MEDITATIE
VOLGEN
En dit gesproken hebbende, zeide Hij tot hem: Volg Mij. Johannes 21 vers 19b.
Wij breken niet graag met wat ons lief is. Daarom is het volgen van Jezus zoo moeilijk. Want dan gaat het om een breuk met onszelf. Als Jezus tot Petrus zegt: „Volg Mij", dan roept Hij hem weg uit wat hij zoo gaarne deed, toen hij jonger was. Namelijk : zichzelf gorden en wandelen, waar hij zelf wilde. Voor den discipel is dit beeld duidelijk. Men droeg immers een lang opperkleed, dat tot op de voeten neerhing. Ging men nu op reis of aan 't werk, dan trok men dit kleed op door de gordel, die om het middel bevestigd was. Dan had men er geen hinder meer van. 't Wijst dus op het zichzelf klaar maken voor wat men gaat doen. Om het pad op te gaan, dat men bewandelen wil. Inderdaad, dat is voor Petrus een ontdekkend woord, dat zijn eerste jaren van zijn discipelschap in een eigenaardig licht gaat zetten.
Zichzelf gorden en wandelen waar hij wil. Zichzelf gereed maken, eigen weg gaan. Geen kruis. Geen voetwassching. Geen gevangenneming, 't Is allemaal zoo best bedoeld, maar toch roept Jezus hem daarvan terug, omdat hierin openbaar wordt te veel eigenwilligheid en een steunen op zichzelf. En dat is niet op zijn plaats in het Koninkrijk der hemelen.
Zouden we hier dan al niet direct staan bij de oorzaak; waarom dat „Volg Mij" heelemaal niet, of vaak maar zoo weinig wordt ter harte genomen ? Juist datgene, waar we uit weggeroepen worden, vinden we van onszelf zoo'n begeerlijke toestand. Kan het wel mooier dan zichzelf te gorden en te wandelen, waar men zelf wil ? Dat willen we juist. Zelf kiezen, zelf alles in orde maken. Dat is voor ons zondig hart het paradijs. Daar hebben we ons genoegen in. Daarin zijn we juist kinderen van Adam en Eva, die in hun ongehoorzaamheid juist zélf wilden beschikken en zélf wilden kiezen. Een ander of iets anders moet ons vooral niet belemmerend tegenkomen. Vooral met God en Zijn dienst moet men ons niet lastig vallen. Want dat past ons al héél slecht. De ware dienst des Heeren dan tenminste. Niet waar, dan komt ons beschikken over onszelf en onze eigen wil in 't gedrang.
Stel u voor, dan moeten we gaan denken aan onzen Schepper.
Stel u voor, dan moeten we onze wil onderwerpen aan Gods wil.
Daarom wil ons vleesch dat: Volg Mij, niet. Want het roept ons tot een breuk met het zelf willen en zelf gorden. Tot een radicale breuk.
Maar, wat moet dit woord dan bij een Petrus, een discipel dus reeds, die het beleden heeft: Gij hebt de woorden des eeuwigen levens ? Wat moet dit woord in het leven van allen, die dat van harte met Petrus belijden ? Als ge het hem zelf vraagt, dan zal hij het moeten belijden, dat dit woord, meer dan bij iemand anders, juist bij hém op zijn plaats is. En als 't goed is, moet hetzelfde beleden worden door ieder discipel.
Wie namelijk denkt, dat hij aan 't eind is, dat hij klaar is, dat hij niets meer te leeren heeft, die kent zichzelf niet. Is er soms bij den discipel niet meer de begeerte om eigenwillige wegen te gaan ?
O, hii kan nog zooveel. Hij is nog zoo sterk. Wat vorige geslachten gedaan heb ben , neen, dat beteekende niet veel. Maar nu hij discipel mag zijn, nu zal wel alles in orde komen. Als hij de leiding maar eens nemen mag. Weet ge, wat zoo'n discipel dan doet ? Net als Petrus, schuift hij het kruis in den hoek. Met betrekking tot zijn verlossing en zijn dienen van God.
