De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

NATUUR EN GENADE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

NATUUR EN GENADE

9 minuten leestijd

VI.
Iedere dwaling rust op een dwalend inzicht, al erkennen wij, dat dit dwalend inzicht vaak onbewust wordt aangehangen en meer leeft in een verborgen overtuiging dan in een weloverwogen belijdenis. Nochtans oefent het een richtinggevenden invloed op het leven uit.
Ook de piëtistische dwaling, waarbij men zijn roeping in de wereld prijsgeeft om zich terug te trekken in een verborgen leven voor Gods aangezicht, hangt zeer nauw met een dwalend inzicht samen, en wel een dwalend inzicht ten opzichte van de beteekenis der verlossing, die is in Christus Jezus.
Men ziet voorbij, dat de verlossing middel is en geen doel. Uitgedrukt met een vreemd woord, spreekt men van een eenzijdigen soteriologischen inslag. Het Lutheranisme heeft zich daardoor onderscheiden van het Gereformeerde Protestantisme. Een gevolg daarvan is geweest, dat in de Luthersche landen het leven des geloofs naast het gewone leven kwam te staan en veel minder invloed op het openbare leven leeft gehad dan in de landen, waar het Gereformeerde Protestantisme leiding gaf, het onderscheid in zake de verlossing tusschen middel en doel hangt onmiddellijk samen met het verband tusschen schepping en verlossing. In de schepping is den mensch een doel gezet, een levensdoel, dat de richting van zijn leven bepaalt. De vraag, waarvoor wij thans gesteld worden is deze : Wordt den mensch in de verlossing een ander levensdoel gezet dan in de schepping ? Of moeten wij niet zoó verstaan, dat de zonde den mensch een andere richting heeft doen inslaan dan in het van God gezette levensdoel gegeven was, maar dat de genade de oude koers herstelt en den mensch brengt in dezelfde dichting en op dezelfde plaats, waar hij geweest zou zijn, als de zonde niet was ingekomen ? Indien dit laatste het geval is, en herstelt de genade, wat de zonde verstoord heeft; dan trekt de genade de goddelijke lijn in 's menschen leven, die door de zonde afgebroken was, weer door. Indien wij de eerste vraag echter bevestigend moeten beantwoorden, dan komt de verlossing met een gansch nieuw levensplan en levensdoel voor den mensch en hebben wij thans met het doel, dat de mensch in schepping gezet was, niets meer te maken. Niet van een herschepping, maar van een gansch nieuwe schepping moest dan gesproken worden.
Het Gereformeerd Protestantisme heeft tijd den nadruk gelegd op het verband tusschen schepping en herschepping in dien zin, dat de genade wel van de zonde verlost maar niet een ander levensdoel den mensch stelt, dan hem in de schepping gesteld is. Daarmede is dan als van zelf een verband gegeven tusschen het leven des geloofs en al die natuurlijke levensbetrekkingen, waarin wij krachtens onze schepping ons bevinden. Wij zouden ook kunnen zeggen, dat daarmede op het onveranderlijke van Gods wet, den mensch gegeven, wordt gewezen, terwijl in het andere geval de wet, die den mensch oorspronkelijk gegeven is, ten deele of geheel is afgeschaft en de genade met een gansch nieuwe wet komt.
We willen thans de Schrift laten spreken en allereerst laten zien, hoe het levensdoel, den mensch gezet, door de genade niet veranderd is.
In algemeenen zin kan dit levensdoel omschreven worden als de verheerlijking Gods. De mensch is er niet om zich zelfs wille, maar om Gods wil. Dat is de sprake, die heel de Schrift door ons tegenklinkt. Zij ligt bovenal in de waarheid der schepping uitgedrukt. De Heidelb. Catechismus drukt het dus uit, dat God den mensch goed en naar Zijn evenbeeld geschapen heeft, dat is in ware rechtvaardigheid en heiligheid, opdat hij God zijn Schepper recht kennen. Hem van harte liefhebben en met Hem in de eeuwige zaligheid leven zou om Hem te loven en te prijzen.
Dat dit ook het doel der verlossing is, behoeft geen breede uiteenzetting. Als de Zone Gods niet gekomen is om Zijn eigen eer te zoeken, maar de eer desgenen, die Hem gezonden heeft, hoeveel te minder zal het dan Zijn volk geoorloofd zijn om eigen eer te zoeken, maar is het gehouden krachtens de verlossing, waarmede het verlost is, te verkondigen de deugden desgenen, die hen geroepen heeft uit de duisternis tot Zijn wonderbaar licht. Dat is de beteekenis van de daad, die Johannes aanschouwt, als hij de ouderlingen de kronen, waarmede zij van God gekroond zijn, weer van hunne hoofden ziet afnemen om ze voor den troon van God te werpen; het is een symbolische uitdrukking van het bekende gebed : niet ons, niet ons. Uw Naam alleen zij alle eer en roem gegeven.
In bizonderen zin mag gezegd worden, dat het levensdoel, den mensch in de schepping gezet, gelegen was in de onderhouding van Gods wet. Want God wordt alleen van ons geëerd in de onderhouding van Zijn geboden. Dat ligt besloten in het woord van Jezus ten opzichte van de Schriftgeleerden: tevergeefs eeren zij Mij, leerende leeringen, die geboden van menschen zijn. Alle eigenwilligheid is zonde, is een onteering van God ; maar gehoorzaamheid is beter dan offerande, opmerken meerder dan het vette der rammen. Jezus heeft Zijn Vader op het hoogste geëerd door gehoorzaam te zijn zelfs tot in den dood des kruises.
