilie van Nicea van 325 overgenomen (in al onze kerkboeken behoort die belijdenis te staan), omdat toen het middelpunt was Jezus Christus, God uit God, Licht uit Licht, éénswezens met den Vader. En geen oecumenische Kerkvergadering mag anders doen, op straffe van de geschiedenis: van Gods Kerk in 't aangezicht te slaan; sterker nog, op straffe van het Woord Gods geweld aan te doen. Nóg sterker, op straffe van het oordeel te vernemen uit den mond van Jezus Christus Zelf, die zegt: „Zonder Mij kunt gij niets doen".
Aangaande Hem, die zoo spreekt, mag geen twijfel bestaan. Het is Gods Zoon, Slons Borg en Koning, het Hoofd der Kerk, die Zijn Gemeente kocht met Zijn dierbaar bloed, om haar te regeeren door Zijn Geest en Woord en haar te bewaren bij de verworvene verlossing. Het is Jezus Christus, die Zelf Zijn gemeente bouwt, en dat nooit anders doet dam op die belijdenis, die vleesch en bloed niet openbaren, maar de Vader in den hemel.
Het is Zijn gemeente. En Hij bouwt Zelf.
En dan mogen wij mee-bouwen, mee-bouwen met Hem, zonder Wien wij niets kunnen doen. Neen, niets, niets!
Waar is dus de éénheid der Kerken onderling en de éénheid der Kerk innerlijk te zoeken en te vinden ?
Daar, in dat gelooven met het hart en in dat belijden met de mond.
En ja — dan zou 't kunnen zijn, dat er minder kwamen dan wij hadden verwacht. Onze berekening, ja, die kon wel eens verkeerd uitloopen. Maar de Heere heeft toch nooit ergens gezegd, dat het door 't getal gaat. Maar Hij heeft wél gezegd, dat we het zonder Hem niet kunnen. En daarom zou het niet zoo heel erg zijn, als er maar twee of drie bijeenkwamen, als Hij maar — naar Zijn belofte — in ons midden is!
Christus wil het middelpunt zijn. Het aantal zandkorrels is groot in de zandhoop, maar ze kunnen geen éénheid vormen. De Kerk zal dat in den weg des geloofs moeten betrachten, om haar wijsheid en haar sterkte te vinden in Hem, die nu verhoogd is aan des Vaders rechterhand. „Hij is het Hoofd des lichaams, namelijk der gemeente. Hij, die het begin is, de eerstgeborene uit de dooden, opdat Hij in alles de eerste zou zijn" (Col. 1 vers 18).
„Gezegend zij de God en Vader onzes Heeren Jezus Christus, die ons gezegend heeft met alle geestelijke zegeningen in den hemel in Christus" (Efeze 1 vers 3).
Wat willen we nog meer ?
Laten we het in het geloof daar zoeken. Bij Jezus Christus, en bij niemand anders.
Welken Jezus wij hebben te belijden met de mond tot zaligheid ; in Wien wij hebben te gelooven met het hart tot gerechtigheid en eeuwig leven.
 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 augustus 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 augustus 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's