De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJKE RONDSCHOUW

16 minuten leestijd

RONDOM DE ZAAK Dr. SNETHLAGE
Er zijn er, die meenen, dat het in de zaak dr. Snethage en ds. Boers alleen gaat, om critiek te oefenen op onze burgerlijke maatschappij en de economische verhoudingen hier te lande - r waarbij men dan vraagt: „Mag een dominee niet z'n oordeel, ook als het afkeurend en veroordeelend is, uitspreken over de sociale toestanden en de wanverhoudingen, die er hier zijn ? "
Ons antwoord kan wezen: Waarom zou een dominee, die bedienaar des Goddelijken Woords moet zijn, de lantaarn des Woords niet omhoog mogen houden en het licht naar alle kanten doen uitstralen ? Dat mag hij niet alleen doen, maar dat móet hij doen. Hoewel ieder dadelijk zal voelen — zoowel in de stad als in de dorpsgemeente — dat de dominee in z'n oordeelvellingen betreffende sociale verhoudingen, die in de practijk van het leven voorkomen, zéér voorzichtig moet zijn, omdat hij niet altijd alles weet èn ook, omdat niet alles bij voorkeur moet worden behandeld in 't publiek.
Maar feit is en moet blijven : dat het licht des Woords naar alle kanten moet worden uitgedragen en overal de maatstaf van Gods heilige Wet moet worden aangelegd, óók door den dominee, en óók in de prediking. Laat men maar eens denken aan de Catechismusprediking, die ons (b.v. bij de behandeling van de Wet en van het Gebed) midden in het practische leven komt inleiden, als het goed is. We moeten christen zichtig moet zijn, omdat hij niet altijd alles worden gezocht.
Iemand aan te klagen, die als getrouw dienaar van Christus en getrouw prediker des Woords (dat moet samen gaan) z'n plicht doet en z'n roeping getrouw wenscht te zijn, zou dus een aanklacht tegen den aanklager zijn.
Bij dr. Snethlage en ds. Boers staat het echter zoo anders. En b.v. de Haarlemsche Kerkeraad had dat beter moeten aanvoelen. Bij hen is het niet, dat zij als dienaren van Christus en predikers van Gods Woord over misstanden klagen en de zonden bestraffen.
Neen, bij hen is het liefde tot het Bolsjewisme, liefde tot het Russische stelsel, dat hen doet spreken. En omdat het in Rusland zoo goed is en hier zoo slecht, prediken zij het Russische stelsel, verdedigen zij het Bolsjewisme, prijzen zij land en volk, waar de daden van de godloozen heil en zegen hebben gebracht.
Tegen dat Bolsjewistisch stelsel, dat Bolsjewistisch geloof hebben wij ons te verzetten en heeft de Kerk, ook onze Ned. Hervormde Kerk, den strijd aan te binden.
Dr. Snethlage zegt het ronduit, dat het hem gaat om het Russische stelsel, om het Bolsjewisme. De weg van Rusland is de weg. De daad van het Bolsjewisme is de daad. Daarop is hun wachten en daarvoor is hun propaganda.
Dr. Snethlage schrijft in zijn brochure: „Rondom mijn onderhoud" het volgende : „Ik heb op wetenschappelijke wijze getracht een practische weg ter ontkoming aan te wijzen". En welke weg is dat dan ? De practische weg „welke een zesde deel der wereld reeds ingeslagen is, en waarvan ik geloof, dat hij in de goede richting leidt". (bladz. 19).
Dat is het!
Dr. Snethlage heeft het gezien en heeft het gevonden : 't is Rusland, het land, der belofte! En „ik geloof, dat die weg de goede weg is".
Kan het duidelijker worden gezegd, wat dr. Snethlage, op wetenschappelijke gronden en om practische oorzaken wil ?
Ook in zijn laatste brochure : „Sovjet-Rusland zegt mij iets", - schrijft hij : „De Sowjet-Unie schrijdt voort van kracht tot kracht, van oplossing tot oplossing, een oneindige weg. De Sowjet-Unie heeft mij iets te zeggen. Zij spreekt, en ik wil luisteren naar haar stem", (bladz. 47)
Dr. Sethlage, die zelf Sowjet-Rusland bezocht, was toen reeds één en al bewondering voor het Bolsjewisme. Hij zegt zelf, dat hij er niet onbevooroordeeld heen ging. „Ben van mijn vooroordeelen was mijn vereering van Stalin" (bladz. 33 van de brochure : „Sowjet-Rusland zegt mij iets"). Stalin is zijn afgod, „in wiens wijsheid en rechtvaardigheid ik een onbegrensd vertrouwen stel", (bladz. 35).
