De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

NATUUR EN GENADE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

NATUUR EN GENADE

9 minuten leestijd

VII.
Zoo Gij in het recht wilt treden, Heere, wie zal bestaan ? Maar bij U is vergeving, opdat Gij gevreesd wordt.
Duidelijk wordt hier aangegeven, dat de vreeze Gods vrucht en doel is van de vergevende liefde des Almachtigen. God bewijst genade, opdat men daardoor aan Zijn dienst zou worden verbonden. Die gunst heeft God Zijn volk bewezen, opdat het altoos Hem zou vreezen. Zijn wet betrachten en voortaan volstandig op Zijn wegen gaan.
Reeds Israël wordt eerst herinnerd aan de weldaad Gods, hen bewezen, de uitleiding uit het diensthuis van Egypte, voordat de wet des Heeren hen nader ontvouwd wordt, opdat hun klaar voor oogen zou staan, dat zij daardoor des te meer behouden waren in des Heeren wegen te wandelen.
Dit schriftuurlijk inzicht dat door onze Vaderen zoo duidelijk in den Heid. Catechismus is uitgedrukt in een uitvoerige verhandeling van het stuk der dankbaarheid, is echter onder invloed van het piëtisme voor een groot deel onder ons verloren gegaan. De vroomheid en godzaligheid des levens worden onder ons meer bepaald door bizondere ondervindingen, waarvan men kan verhalen, dan door een wandelen in de inzettingen des Heeren met teedere consciëntie.
Met deze woorden wil ik geen oordeel uitspreken over die ondervindingen, waarvan men spreekt, alsof zij niet echt en gegrond waren. Ik weet wel, dat velen met bevindingen voor den dag komen, die niets om het lijf hebben en beter op de rommelzolder konden worden opgeborgen, maar daar gaat het thans niet om. Wij denken nu aan ware geloovigen, die mogen gewagen, hoe God naar hen heeft omgezien en geen van hun zonden gedacht, maar hen in Christus Jezus barmhartigheid bewees. Onder dit wonder van genade is hun ziel weggezonken en hunne harten werden vervuld van den lof des Heeren.
Maar het leven gaat verder, ook het leven van hen, aan wie God de Heere gunst bewees. En nu is dit de afwijking. Waarop ik wilde wijzen, dat tal van begenadigde christenen boven alles staan naar oogenblikken, waarin zij bij vernieuwing de gunste Gods gevoelig in hunne harten genieten mogen. Boven alles. Daar valt hier de nadruk op. Zij weten wel, dat God als vrucht der genade, hen bewezen, een overgegeven leven van hen vraagt, Klaar deze vrucht staat voor hen op den achtergrond. Zij komen immers toch niet Verder dan een klein beginsel der gehoorzaamheid, die God in Zijn wet vraagt? Op den voorgrond hunner belangstelling staat echter een nieuwe bevinding van Gods bemoeienissen. Anders uitgedrukt, zij zetten eigenlijk achter het stuk der verlossing een punt. Niet, dat zij het stuk der dankbaarheid willen afsnijden, maar de lijn der verlossing wordt niet in het stuk der dankbaarheid doorgetrokken. Zoo wordt verklaard, dat velen zich zooveel mogelijk uit het leven terug trekken om in de eenzaamheid met God te mogen verkeeren. De verlossing heeft voor hun bewustzijn haar doel in zich zelf; het gaat er slechts om het werk der verlossing steeds weer opnieuw te doorleven. Het gevaar is zelfs groot, dat men een dubbel leven gaat leven; eener zij ds een leven voor Gods aangezicht in de eenzaamheid, en anderzijds een leven in deze wereld, zonder stuur en richting, omdat dit leven alle zin en doel verloren heeft.
