MANKE MURK
EEN VERHAAL UIT HET FRIESCHE VOLKSLEVEN
Met toestemming uitgever J. H. Kok te Kampen
Maar vanaf dit oogenblik wist heel „Lucht en Veld", en allen, die hier geregeld kwamen, dat Pleun verliefd was en een vrijer had, de eerste van haar leven, maar die wellicht ook de laatste worden zou, en deze was niemand anders dan „manke Murk". Hoe was het mogelijk ! Als een loopend vuurtje verspreidde zich het nieuwtje. De arbeider nam het mee naar huis, en de melkers vertelden het aan de buren, en de bollenloopster kreeg het in den korf, en toen was het in een oogenblik rond.
't Liep nog veel harder voort dan het bericht, dat Elske van „Bornia State" nu óók pleuris gekregen had en de dokter vreesde, dat het een zware dobber zou worden. Dat was leelijk en jammer voor zoo'n ferme meid, maar dat andere van Pleun was grappig. Toen het Zondag werd, en de jongelui voor de kerkdeur naar gewoonte al de tempelgangers lieten passeeren, net zoó lang tot de klok negen sloeg en het orgel daar binnen zweeg ten teeken, dat de dienst zou beginnen — toen kreeg Murk ook zijn deel. Pleuntje kon men niet bereiken, want zij kerkte niet, maar nauw was hij in 't zicht, of de hoofden werden lachend bij elkaar gestoken en nog eens werd 't nieuwtje verteld in geval het wezen mocht, dat deze of gene het nog niet wist. Wat was hij netjes! Hij begon werkelijk zooiets als een heer te worden. Binnenkort nog een stijve boord en een paar manchetten, en klaar was 't.
„Morgen, koopman !" zei Jasper, die gewoonlijk den mond in beide handen had ; en hem daarna zacht aan de mouw trekkend : „Hoe is 't met Pleun ? "
„Dank je wel; heel best, maar ik kan je de groeten niet van haar doen", zei Murk, zonder een spier te vertrekken.
„Een mooie meid", vervolgde Jasper, onder stil gelach van de andere kornuiten, die zich niet op dit ijs waagden, omdat zij Murk kenden en begrepen, dat hij het antwoord niet schuldig bleef.
„Hadt je dan gedacht de eenigste schoonheid te zijn ? " klonk het scherp, wat vooral aan het adres van hem, wien het gold beteekenis. had. Maar alsof hij spijt had over deze woorden, veranderde Murk dadelijk van toon, en wees hem op den grooten blauwen gevelsteen, vlak boven den ingang van de kerk.
„Zie je wel, wat daar staat ? " vroeg hij.
Onwillekeurig keken allen even naar het opschrift, honderden malen gelezen, helaas zoo weinig bedacht: „De heiligheid is Uwen huize sierlijk, Heere, tot lange dagen" (Psalm 93 vers 5). En daar vlak onder : Hoe lieflijk zijn Uwe woningen, o Heere der heirscharen ! Mijne ziel is begeerig en bezwijkt ook van verlangen naar de voorhoven des Heeren" (Psalm 84 vers 2, 3).
„Hh, hm! de heilsoldaat is aan het woord", schimpte Jasper, die wel merkte hoe de meerderheid der aanwezigen op de hand was van Murk, doch niet kon nalaten diens scherpe woorden van zooeven, waaraan een weerhaak zat, te beantwoorden.
Maar Murk was al binnen, om vanaf zijn gewone plaats onder het orgel de prediking te beluisteren. Toen het instrument zweeg, kwamen ook de anderen in de kerk, sommigen nog een blik werpend naar hem, die zoo juist het onderwerp van het gesprek was, en Jasper kort maar krachtig op zijn nummer had gezet. Maar Murk merkte het niet. Aandachtig keek hij in zijn psalmboek en zong van harte mee, toen de gemeente aanhief :
'k Zal met mijn gansche hart Uw eer. Vermelden Heer, U dank bewijzen, 'k Zal U in 't midden van de goön, Op hoogen toon. Met psalmen prijzen. Ik zal mij buigen op Uw eisch. Naar Uw paleis, Het hof der hoven. En om Uw gunst en waarheid saam. Uw grooten Naam, Eerbiedig loven.
Daarin lag heel zijn ziel. Dat was zijn begeerte. Zich buigen voor het heilig aangezicht Gods in dankbare aanbidding voor al de weldadigheid en trouw, aan hem bewezen.
Maakte de Heere het niet wonder goed met hem ? Wie had ooit kunnen denken, dat hij nog eens de man zou worden voor wien hij thans algemeen werd aangezien, die het crediet en vertrouwen van zijn meerderen had en de gunst der menschen ? Wat bezat hij een vriendelijk tehuis, waar zijn tegenwoordigheid meer dan ooit begeerd werd, niet alleen door de weduwe, wier rechterhand hij zoo langzamerhand in vele dingen werd, maar ook door de kinderen, van den grootste tot den kleinste. En dan „Lucht en Veld" met zijn bewoners, Pleuntje niet te vergeten. Hoe was 't mogelijk, dat hij nu in haar zag wat hij nimmer van te voren had opgemerkt, en zij blijkbaar hetzelfde in hem. „Een mooie meid", had Jasper geschimpt. Neen, mooi was zij niet, maar dat begeerde hij ook niet. Wat had hij aan het „mooie". Dat bezat hij zélf óók niet, — hij, manke Murk. Maar zij was góéd, en eerlijk en trouw en arbeidzaam, die haar heele leven gezwoegd had als hij en daarbij héél weinig teerheid en liefde had ondervonden. Was het zoo wonder, dat zij met haar heele hart naar hem begon te verlangen, nu zij merkte, dat hij een oog voor haar had ?
Neen, hij wilde in de kerk daaraan niet denken. Hij was hier gekomen, om te zingen en te bidden en naar de preek te luisteren, maar telkens dwaalden zijn gedachten af. 't Psalmgezang had hem getroffen. Op 't orgel zat een bekwaam organist, die heerlijke tonen aan het instrument wist te ontlokken en hij zelf hield van zingen.
Wat had hij voorheen de liederen der wereld wel uitgegalmd, vaak zonder zin en inhoud, zouteloos en leeg, indien maar niet erger. Maar hij deed het bij gebrek aan beter. In zijn armoe moest hij zingen, vaak ook om zijn leed te verbergen en te vergeten, en ook omdat de kameraden het wilden. Hij was de komiek in 't gezelschap, die gang houden moest in den fleur en dan als belooning een tractatie ontving of gratis mee van de pret mocht zijn.
[Wordt vervolgd.]
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 augustus 1936
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 augustus 1936
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's