MANKE MURK
EEN VERHAAL UIT HET FRIESCHE VOLKSLEVEN
Met toestemming uitgever J. H. Kok te Kampen
Goddank, dat was óver en behoorde onherroepelijk tot het verleden.
Van harte jubelde hij :
'kHeb ook de vreugde der wereld gesmaakt. Maar nu is 't wèl, ja, alles wel.
Want Christus heeft hare banden geslaakt. Daarom is 't wèl, alles wel!
En als dan op des Heeren dag de klokken begonnen te luiden, om de gemeente op te wekken naar het bedehuis te gaan, dan had hij geen vrijmoedigheid om thuis te blijven, ook al boeide de prediker hem niet, omdat deze niet kwam in de diepte van de behoeften van een arm zondaarshart.
Ook ditmaal ging de prediking zoo aan Murk voorbij, 't Was feitelijk geen preek. Meer een beschouwing over de gebeurtenissen van het leven op allerlei gebied, waarin de grootheid en verhevenheid van den mensch uitkwam, die zooveel tot stand wist te brengen. Met een tekst tot aanloopje, maar die dan verder kalm ter zijde werd gelegd, om in bloemrijke taal den lof te bezingen van de groote genieën, die zulke kostelijke uitvindingen hadden gedaan en daardoor bewezen, dat de mensch van Gods geslacht was, een wezen van hooger orde.
Maar geen woord over de armoede en de verlegenheid van het zondaarshart, zooals het in zichzélf geen vrede heeft en óók nooit in zichzelf vrede vindt, wanneer daar kennis van zonde komt, en het dreigend oordeel Gods over den onboetvaardige onrustig maakt. Geen woord van vertroosting met het oog op den grooten Borg, die voor al de Zijnen in het oordeel ging, om hun vrijspraak te verwerven. Geen waarschuwing voor degenen, die op eigen gekozen wegen voortdoolden, zonder zich af te vragen hoe het met hen komen zou als het straks de eeuwigheid in ging. Geen woord over 't Kruisgeheim, noch over de blijdschap van het open graf en de prediking die daar van uitgaat tot allen, die met Christus gegaan zijn in Zijn dood. Geen woord van dat alles.
En telkens betrapte Murk er zich op, dat hij niet was bij 't geen de dominé daar hoog van den kansel sprak, maar dat zijn gedachten afdwaalden, nu hier en dan daar heen, maar het meest naar „Lucht en Veld". Pleuntje kwam niet in de kerk, evenmin als vrouw Kalma, en evenmin als hij voorheen, toen hij nog niet aan zichzélf ontdekt was. Zou Pleuntje wel weten, wat het beteekent een „zondaar" te zijn ? En zou zij wel eens nadenken over haar eeuwige toekomst ? Wat er van haar komen zou, als zij eens weg moest van hier, gelijk hij nog even vóór den dienst gehoord had van Elske op Bornia-State, dat zij dezen nacht gestorven was ? Vreeselijk, nog zoo jong en zoo levenslustig en wellicht zoo onbekeerd te sterven. Weggeroepen midden uit den arbeid en de vroolijkheid en de verwachting van het jeugd-leven om te verschijnen voor God ! Als dat Pleuntje eens getroffen had ! Met wie hij nog wel geen afspraak gemaakt had, en die hij tóch stilzwijgend als de zijne beschouwde, gelijk zij hem als de hare erkende.
Een rilling voer hem door de leden. Dit zou ontzaglijk zijn en was toch gebeurlijk. Even goed als met Elske. En als het eens zoo kwam, was hij dan wel rein van haar bloed ? Nog nooit had hij met haar over de eeuwige dingen gesproken. Wèl met anderen, als het zoo te pas kwam, en nimmer schaamde hij zich zijn belijdenis, alleen, 't was precies alsof 't niet recht wilde op „Lucht en Veld" te getuigen. Omdat hij hier zoo thuis was en men hem zoo goed kende, als manke Murk, en dit nog niet alleen, maar oök als een vroolijke grappenmaker. Zou boer Siderius hem niet hartelijk uitlachen, als hij met hem begon te spreken over eeuwige dingen ? Maar wat het zwaarste was, moest het zwaarste wegen, en hij wist immers ook wel niemand te mogen en moeten vreezen dan God alleen, 't Ging toch om het eeuwig zieleheil zijner medemenschen en indien hij hen niet waarschuwde voor het nakend verderf, stond hij hiervoor mede aansprakelijk.
Het angstzweet brak hem uit. O, hoe groot was zijn ontrouw. Bij vrouw Kalma durfde hij wel uit te komen voor hetgeen God aan zijn ziel gedaan had en wonderlijk was het, hoe groote verandering daar intrad sinds het oogenblik dat zij een oog scheen te krijgen voor zooveel, dat voorheen voor haar verborgen was. Bij degenen echter, die hem het allernaaste waren, zweeg hij daarvan.
„En nu, mijne geliefden" — aldus galmde het van den kansel — „toon u een mensch te zijn. Overeenkomstig uw hooge afkomst en bestemming. Beoefen alles wat rein en edel is en deugdzaam. Schaam u nooit voor uw beginsel uit te komen en vertraag niet in goed te doen. Zóó zult gij beantwoorden aan het verheven doel, dat de groote Schepper met ons heeft en voor uw naaste ten zegen zijn. Zoo zij het".
Een lichte beweging onder de aanwezigen was het teeken, dat men geen spijt had naar huis te kunnen gaan, doch voor Murk was het laatste het beste. „Zich nooit schamen", had dominé gezegd. Welnu, dat had hij gedaan, en ter wille van iets anders het hoogste vergeten. Dat zou van nu aan uit zijn en hij moest weten hoe althans Pleuntje dacht over het heil van haar ziel.
Vijfde hoofdstuk.
't Was mis met Pleun, totaal mis. Niet sinds gister en eergister, maar nu al een dag of wat. Zij at haast niet, en sprak zoo weinig, en zij zong nooit meer, en als ze 's morgens opstond, om te helpen bij het melken, dan was het haar aan te zien, dat de nacht niet die verkwikking gebracht had als gewoon. Soms konden haar oogen zoo rood zien als van een, die geschreid had, hoewel tranen bij Pleun anders een ongewoon verschijnsel waren. Omdat het leven haar wel geleerd' had niet gevoelig te zijn, en de hardheid van het leven veel had afgestompt, dat bij een ander wèl in trilling of beroering kwam.
Ook met het werken ging het niet als gewoon. Vrouw Siderius had tot hiertoe daar heel weinig van gezegd, omdat zij altijd zoo flink was en nooit noodig had dat iemand haar de dingen zeggen ging of tot grooter spoed aanmaande. Zij zag zélf het werk en was gewoon niet eer te rusten, voor dat alles in de puntjes was uitgevoerd. Maar in de laatste dagen was dat anders. Soms trapeerde de vrouw haar, als zij in diepe mijmering stond, niet merkend, dat zij bespied werd. Dan kon zij het raam uit de weilanden overzien tot in de wazige verte, doch zonder nu op een bepaald punt haar aandacht te vestigen. Feitelijk zag zij niets, maar stond daar, roerloos als een standbeeld, met haar gedachten o zoo ver weg.
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 augustus 1936
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 augustus 1936
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's