MEDITATIE
NAAR ZIJN GEWOONTE!
En Hij kwam te Nazareth, waar Hij opgevoed was, en ging naar Zijn gewoonte op den dag des sabbats in de synagoge en stond op om te lezen. Lukas 4 vers 16.
NAAR ZIJN GEWOONTE
Er zijn er velen, die zich smalend uitlaten over het uit gewoonte opgaan naar Gods huis.
Uit gewoonte opgaan acht men verkeerd.
„Men moet alleen maar opgaan, als men behoefte heeft".
We kunnen ons met deze gedachte onmogelijk vereenigen. De doktoren zullen toch ook niet zeggen tot een mensch, die weinig eetlust heeft, dat hij voortaan alleen maar moet eten als hij den rechten honger heeft. Neen, dan luidt veeleer het advies: Ge móét eten, want anders wordt ge nog zwakker.
We vreezen, dat velen helaas nooit geen behoefte meer hebben om op te gaan naar Gods huis. Het is eigenlijk een gewoonte geworden om thuis te blijven. De sleur komt er zoo gemakkelijk in.
Die van kindsbeen af gewoon was om op te (gaan naar Gods huis, zal aan den avond van den eersten dag des Heeren, waarop hij zich moedwillig aan den dienst des Heeren onttrok, zijn consciëntie hooren getuigen. Maar hoe vaker men thuis blijft, hoe gemakkelijker het tenslotte valt. Men is het tenslotte zoo gewoon geworden, dat men er haast niet meer toe kan komen om met den sleur te steken. Men is bijna bang om er weer mee te beginnen. „Wat zullen de menschen wel zeggen, als ze me Zondag weer op mijn plaats in de kerk zouden zien zitten". „Zeker zouden aller oogen op mij gevestigd zijn".
Bijgevolg weer maar thuis blijven.
Ge moet huisbezoeker wezen, om te weten wat voor verontschuldigingen er zooal naar voren worden gebracht.
Voor den een is het veel te heet. Als het winter is, zal hij er eens over denken. Maar ziet, als het weer winter is, vindt men het eigenlijk veel te koud.
Een ander verschuilt zich achter het feit, dat hij geen kleeren heeft of dat zijn schoenen zoo slecht zijn. Het is natuurlijk mogelijk, en dan is langs diaconalen weg die moeilijkheid wel uit den weg te ruimen. Maar er zijn er ook wel eens aan kleeren en schoenen geholpen, die zich enkele malen lieten zien, maar er ook dan weer genoeg van bleken te hebben.
Wéér een ander heeft geen plaats naar zijn zin. In een conflict met kerkvoogden en notabelen heeft hij een andere plaats gekregen dan hij begeerde. En nu heeft hij besloten om wraak te nemen: hij gaat nooit meer naar de kerk. O, arme mensch !
Er zijn er ook, die beweren, dat zij er onmogelijk kunnen wezen. Ze zien daar de aangezichten van zoovelen, op wier handel en wandel ze in de week zooveel aanmerkingen meenen te moeten hebben, dat ze onmogelijk naar de preek kunnen luisteren.
Och, wie kent die argumentaties niet: Degenen, die nooit naar de kerk gaan, zijn eigenlijk de brave, oprechte, rechtschapene menschen, maar de kerkgangers zijn eigenlijk de huichelaars. Droeve argumentatie !
En dat ook de predikant menigmaal de schuld is van het feit, dat men niet wil opgaan, is begrijpelijk. Die dienaar des Woords moet lederen Zondag uit den schat des Woords weer oude en nieuwe dingen zien voort te brengen. Dat men niet opgaat onder de prediking van hen, die steenen voor brooden geven, is te prijzen, maar helaas, velen gaan verder en blijven ook terug van onder den dienst des Woords, als dit nog zuiver mag worden bediend. Er zijn zelfs deelen van ons land, waar onkerkelijkheid voor het toppunt van rechtzinnigheid geldt. Is men in de kerk onder het Woord getroffen, dan is de tweede stap, dat hij verder nooit meer komt. Het gezelschap zal hem wel verder op den weg leiden.
Zoo is het gelukkig op de Veluwe niet, maar in Zuid-Holland en Zeeland op sommige plaatsen wèl het geval.
En of die menschen, met al hun bezwaren, dat nu gaarne lezen of niet, maar daar staat het dan toch maar geschreven, dat Jezus naar Zijn gewoonte naar de synagoge ging. Daar werden immers de Schriften gelezen, daar werd ter eere van Zijn Vader gezongen.
In den tempel, of in de synagoge móést Hij daarom wezen, ook al moest het Hem eenmaal van de lippen, dat ze het huis van Zijn Vader tot een moordenaarskuil gemaakt hadden.
O, lezers, bedenkt het, dat de Heere u in Zijn huis wil hebben.
De beslommeringen der week moeten eens op zij worden gezet. We vliegen voort met zulk een snelle vaart. Er moet ook op Gods dag worden gerust. Er moet worden nagedacht over de naderende eeuwigheid. De signalen moeten telkens op onveilig worden gezet. Het hart moet onrustig worden, opdat het niet meer ruste, voordat 't rust vinde in het kruis van Christus.
O, Breek toch met de sleur. Satan vindt er u van terug houden. Hij weet het, dat hij door den dienst des Woords reeds menige ziel heeft verloren. Hij wil ook u niet verliezen. Het is zijn werk, om te maken dat de kerken ledig zullen zijn. En daarom, als ge Zondag de klokken nog moogt hooren luiden, ga dan nog op en grijp nog de kansen, door God u gegeven. Het zijn misschien de laatste.
Ik denk aan u, lezers, wier plaats nimmer ledig is. Het is dus ook uwe gewoonte om op te gaan. Dat verblijdt mij. Laat dat echter nooit tegen u mogen getuigen. Wat zou het toch wezen, als we verloren moesten gaan en toch altijd onder de beademing van Gods Woord en Geest te hebben gezeten.
Zalig, als het mag worden ervaren, wat de dichter zong :
Hoe lieflijk, hoe vol heilgenot, O Heer, der legerscharen God, Zijn mij Uw huis en tempelzangen! Hoe branden mijn genegenheên. Om 's Heeren voorhof in te treên! Mijn ziel bezwijkt van sterk verlangen; Mijn hart roept uit tot God, die leeft, En aan mijn ziel het leven geeft.
Ermelo
J. J. Timmer
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 augustus 1936
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 augustus 1936
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's