En zijn bezoek aan Rusland heeft z'n bewondering nog grooter gemaakt. Hij heeft in het Bolsjewisme gezien de toepassing van Matth. 6. En hij schrijft: „Ik heb mij weleens afgevraagd, of men in de Sowjet-Unie niet te werk is gegaan — hoewel men het zichzelf niet bewust is — overeenkomstig het woord uit het Evangelie : „Zoekt eerst het Koninkrijk Gods en Zijn gerechtigheid, en al die andere dingen zullen u toegeworpen worden", (bladz. 36).
Wat Rusland nu leert, willen dr. Snethlage en ds. Boers hier propageeren. „Dat is de weg", zoo roepen zij, „wandelt in denzelve!"
Maar daartegen nu juist gaat ons bezwaar en dat moet de Kerk veroordeelen en verhinderen ! Hier moet tucht geoefend worden.
Want men vervalscht hier het Evangelie des Koninkrijks.
Het Evangelie en het Koninkrijk Gods is in Rusland ja, wat?
Dr. Snethlage zegt het. Alles moet gezien worden „bij het licht van 't geen Lenin en Stalin geleerd hebben over den godsdienst".
En bij dat licht gezien, wordt het „zoeken van Gods Koninkrijk" het „zoeken van betere verhoudingen onder de menschen". En die dat doet — gelijk het Bolsjewisme doet, is gehoorzaam aan Matth. 6. En de belofte van Matth. 6 is niet achtergebleven : alle zegeningen worden nu Rusland in den schoot geworpen ! Omdat men eerst gezocht heeft toet Koninkrijk Gods en Zijne gerechtigheid
Tot dat zoeken van het Koninkrijk Gods en Zijne gerechtigheid behoort, dat alle maatschappelijke wanverhoudingen worden opgeruimd en dat alles wordt vernieuwd. Ook, dat al de dwaasheden van den godsdienst worden veroordeeld en bestreden. Alleen wat zich voor de rechtbank van de wetenschap — van de Bolsjewistische wetenschap — kan verdedigen, zal worden geduld. Maar overigens moeten en zullen alle dingen in Rusland „nieuw" worden !
Het zoeken van het nieuwe is de godsdienst.
En die dat nieuwe tegenstaan, zijn de vijanden ; die moeten worden opgeruimd.
Als de Sowjet-Unie nieuwe toestanden en verhoudingen tusschen mannen en vrouwen onderling wü en de opvoeding van de jeugd radicaal anders inricht, is dat de religie van het Bolsjewisme. Dat is het Evangelie van de daad. Dat is de toepassing van het Evangelie der bergrede enz. enz.
Verraders zijn 't, die dat willen tegenstaan, dat men eerst zoekt het Koninkrijk Gods en Zijne gerechtigheid! Verraders ; niets meer en niets minder. En voor verraders van land en volk past niets beter dan de doodstraf.
Neen — ze zijn in Rusland niet tegen den godsdienst. Maar het is een nieuwe godsdienst , die daar de hoofden en die harten heeft ingenomen. En dat prijzen dr. Snethlage en ds. Boers en zij willen propagandisten zijn voor die nieuwe religie van de daad, waarvan de heerlijke resultaten in Sowjet-Rusland worden gezien, overal! Het is een heerlijk land, met heerlijke toestanden en heerlijke vooruitzichten
De „ongedwongen" verhouding tusschen jongens en meisjes b.v., „vergemakkelijkt de studie". „Het gezinsleven is niet verdwenen, maar wel zijn er nieuwe gezinsverhoudingen opgetreden, zooals dat in een nieuwe samenleving vanzelfsprekend is", (bladz. 18).
Voor den naam „militairist" is dr. Snethlage niet bang. Hij windt er geen doekjes om, dat er natuurlijk in Rusland een sterk leger moet zijn! „En de schietcursus voor kinderen maakt een deel uit van de zedelijke opvoeding" (bladz. 21) .
En — als b.v. de ouders van de kinderen gewetensbezwaren zouden hebben ?
„Dan deugt hun geweten niet" — is het antwoord !
Zoo lacht men om gewetensbezwaren in Rusland.
