De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

WAT DE PERS TE LEZEN GEEFT

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

WAT DE PERS TE LEZEN GEEFT

10 minuten leestijd

De Avondmaalsbeschouwing van den Kerkvader Irenaeus.
In Roomsche kringen houdt men den Kerkvader Irenaeus wel voor den man, die het eerst duidelijk en scherp het karakter van het H. Avondmaal als misoffer in 't licht heeft gesteld. Maar men kan onmogelijk bij Irenaeus spreken van een Avondmaalsleer en het probleem, van de transsubsantiatie was in de 2e eeuw nog niet gesteld en niet aan de orde. Van zijn Ad versus haereses, een geschrift tegen de ketters, en zijn Epidelxi handelen slechts enkele bladzijden over de eucharistie. Irenaeus geeft geen Avondmaalsleer ; 't zijn veeleer enkele gedachten waaruit zijn opvatting te distilleeren valt. En dan hebben we voor ons niet de persoonlijke kijk van Irenaeus op de dingen, maar zooals hij over de eucharistie redeneert, zóó doet de Kerk het.
Als het Gnosticisme redeneert, dat de God van het Oude Testament en de God. van 't Nieuwe Testament twee verschillende goden zijn, dan Is voor den Gnostiek de God van het Oude Testament iemand, die offers noodig heeft en die een volk behoeft, dat Hem dient (Israël). De God van het Nieuwe Testament eischt geen offers en geen dienaars.
Irenaeus leert, dat de God van het Oude Testament evenmin als de God van het Nieuwe Testament offers voor Zichzelf noodig heeft. En onder het Nieuwe Testament 'vraagt God evengoed het offer der dankbaarheid; overal zal Zijn Naam worden groot gemaakt, door een volk dat Hem dient en vreest, 't 'Gaat er niet om, noch in het Oude Testament noch in het Nieuwe Testament, om God rijker te maken, maar om den Heere dankbaarheid te bewijzen en Hem lief te hebben, te dienen en te vreezen, als een gewillig volk. De hoofdzaak is dan de innerlijke gezindheid van den offeraar. Daarom wordt Kaïn's offer niet, dat van Abel wèl aangenomen. De uiterlijke formaliteiten van de farizeeuwsche eigengerechtigheid verwerpt de Heere. En nu ziet de Gnostiek in het offer iets stoffelijks, dat God, die geestelijk is, niet kan behagen. Het Gnosticisme kan niet recht offeren, want het aanvaardt den Zoon van God, waarvan het Avondmaal spreekt, niet als Schepper en onderhouder van de stoffelijke wereld ; en ver­ staat niet, dat Jezus Christus hier spreekt van Zijn eigen lichaam en bloed.
Voor den Gnostiek kan het Avondmaal nooit lichaam en bloed des Hoeren, en dus nooit echt Avondmaal zijn. En ais het Avondmaal waarlijk lichaam en bloed des Heeren is (waarvoor Irenaeus opkomt, en wat niets met de transsubstantiatieleer te maken heeft, die trouwens toen niet aan de orde was), dan bewijst het ook de éénheid van materie en geest — wat de Gnostiek ontkent.
Irenaeus ziet het brood en den wijn van het Avondmaal bij hooger licht en zegt, dat het niet meer „gewoon brood en geen gewone drank" meer is. En spreekt in dit verband, van de onsterfelijkheid van het vleesch en van de wederopstanding des vleesches voor de geloovigen, die dat in het Avondmaal met het lichaam en het bloed des Heeren mogen afgebeeld zien.
De Gnostiek leerde, dat het vleesch niet onverderfelijk, niet eeuwig is. Maar de Heiland heeft ons verlost door Zijn vleesch en bloed. Het Woord is waarlijk vleesch geworden. En nu spreken brood en wijn, materieele dingen, van het eeuwige leven. De hoog-heerlijke beteekenis van het brood en van den wijn in het Avondmaal te ontkennen is hoogmoed des vleesches!