Tegenover deze gedachte hebben wij er immer alle nadruk op te leggen, dat de genade niet aan een mensch bewezen wordt, opdat hij enkel zich verliezen zou in gevoelige genietingen, maar dat God de zonde vergeeft, opdat de begenadigde mensch Hem voortaan zou vreezen en dienen. De genade heft de wet niet op, maar bindt hem juist aan de wet; niet, opdat hij met zijn werken den hemel verdienen zou; dat heeft Christus voor ons gedaan; maar opdat hij Gode dankbaarheid voor Zijn weldaden bewijzen zou en God de Heere van ons worde geloofd en geprezen. De strijd des geloofs, die de christen hier heeft te strijden, ligt in het bizonder op den weg der geloofsgehoorzaamheid. Die dezen strijd wettiglijk gestreden hebben, worden gekroond. Als de Heere de Zijnen in de eeuwige tabernakelen ontvangt, spreekt Hij niet tot hen van de bevindingen, die hier hun deel waren en erkent niet de echtheid daarvan, maar Hij gewaagt enkel van de trouw, waarmede zij Hem gediend hebben, als het bewijs, dat zij gekenden des Vaders waren. Op de eene plaats luidt het: over weinig zijt gij getrouw geweest; over veel zal Ik u zetten; op een andere plaats brengt Hij naar voren, dat zij Hem gespijzigd hebben toen Hem hongerde en gedrenkt, toen Hem dorstte. Daarentegen worden de ongeloovigen verworpen als die zich in hun leven getoond hebben werkers der ongerechtigheid te zijn. Zooals de vreeze Gods en een hartelijke gebondenheid aan Gods wet het eenige deugdelijke kenmerk zijn van een waar geloof, zoo is het wandelen buiten de inzettingen des Heeren het klaarste bewijs van genadeloosheid.
Wie dergelijke beschouwing als wettisch van de hand wijst, heeft nimmer den zin en de kracht van het evangelie verstaan. Ook vergist men zich, als men meent, dat deze opvatting tekort doet aan het verborgen leven des geloofs. Wij hebben nimmer gezegd, dat de bemoeienissen Gods in het leven Zijner kinderen een einde hebben en dat na de geloovige omhelzing van Christus aan de bevinding een einde komt, maar deze zijn ten nauwste verbonden aan een leven van gehoorzaamheid, en wie nieuwe bevindingen zoekt zonder zich af te vragen, hoe hij waardiglijk zal wandelen der roeping, waar mede hij geroepen is, dwaalt. Jezus zegt het met nadruk: Indien gij Mijne geboden bewaart, zoo zult gij in Mijne liefde blijven, gelijkerwijs Ik de geboden Mijns Vaders bewaard heb en blijf in Zijne liefde. Naarmate Gods kinderen met grooter nauwgezetheid wandelen in Gods geboden, zullen de bemoeienissen Gods in hun leven vermenigvuldigd worden.
Zoo laat zich ook verklaren, dat de Heere zoo dikwijls tot Zijn volk Israël in Zijn heilige wet zegt: Indien gij in Mijne wegen en inzettingen zult wandelen en daarvan niet wijken, zoo zal Ik Mijne zegeningen over u vermenigvuldigen, maar indien gij nalaat Mijn geboden te onderhouden, zoo zal Ik de vloek over u zenden en die vloek zal al uw werk verteren. Dit heeft met de z.g.n. wet van het werkverbond niets te maken; dergelijke vermaningen, ook onder de Oude Bedeeling, zijn van zuiver evangelischen aard.
Het is de eer van het Gereformeerd Protestantisme, dat zij deze waarheid van den aanvang af klaar doorzien heeft. Terwijl men de wettische vroomheid van de Roomsche Kerk verwierp, heeft men zich niet van de wet zelf vrijgemaakt. Men wilde niet weten van zulke goede werken, die op menscheninzettingen of op ons goeddunken gegrond zijn, maar besefte zeer goed, dat de genade, die den christen in de vrijheid stelt, hem niet tot een vrijheid roept, die aan bandeloosheid gelijk is, maar tot een vrijheid, waarin de wet des Heeren bij zijn innerlijk wezen ten nauwste blijkt aan te sluiten. Gods genade roept en brengt daarom juist tot een leven van gehoorzaamheid aan de goddelijke wet.