De „Haagsche Post" heeft deze uitspraak van dr. Snethlage : „dan deugt hun geweten niet", onder handen genomen en schrijft:
»Maar als men in Rusland met gewetensbezwaren komt, schuift het bewind den burger op zij en zegt: „uw geweten deugt niet, wij zullen uw geweten wel boetseeren". En de „vrijzinnige" dominee Snethlage, uit het klassieke land der gewetensvrijheid, keurt dit goed en maakt schampere opmerkingen over „de verheerlijking der gewetensvrijheid" in Nederland. Elk woord commentaar is hier overbodig*.
[H. P., 11 Juli.]

In de godloozen musea, welke dr. Snethlage heeft bezocht, heeft hij wel hier en daar iets gezien wat den schijn had vol spot tegen den godsdienst te zijn, maar als men het in het rechte licht ziet, is het toch niet zoo. Men veroordeelt de oude godsdienst, maar men verheerlijkt de nieuwe godsdienst. Rusland, is bezig om het woord der Schrift in toepassing te brengen : „Zoekt eerst het Koninkrijk Gods en Zijne gerechtigheid, en alle andere dingen zullen u worden toegeworpen". Het is „de religie van het Bolsjewisme" (brochure van 't jaar 1932). Er is sterk roepingsbesef, met erkenning van de dingen van hooger waarde; er is liefde voor noodlijdenden, geestdrift voor een nieuwe wereld. Ziedaar : religie. En die zal komen in de Sowjet-Unie. Is er misschien al eenigszins. (blz. 37). Hierbij spreekt dr. Snethlage dan over toestanden, zooals die ons beschreven zijn in Jesaja 63 !
„Ik vind hiervan meer in de Sowjet-Unie met haar nieuwe maatschappelijke orde terug, dan in onze samenleving", zegt hij. (bladz 37). En hij durft er bij aan te halen : „Ik ben gevonden door hen, die naar Mij niet zochten. Ik heb geantwoord aan hen, die naar Mij niet vraagden, en tot het volk, dat naar Mijn naam niet genoemd was, heb Ik gezegd : Zie, hier ben Ik, hier ben Ik"
En zoo zegt hij dan ook vol sympathie en vertrouwen aan het adres van Sowjet-Rusland en het Bolsjewisme : „De Sowjet-Unie schrijdt voort van kracht tot kracht, van oplossing tot oplossing, een oneindige weg. De Sowjet-Unie heeft mij iets te zeggen. Zij spreekt, en ik wil luisteren naar haar stem", (bladz. 47).
Voelt men nu niet, dat het in de zaak dr. Snethlage en ds. Boers maar niet gaat om een paar dominees, die aanmerkingen maken op meer of minder groote misstanden alhier In Staat of Maatschappij op te merken, maar dat het hier gaat om de beginselen van het Bolsjewisme, dat zich roert in Sowjet-Rusland en waarlijk niet alleen daar ; maar dat grijpt naar de teugels om in alle landen van Europa, in Indië, ja, overal het volksleven te richten naar wat men dan noemt „het Russisch Evangelie van de daad, daarbij verachtend het Kruisevangelie en vertrappend de christelijke zeden, die ons lief zijn, omdat ze zijn naar uitwijzen van het Woord, ons en onzen kinderen door God gegeven tot zegen en vrede.
De christelijke grondslagen van ons volksleven zijn in 't grootste gevaar.
Dat we oogen mogen ontvangen om te zien en een hart om. op te merken — om dan in goede eensgezindheid, trouw en liefde, ons saam te weer te stellen, om te bouwen en te bewaren wat heilig is en goed en af te weren en uit te bannen wat goddeloos en slecht is.
Beginsel staat hier tegenover beginsel.
De beteekenis van de Kerk en de belangstelling der Gemeente
De Heeren Gecomitteerden tot de zaken der Nederduitsche Hervormde Gemeente te Rotterdam — elders spreekt men van Heeren Kerkvoogden — wilden een keurig boekje verspreiden, klein en fijn, om de aandacht der gemeenteleden nog eens te vestigen op de kerkgebouwen in Rotterdam—Centrum, en tot getrouw kerkbezoek op te wekken. Ook om hen te vragen vooral een vaste plaats te nemen in één of meer van de kerkgebouwen.
Voor dat propagandaboekje, dat keurig geïllustreerd 'is, werd aan de predikanten gevraagd een korte spreuk te geven, ieder op zijn eigen manier ; waaraan de dominees natuurlijk gaarne hebben voldaan. En zoo staan in het propagandaboekje der Kerk een aantal spreuken van al de Rotterdamsche dominees, die we hier gaarne even vermelden.
»Zoek plaats in het huis van Hem, Die plaats zoekt in uw hart«.
[Dr. J. R. Callenbach.]