En zoo benadert Irenaeus het Avondmaal van twee kanten tegenover het Gnosticisme: eerst is het onder het Nieuwe Testament een offer, een dank offer, waarbij de geloovige uit dankbaarheid den Heere prijst en Zijn Naam groot maakt (eucharistie).
En dan wordt het verder offer, dat den Heere welgevallig is in Jezus Christus, Die Zichzelven geeft, en waaraan de geloovigen deel krijgen om daardoor vervuld te worden met gerechtigheid en eeuwig leven.
Dankzeggen past bij het Avondmaal. Dankoffer is het den Heere, in Jezus Christus Hem aangenaam.
De dankbare gezindheid bij de Avondmaalgangers kan en mag niet gemist worden, wat de geschiedenis van Kaïn en Abel leert.
„Evenals een koning zich verheugt bij een geschenk, dat zijn volk hem brengt, niet om de stoffelijke waarde er van, maar om die liefde en de hoogachting, die er uit spreekt, zóó heeft de gave van het Avondmaal voor God ook slechts beteekenis als ze gebracht wordt in eenvoud en rechtvaardigheid". „Ongeveinsd geloof, vaste hoop en vurige liefde".
Zoo ziet Irenaeus en dus de Kerk van zijn tijd het Avondmaal als dankoffer. Maar dit is het ééne gezichtspunt slechts. Het Avondmaal is méér. Het is ook een gemeenschapsmaal met den verheerlijkten Christus. Brood en wijn zijn maar de teekenen; 't is maar een gelijkenis, wanneer Jezus brood en wijn Zijn lichaam en bloed noemt. Jezus Zelf is bij het Avondmaal in bijzonderen zin tegenwoordig. (Luc. 24 : 13 ; Hand. 2 : 42 enz.).
De gewone maaltijd en het Avondmaal zijn ten zeerste onderscheiden! De elementen van de eucharisti zijn geen „gewoon" brood en geen „gewone" wijn. Het is in zeer eigenlijken zin lichaam en bloed van Christus. De Geest komt Zich hier met de materie vermengen. „Brood en wijn worden dankoffer, eucharistie, en deze eucharistie bestaat uit een aardsche en een hemelsche zaak".
„Het zijn deze beide voorstellingen, die elkaar kruisen in Irenaeus gedachtengang — eenerzijds is de eucharistie dankoffer, anderzijds misoffer". Maar bij dit verwarde is een dilemma : óf de eucharistie is dankoffer, of ze is misoffer. Eigenlijk is bij Irenaeus, in zijn strijd tegen de Gnostieken, die de verbinding van geest en stof loochenden en daarom het brood en de wijn van het Avondmaal niet konden waardeeren als een geestelijke maaltijd — van een misoffer geen sprake. Hij wil alleen het brood en de wijn als creatuurlijke dingen zien bij hooger licht en achten van hooger waarde als zijnde enkel stof.
Maar er is eigenlijk bij Irenaeus van misoffer geen sprake, althans in volstrekten zin niet — de stoffelijke, creatuurlijke materie van brood en wijn blijft bestaan, en er komt slechts iets hemelsch, iets ongeschapens, de Logos bij — een latere tijd zal de gedachte van het Avondmaal als dankoffer voor God laten varen, door te spreken van een veranderd worden van brood en wijn in het lichaam en bloed des Heeren.
Dan is het dankoffer (tegen de Gnostieken, met hun valsche tegenstelling van den God van het O. T. met offers en den God van het N. T. zonder offers, gehandhaafd) voor het misoffer ingeruild.
Dat was bij Irenaeus nog niet het geval.
Nog niet — zeggen we. Wel is het Irenaeus zelf geweest, die door zijn krasse uitdrukkingen (tegenover ketters , als de Gnostieken, die óvergeestelijk wilden zijn en van stoffelijke en creatuurlijke dingen als brood en wijn niets geestelijke wilden en konden denken) het misoffer voorbereid heeft.
[Zie het artikel van J. Leunis Koole over dit onderwerp in Geref. theol. tijdschrift, Juni '36).