In de tweede plaats leert ons de Schrift, dat de genade niet een nieuwe wet schept, maar terugbrengt tot gehoorzaamheid aan die wet, die de mensch overtreden heeft; het is de wet, die hem reeds bij zijn schepping in het paradijs gegeven is.
Naar volgt dit daaruit, dat het woord bekeering zoowel in het Hebreeuwsch als in het Grieksch niet anders beduidt dan terugkeer; terugkeer namelijk van den weg der zonde naar dien weg, dien men verlaten heeft, naar dien God, dien men den rug had toegekeerd. Kwam de mensch bij zijn bekeering onder een nieuwe wet, zou zou van terugkeer niet gesproken kunnen worden. Ook zou de bekeering dan wel een verandering, maar niet een vernieuwing kunnen genoemd worden, zooals de apostel toch gedurig doet. Want vernieuwd wordt alleen datgene, wat vernield is maar dat hersteld wordt naar de oorspronkelijke gedachte, die daarin uitgedrukt was.
Op een zeer sprekend voorbeeld willen wij nog wijzen. Jezus spreekt ergens van de oorspronkelijke huwelijksordinantie, zooals die van God gegeven is. Dat daarmede bedoeld is de opvatting van het huwelijk, die reeds vóór den val geldend was, volgt niet alleen uit het van den beginne (van den beginne is het alzoo niet geweest), maar bizonder uit het verband, dat Jezus tusschen het huwelijk legt en de schepping van Gods wege tot het huwelijk. Deze huwelijkswet, met de schepping van den mensch tot het huwelijk gegeven, waarom wij van een scheppingsordinantie spreken, acht Jezus geldend voor Zijn discipelen. Het is een klaar bewijs, dat de genade bindt aan de wet, en wel aan de wet van God, zooals die den mensch van den beginne af gege­ven is.
Aan het Gereformeerd Protestantisme strekt het tot bizondere eer, dat het bovengenoemde waarheid heeft verstaan en in verband daarmede heeft gesproken van de onveranderlijke wet der zeden. De nadruk valt hier op onveranderlijk. Van wet der zeden spreken we, in onderscheiding van de ceremonieele wet en de burgerlijke wet. Maar van het woord zedelijk behoeft nu geen nadere verklaring gegeven te worden. Het onderscheid, dat hier onze aandacht vraagt, is, dat ceremonieele wet en burgerlijke wet aan verandering onderhevig zijn, maar dat daarnaast van een levenswet voor den mensch gesproken moet worden, die niet verandert, die niet verandert in den voortgang der tijden, die zelfs niet verandert door de zondeval des menschen, die blijft gelden ook onder de genade.
Het is duidelijk, dat hieraan ten grondslag ligt de gedachte van een wet, die geen willekeurige geboden bevat, maar die ten nauwste verband houdt met het wezen van den mensch, zooals dat door God geschapen is. De wet van God komt niet als een uitwendig iets tot den mensch, zoodat zij als een zwaar juk op hem rust, maar de wet van God is de levenswet van den mensch; zij behoor en zoo nauw bij elkander, dat alleen in de onderhouding van de wet voor den mensch het leven ligt. Wetsvervulling beteekent voor den mensch ontplooiing van alle krachten en vermogens, hem in de schepping gegeven, bereiking van het doel dat God den mensch gesteld heeft. De zonde als wetsverbreking daarentegen besluit de verkrachting van het wezen van den mensch in zich en werpt hem als zoodanig in de diepste ellende. In dit licht mag de wet de wet der vrijheid worden genoemd, terwijl de zonde zware en drukkende gebondenheid beteekent.
O. a/d IJ.
Woelderink

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 augustus 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

NATUUR EN GENADE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 augustus 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's