Thans moet eerst voor ons vaststaan, dat ook de verlossing den mensch tot gehoorzaamheid roept; daarna, dat de wet, aan welke de christen onderworpen is. geen andere is dan die hem met de schepping gegeven is.
Dat de genade den mensch aan de wet van God verbindt, is onder het Protestantisme nog al eens uit het oog verloren. Dit hangt samen met de tweeërlei beteekenis, waarin de wet in de Schrift voorkomt. Telkens wordt ons daar voorgehouden, dat de genade van de wet verlost. In de volheid des tijds heeft God Zijn Zoon gezonden, geworden uit een vrouw, geworden onder de wet, opdat Hij degenen, die onder de wet waren, verlossen zou. Onder de wet zijn beteekent dan: in het diensthuis zijn, gelijk Israël in Egypte in het diensthuis verkeerde. Uit dit diensthuis verlost Christus de Zijnen en brengt ze in de vrijheid der heerlijkheid der kinderen Gods. Waarom de apostel de geloovigen vermaant, dat zij zullen staan in de vrijheid, waarmede Christus hen heeft vrij gemaakt en niet wederom met een juk van dienstbaarheid zullen bevangen worden.
Geheel ten onrechte hebben velen uit deze uitdrukkingswijze afgeleid, dat een christen niets meer met de wet van God heeft te doen. Consequent zijn in dit stuk de antinominianen, die zoover gaan, dat zij voor den geloovige alles geoorloofd achten, mits hij maar sta in het geloof. De meesten blijven echter halverwege staan en beweren wel, dat de christen niets meer met de wet van doen heeft, nochtans durven zij geen vrijheid voor hem uit te roepen om naar het vleesch te leven; zij erkennen, dat een christen door liefde aan God en Zijn dienst verbonden is, maar beweren, dat deze liefde hem genoegzaam zal leeren, hoe hij wandelen moet; daar heeft hij de wet niet meer voor noodig. Deze menschen leven in een grenzenlooze verwarring van denkbeelden, wijl ze vergeten, dat de liefde de voornaamste eisch der wet is; eenerzijds binden zij den christen reeds daardoor aan de wet, terwijl anderzijds de liefde wel dringt tot onderhouding van Gods geboden, maar de liefde niet kan leeren, welke de inhoud van Gods geboden is. Vooral onder de ethische richting stoot men telkens op een dergelijke verwarde voorstelling aangaande de wet.
Dat Christus de Zijnen van de wet verlost, heeft in de Schrift tweeërlei beteekenis. Eenerzijds wordt daarbij gedacht aan de ceremonieele wet van de Oude Bedeeling, die als een zwaar juk van inzettingen gerust heeft op de Kerk des Ouden Verbonds. Men denke slechts aan het woord van Petrus tot de vergaderde ouderlingen inzake de gedragslijn, aan te nemen tegenover de christenen uit de heidenen : Nu dan, wat verzoekt gij God, om een juk op de hals der discipelen te leggen, hetwelk noch onze vaders, noch wij hebben kunnen dragen ? (Handel. 15 vers 10). Anderzijds moet gedacht worden aan den vloek der wet, waaronder wij door de zonde besloten zijn en waarvan Christus door Zijn vloekdragend lijden verlost.
Als wij het woord wet echter enkel nemen in den zin van wat God van den mensch vraagt, hoe hij handelen en wandelen zal voor Zijn aangezicht, ontslaat de genade den mensch niet van den band, die hem aan de wet bindt, maar verlost de genade hem juist van de zonde, die deze band willekeurig had doorgesneden. Dat de genade van de zonde verlost, geeft onmiddellijk duidelijk te kennen, dat zij den mensch van zijn opstandigheid doet terug keeren tot gehoorzaamheid. Wel leert ons het evangelie, dat alleen in den weg des geloofs Gods genade gevonden wordt, en dus alleen door het geloof behoudenis wordt verkregen, maar geloof en bekeering worden in de Schrift ten nauwste verbonden, zoodat onze Nederl. Geloofsbelijdenis in artikel 24 kan zeggen, dat door dit levende geloof, waardoor wij behouden worden, v.dj worden wedergeboren tot een nieuw leven; dat dit geloof den christen tot een nieuw mensch maakt en hem doet leven in een nieuw leven en hem vrij maakt van de slavernij der zonde.
Trouwens waarom zou de apostel Paulus zich in zijn brieven zooveel moeite geven om de christenen op te wekken tot een leven van gehoorzaamheid en te leeren, welke de goede en welbehaaglijke wille Gods zij, indien zij niets meer met de wet van doen hadden ? Maar daartoe juist zijn zij verlost, opdat zij ijverig zouden zijn in goede werken, zooals die door de wet van ons geëischt worden.
Ofschoon echter de meesten onzer deze waarheid in theorie toestemmen, is het bedroevend op te merken, hoe heel de opvatting van een godvruchtig leven, zooals dat onder ons gevonden wordt, daarmede in strijd is. De klacht, door Comrie ergens geslaakt, dat een prediker nauwelijks met enkele evangelische vermaningen tot de geloovigen zich kan richten, of de beschuldiging wordt geuit, dat hij een wettisch man is, die den weg der vrije genade niet kent, moet ook in onze dagen nog telkens opklimmen. Het piëtisme heeft een quiëtisme gekweekt, waardoor men de gevoelige genieting van de liefde Gods in de ziel voor den hoogsten vorm van geestelijk leven aanziet en het wandelen waardiglijk der roeping, waarmede men geroepen wordt, als iets bijkomstigs beschouwt of zelfs als een wettisch werk veroordeelt.
O.a.d.IJ.
Woelderink

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 augustus 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

NATUUR EN GENADE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 augustus 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's