»De Kerk wijst naar den hemel en geeft kracht voor den strijd op aarde. Wij kunnen haar niet missen voor den tijd. Veel minder voor de eeu­wigheid*.
[Dr. H. J. Olthuis.]
»Eerst voor eigen huis zorgen en daarna zien, of er nog wat voor 's Heeren huis overschiet, is de orde omkeeren. De Kerk moet niet de laatste, maar de eerste plaats op onze begrooting zijn«.
[Ds. P. van Toorn.]
»Waar rijker lust, dan waar uw ziele rust ? «
[Ds. J. van Duyvenbooden.]
»0, als de Christenen van West-Europa onze ellende en hunne voorrechten kenden« — schrijft een Russisch martelaar — »hoe geheel anders zouden zij het den Psalmist nazeggen : „Hoe lieflijk zijn Uwe woningen, o Heere der heirscharen".
Er zou 's Zondags nimmer één plaats onbezet blijven in het bedehuis».
[Dr. F. J. Krop.]
s> Wie bij zich zelf begint, zal ook bij zich zelf eindigen en een slecht kerkganger zijn en blijven. Wie van God uitgaat, zal zich weten lid van het huisgezin des Heeren en gaarne zijn daar, waar de lofprijzing Gods en de liefde tot de broederen gestalte krijgt«.
[Ds. A. C. G. den Hertog.]
»Wanneer er iets van waar is, dat het Huis des Heeren de poort des hemels is, omdat Christus er verjongd wordt, dan kan men de samenkomsten der Gemeente nooit genoeg bezoeken, maar dan zal het ook een ieder, die naar de voorhoven des Heeren verlangt, zoo gemakkelijk mogelijk gemaakt moeten worden om neer te zitten, waar het Evangelie der zaligheid gebracht wordt«.
[Ds. M. van Grieken.]
»Al kan de Kerk er niet meer op bogen het hoogste huis te zijn, gelijk vroeger, laat ze steeds nog de hoogste plaats innemen in uw hart«.
[Ds. A. van Kooten.]
»Wat dunkt u van een mensch, die slechts dan naar de kerk zou gaan, als hij de behoefte er aan gevoelde ? Doet hij niet denken aan een zieke, die almaar verzwakt, omdat hij slechts dan zou willen eten, als hij trek had? «
[Ds. H. van Wessel.]
»Geen beter huis dan het bedehuis«.
[Ds. J. de Bruin.]
»De kerk geeft brood, voor een volk in nood«.
[Ds. P. G. de Vey Mestdagh.]
»Kerkgaan is een daad van gehoorzaamheid*.
[Ds. J. J. Stam.]
»Indien wij ons leven niet dienstbaar stellen om de Kerk te maken tot het zichtbare lichaam van Christus in deze wereld, zoo hebben wij ook geen deel aan het Hoofd der Kerk«.
[Ds. A. R. Rutgers.]
»Tot de ééne heilige algemeene Kerk der Apostolische belijdenis, die ook onze Ned. Hervormde Kerk tot openbaring moet brengen, roept Christus uit deze wereld hen, die eerbiedig begrepen hebben, wat de Oude kerkelijke gebeden noemen „ter eere Gods en tot stichting 'Zijner Gemeente". Blijft ons vrome ik in het middelpunt, wij kunnen bij secte of radio terecht«.
[Ds. W. A. Zeydner.]
»Er is in uw huis een „eigen" hoekje, waar ge graag zit, uitrust, luistert, nadenkt. Hebt gij in het Huis van God ook een „eigen" plekje ? «
[Ds. A. T. W. de Kluis.]
»God mist u in Zijn Huis, wanneer ge uw plaats ledig laat bij het gebed, bij lofzangen en als Hij roept en gij antwoordt niet«.
[Ds. W. S. van Leeuwen.]
»Kerkgaan is opgaan, opklimmen boven de platvloerschheid en de sleur van het alledagsleven naar den „berg des Heeren", naar „Gods altaren". Arm is een leven zonder heiligdom*.
[Ds. J. A. Kwint.]

KOHLBRUGGE
De reis naar het Wupperdal. (2)

Op zekeren dag (in October 1831) zat Theodoor Fliedner tusschen de Clercq, Molenaar, Baron van Zuylen van Nyevelt, Kolhbrugge en anderen en er ontspon zich een levendige wisseling van geestelijke ervaringen. Maar anders, dan de eenigszins teer besnaarde Willem de Clercq gewenscht had. Hij vond het niet verstandig, dat Kohlbrugge den gast uit Duitschland juist al dat gene voor oogen stelde, wat hij aan valschheid en trouweloosheid in de Kerk ondervonden had. Ten slotte ging het gesprek van de menschelijke zondigheid over tot de principieele vragen aangaande de Kerk, en nu volgde een diepgaande, interessante bespreking. Kohlbrugge voerde het woord.