Het gevaar der z.g. neutrale leesbibliotheken.
Er wordt veel gelezen in onzen tijd. Naar roman-lectuur is voortdurend vraag. En aan die vraag wordt op allerlei wijze voldaan. Door openbare leesbibliotheken, en door particuliere leesinrichtingen van boekhandelaren. Voor een luttel bedrag krijgt men de duurste romans een week ter leen !
Ja, er wordt veel gelezen.
Reeds vóór negen ziet ge zitten in de tram, kantoormeisjes en ateliermeisjes, gebogen over een boek, en soms verraadt de kleur op haar gezicht de spanning van haar geest.
Wat zouden ze lezen ?
Niet veel goeds, naar we vreezen. De romans van dezen tijd zijn bijna zonder uitzondering van een schaamteloos realisme. In mijn studententijd — aldus ds. C. Lindeboom van Amsterdam — gold Van Lennep's Klaasje Zevenster voor een onzedelijk boek. Vergeleken bij wat thans aan de markt wordt gebracht, zou men het dood-onschuldig kunnen noemen.
In „Schiedamsch Kerkblad" wijst ds. van der Meulen op het groot gevaar, dat onze rijpende jeugd bedreigt, omdat er zoovele z.g. neutrale bibliotheken zijn.
„Ieder kan aan boeken komen !
Welke boeken zijn het, die gelezen worden ?
Helaas veel boeken, waarvan wij moeten zeggen : „Niet veel bijzonders". Of zelfs waarvan gezegd moet: „Rommel".
Het gaat natuurlijk over de liefde en nog eens over de liefde. Met name gaat het over de liefde, die niet echte, ware liefde is. Over verliefdheid en hartstocht. Over zondige liefde. Over conflicten, die in het huwelijk ontstaan door de zondige liefde. Echtbreuk en echtscheiding, allerlei zondige connecties zijn de onderwerpen, die bij voorkeur in den roman behandeld worden.
De jeugd wordt door zulke lectuur vergiftigd.
Als men vele van zulke boeken leest, wordt er gedacht, dat er geen trouw meer is, dat er geen zuiver, waar, rein huwelijksgeluk meer bestaat.
Ongeveer alle huwelijken zijn ongelukkig.
Trouw en waarheid zijn begrippen uit vorige eeuwen.
Ideaal is geen kinderen te hebben en zich uit te leven !
Waarom laten de ouders toe, dat kinderen boeken halen uit de bibliotheken, uit neutrale bibliotheken, waar geen keur is over de boeken. Waar de jeugd alles kan krijgen. Waar ze vandaan haalt rijp en groen !
Weten de ouders van het zoet vergif, dat de kinderen gebruiken door geregeld aan boeken, z.g. liefdesromans te lezen ?
Denken ze zich in de gevaren, waaraan de jeugd van onzen tijd bloot staat door den stroom van verkeerde lectuur ?
Denken ze zich in de besmettingsgevaren, die van verkeerde boeken uitgaan ?
Er zijn ouders, die, als er een besmettelijke ziekte uitgebroken was, pest of cholera, ernstig zouden waken voor hun kinderen. Ze zouden hen weren uit de huizen, waar zulke zieken het besmettingsgevaar groot maken.
Voor het besmettingsgevaar van boeken hebben ze geen oog ! Toch zijn er boeken, die voor kinderen erger zijn dan pest en cholera. De besmettelijke ziekte doodt het lichaam. Boeken met zedelijk besmettingsgevaar bedreigen ziel en lichaam met verderf.
Heusch, ik spreek niet over denkbeeldige dingen. Als predikant komt men soms zoo ongemerkt achter dingen, die de schrik om het hart doen slaan.
Maar lezen onze Gereformeerde jongens en meisjes dat ? Weten de ouders daar niet van ?
Laat me een enkele ervaring noemen waarschuwing.
Een dooplid uit mijn vorige gemeente was in betrekking bij één onzer Gereformeerde gezinnen. Een meisje, dat trouw ter catechisatie ging. Ge zoudt uiterlijk zeggen, dat ze goed meeleefde. Maar het uiterlijk beslist niet over het innerlijke. Innerlijk werd zij verdorven door de lectuur, die ze stiekum las. Eens werd door haar mevrouw een boek gevonden onder het kussen. Een boek, schandelijk vuil, zoodat het de gehuwde vrouw deed kleuren bij het inzien van de dingen, die zoo schaamteloos waren neergeschreven.
Wat moet er van zulke meisjes met bezoedelde verbeelding, met vervuild innerlijk, terecht komen ? Kan dat een goede moeder worden ?
Een tweede voorbeeld. Een meisje met een gebroken leven, een moeder, die geen moeder had moeten zijn, bekende mij, dat ze op 13-, 14-, 15jarige leeftijd las, wat zij maar krijgen kon. Dat was dan lectuur, die de kuischheid wegnam en het innerlijk bedierf.
Er stond eens, ik meen in „Het Volk", een waarschuwend artikel tegen de Communisten :
Moeder, ga voor je kinderen staan, Daar komen de volksvergiftigers aan.
Datzelfde moet al onze moeders toegeroepen worden inzake de volksvergiftigende lectuur.
Weren het kwade, en zoeken het goede. Er moet gezorgd alom voor goede christelijke bibliotheken, rijk voorzienen wél gekeurd".
[De Bazuin.]
 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 augustus 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

WAT DE PERS TE LEZEN GEEFT

Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 augustus 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's