MEDITATIE
DE BOEKEN GEOPEND
En ik zag een grooten witten troon en dengene, die daarop zat, van wiens aangezicht de aarde en de hemel wegvlood, en geen plaats is voor die gevonden. En ik zag de dooden, klein en groot, staande voor God; en de boeken werden geopend; en een ander hoek werd geopend, dat des levens is; en de dooden werden geoordeeld uit hetgeen in de boeken geschreven was, naar hunne werken. Openbaring 20 vers 11 en 12.
Op de laatste bladzijden van den Bijbel wordt ons op aangrijpende wijze het eindgericht geteekend. In het tiende vers van ditzelfde hoofdstuk wordt medegedeeld, dat de duivel, die de menschen verleidde, in den poel van vuur en sulfer geworpen werd. Nu zou satan hetzelfde lot ondergaan als het beest en de valsche profeet. Ze zullen gepijnigd worden dag en nacht in alle eeuwigheid.
De Gode vijandige machten zijn nu voor goed te niet gedaan.
Nu zal het eindgericht beginnen.
Een witte troon ziet Johannes opgericht. Wit is de kleur van dien troon vanwege de vlekkelooze heiligheid van den hemelschen rechter.
En de heerlijkheid van hem, die op den troon zat, ging alle beschrijving te boven : de hemel en de aarde vloden van zijn aangezicht weg, zoodat er geen plaats voor die gevonden is.
Nu zal het gericht een aanvang nemen!
De dooden, klein en groot, staan thans voor het aangezicht van den hemelschen rechter. Hier staat de koning naast den bedelaar ; hier staan geleerden naast ongeletterden ; hier worden gevonden de jongeren zoowel als de ouderen. Hier vallen alle verschillen door rangen en standen en ontwikkeling weg.
De boeken van de alwetendheid Gods worden geopend, maar ook de boeken van de consciënties. Al de zonden, die al lang in het graf der vergetelheid waren bijgezet, doemen nu weer op. Wat in het verborgene is geschied, wordt nu gebracht voor het licht van zijn aanschijn.
O, lezers, wat zal er dan ontzaglijk veel aan het licht worden gebracht, wat hier beneden op deze aarde een raadsel is gebleven.
Daar zal elk rekenschap voor God moeten afleggen van al hetgeen in het lichaam geschied is, hetzij goed, hetzij kwaad.
Rekenschap niet alleen van de zonden, die met de daad werden bedreven, maar ook rekenschap van de zonden der lippen. Ja zelfs de diepste roerselen van het menschenhart zullen in het gericht voor God komen. En er zal geen ontvlieden mogelijk wezen.
O, lezers, gij die zoo luchthartig henendartelt en u over het zondig verleden niet bekommert, bedenkt het toch wel, dat het leven gelijkt op een repeteerende breuk. Ge weet het toch nog wel, dat bij een repeteerende breuk het zelfde cijfer weer terugkomt.
Wat ge zaait, o menschenkind, dat zult ge maaien.
„De dooden werden geoordeeld uit hetgeen in de boeken geschreven was, naar hunne werken".
Daar zal de wellusteling zijn vonnis hooren voorlezen. Daar zal de gierigaard de straf uit den mond van den rechter vernemen. Daar zal de moordenaar gevonnist worden.
O, lezers, bedenkt het toch wel, dat het vreeselijk zal zijn om te vallen in de handen van den levenden God. Men moge nu maar voortleven, alsof men hier een blijvende stad zou hebben, ge zijt misschien veel dichter bij de eindstreep dan iemand maar vermoeden kan.
Ik heb wel eens een dikke klos garen gezien; men zou hebben vermoed, dat er nog honderden meters draad op was gewonden, en wat bleek bij het afwinden ? Er zat maar een enkele draad meer op.
O, misschien is de weversklos van uw levensdraad bijkans afgeloopen. En dan staat ge nog wel niet voor het groote eindgericht, maar met den laatsten snik valt toch reeds voor elk mensch de voorloopige beslissing.
O, satan gaat nog voort om als een brieschende leeuw te verslinden. De anti-christelijke wereldmacht, het groote beest, ontwikkelt zijn grootste kracht en de valsche profeet giet zijn valsche leeringen overal uit. Maar ook de Heere laat nog waarschuwen en vermanen tot uwe eeuwige redding, opdat de oogen nog mogen opengaan voor diepe ellende en verlorenheid, opdat zondaren nog zullen vluchten naar het Zoar des behouds, den kruisheuvel Golgotha.
Maar heb ik het wèl gelezen, zoo hoor ik uit den mond van den ontdekten, verslagen zondaar, dat de dooden zullen worden geoordeeld naar hunne werken.
Ja, zoo staat het er toch. O, wat zal dan mijn einde wezen, zoo moet worden uitgeroepen door ieder, die zich schuldig heeft leeren kennen aan al de geboden
Gods.
Vaarwel u, gij hemelen, want mijne voeten zullen nimmer uwe hallen betreden, mag dan wel de smartkreet wezen van het aan zichzelf ontdekte hart. Al mijn werken getuigen immers tegen mij.
Maar lees nu nog eens, wat er in de tekstwoorden staat geschreven: „en een ander boek werd geopend, dat des levens is".
O, bij het lezen van deze woorden mag er wel een jubelkreet opgaan uit den mond van alle verlosten. O, God lof, er was ook nog een ander boek. Het boek des levens, zoo is de naam van dat boek. Dat boek is toch zeker hetzelfde, waarvan de Heere Jezus eens zeide tot de teruggekeerde zeventig jongeren : Verblijdt u veel meer hierover, dat uw namen zijn geschreven in de hemelen.
In dat boek des levens kan de eerste naam geen andere zijn, dan die van dien dierbaren Borg en Zaligmaker, Christus Jezus.
Zonder dien Borg een eeuwig zielsverderf. Maar door dien Borg eeuwige redding en zaligheid.
O, lezers, hebt gij dien schuldovernemenden Borg reeds leeren zoeken ? Hebt ge Hem al gevonden ?
Het is nog vindenstijd.
Straks te laat! Voor eeuwig te laat!
Ermelo.
J. J. Timmer.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 augustus 1936
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 augustus 1936
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's