Met vooraanstaande persoonlijkheden van de Opwekkingsbeweging in het Wupperdal kwam Kohlbrugge ongeveer 1830 of 1831 in nauwere aanraking. Zijn schrijven is aan den Lutherschen predikant Döring te Elberfeld gericht, geschreven in het Latijn en in (het Grieksch. Döring had aan Kohlbrugge zijn boekje „Feesten" ten geschenke gegeven; ais tegengeschenk gaf Kohlbrugge hem een door hem opnieuw in 't licht gegeven en aan Bilderdijk opgedragen geschrift van J. Laurentius (1830). Hij dacht er over om ook het boek van Döring in het Hollandsch te vertalen.
Van elk der figuren, die destijds aan het gemeenteleven in Elberfeld-Barmen een eigen karakter gaven, weet Kohlbrugge in zijn brief iets te vertellen. Zoo nu en dan heeft hij de preeken over de zeven zendbrieven van Wichelhaus gelezen, zichzelf daaraan verkwikt en ze aan anderen meegedeeld. Niet minder hartelijk groet hij Dominee Immanuël Sander, „onze Sander, wiens leven met Christus verborgen is in God". Vurig begeert hij diens Evangeliën-harmonie en het geschrift „Jehovah Tsidkenu" (Jehova onze gerechtigheid) te leeren kennen een jaar later heeft hij dit werk over de geloofs-en strijdkracht der Reformatoren vertaald en met eenige aanteekeningen in 't licht gegeven. Steeds weer denkt hij echter aan het hem dierbare tweetal : Gottfried Daniel en zijn neef dr. Friedrich Wilhelm Krummacher. „Broeder" Albrecht heeft reeds de preeken van deze twee in 't Hollandsch vertaald. Vele zegenwenschen gelden ook Reinhard, den rector van de Zendingsschool te Barmen.
Elberfeld en Barmen zijn voor Kohlbrugge als een dal, dat de hemelsche Bruidegom persoonlijk doorschrijdt, dat hij met zijn zoete geur vervult als de roos van Saron. „Zie", roept Kohlbrugge als in verrukking uit, „de winter is voorbij, de lente trekt over de bergen, en in het dal van de Wupper wordt vernomen de stem van den Vriend".
Nu, na drie jaar zag hij de steden vóór zich liggen en leerde hij de gemeenten kennen. Zijn teleurstelling was groot.
Ook in Duitschland was de ergste tijd van het verval van den godsdienst voorbij. Overal vormden zich één of meer persoonlijkheden kringen van mannen en vrouwen, die zich de slaap uit de oogen wreven en over het Evangelie gingen nadenken.
Met veel succes hadden de gemeenten in het Wupperdal zich tegen de alles nivelleerende geest des tijds verweerd. Een predikant, die het geloof der vaderen verliet en zijn verkondiging al te zeer aanpaste aan de geest van het rationalisme, zou hier onmogelijk geweest zijn. Alle „tot-leven-gewekte" menschen werden gedreven door een merkwaardige drang naar Elberfeld en Barmen (zelfs Hofacker kwam hierheen), om hier nieuwe kracht te mogen ontvangen en de gemeenschap des geloofs te beoefenen.
„Zonder eenige overdrijving kunnen wij zeggen, dat de meeste geloovige predikanten, die destijds nog tamelijk sporadisch in N.-Duitschland en Zuid-Duitschland, in Zwitserland en in Engeland optraden, met de predikanten en christenen in het Wupperdal in relatie stonden". (Wichelhaus).
Friedridh Wühelm Krummacher noemt deze plek grond een bedevaartsplaats van tallooze vrienden van het Rijk van God. Bijna alle mannen, die destijds als dragers van de nieuwe geest bekend geworden zijn, hebben in het Wupperdal verblijf gehouden.
In het Wupperdal heerschte de grootste verscheidenheid. Een bonte afwisseling van religieuze groepen, „mysticisme en piëtisme", zooals Friedrich Engels placht te zeggen. Hier werden de meest verschillende namen als parool gegeven : Böhme en Tersteegen, Arndt en Zinzendorf, Collenbuseh en Henken.

[Wordt voortgezet.]

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 augustus 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 augustus 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's