Leven uit genade, ja zeker, maar toch ook liefst nog wat bouwen op eigen werk en op eigen verdienste. Wel schuldige, zondige menschen, ja, maar toch ook nog wel menschen met o zoo'n sterk geloof, met o zoo'n mooi geestelijk leven, met o zooveel gebed. Daar hebt ge nog het gorden van zichzelf en het bewandelen van zelf gekozen paden. Daaruit roept Jezus juist weg. Iets heel anders wordt den discipel voor oogen gesteld, 't Uitstrekken der handen. Gegord worden door een ander. Gebracht worden, waar men van nature niet henen wil. Hier hebben we het beeld van een oude, halfblinde grijsaard. De dagen zijn aangebroken, dat hij zelf den weg niet meer gaan kan, ja, dat hij als een klein, hulpeloos kind moet worden gekleed. Dat een ander hem moet leiden en steunen. Beeld van de afhankelijkheid, hulpeloosheid en krachteloosheid. En dan niet tegenstrevend, neen; overgegeven, aanvaardend de toestand zooals die is. Daarop wijst dat uitstrekken der handen.
Hiertoe roept nu de Christus. Voor Petrus wijst dit ongetwijfeld ook op de bijzondere wijze van zijn sterven. Maar dat wil niet zeggen, dat wij er ons daarmee af zouden mogen maken. Wat de innerlijke beteekenis betreft, geldt dit woord voor ons precies zooals voor Petrus. Het eigenwillige dienen van God moet uit het leven weg. De meening, dat wij zelf nog wel wat zijn en wat kunnen, moet worden gebroken. Dat vooruit loopen moet uit ons leven verdwijnen, meer en meer. Alle beter weten dan God moet steeds opnieuw worden uitgezuiverd. Daar moet niet zijn een telkens zich stooten aan het kruis. Dat kruis moet worden aanvaard. Voor het eigen hart en voor alles, wat ons in het leven overkomt.
Dat laatste ook niet te vergeten. Daar moeten uitgestrekte handen zijn om' wat ons overkomt uit Gods hand te aanvaarden. Dat geldt dus ook van leed en smart, van druk om den naam van Christus.
En dat kan, net zoo goed als bij Petrus. Maar, dan moet er ook innerlijk hetzelfde geschieden als bij dezen apostel. Daar nu wordt ge toe geroepen, al zou uiterlijk verder alles verschillen.
't Moet worden een algehèele gebondenheid aan Jezus Christus. We moeten gebroken worden aan de eigenwillige godsdienst. We moeten geheel afhankelijk worden van Gods genade. Zelf de weg niet meer weten. Zelf niet meer vooruit kunnen. Dan bevinden we eigen onmacht, eigen verlorenheid, eigen verdorvenheid als onze schuld. Dan kom ik niet aandragen met eigen gerechtigheid en eigen verdienste en eigen godsdienst en eigen dit en dat — neen — dan leer ik beoefenen de waarachtige lijdelijkheid, die tegelijkertijd de grootste werkzaamheid is. Dan strek ik namelijk de handen uit om door God te worden geleid. Om enkel uit Zijn genade in Christus te leven. Van dag tot dag en van oogenblik tot oogenblik. Daar worden we toe geroepen. Om enkel uit Jezus te leven. Niets uit ons, alles uit Hem. In de donkerheid, ja, maar ook in de voorspoed. In de rouw, ja, maar ook in de blijdschap.
Ons „niet willen" van nature moet dus worden een „wél willen" door genade, 't Moet worden een bedelaar willen zijn. Alles van God willen verwachten. Verloren willen zijn. God niet meer vooruit willen loopen. Maar, wordt dit alles u nu niet steeds onmogelijker en onmogelijker ? Zit ge er nu niet steeds meer en meer mee ? Als 't maar waar is. En als dan die onmogelijkheid u maar tot nood wordt, 'k Ben zoo, bang, dat er zijn, die nog nooit die onmogelijkheid als een last hebben gevoeld,
En die er nog nooit mee gezeten hebben. Die er nooit door in 't nauw gedreven werden. Als dat zoo is, dan doet ge nog niets anders dan eigen paden bewandelen. Dat moet uitloopen op het verderf. Want zoo bestaat het niet, dat iemand de mogelijkheid leert zien en ervaren, die daar zijn in Christus Jezus. Wat Hij vraagt, kan werkelijk geschieden. Ook al zal niemand het hier verder brengen dan het „klein beginsel".
Hoe dat dan kan ? Dat kan, omdat Christus zegt: Volg Mij. Dat kan dus alleen door Christus zelf. 't Is wel bekend, maar kent ge het ook ? Ga het leven van Christus maar eens na. Dat is nooit geweest een gorden van zichzelf. Een God vooruit loopen en zelf alles in orde maken. Hij heeft zich laten gorden. Hij heeft de handen uitgestrekt om het kruis te aanvaarden. Om de zonde en de vloek op zich te nemen. Als Heiland, als Borg, voor een eigenwijs volk. Wat we daarom noodig hebben, dat is dagelijksche gemeenschap met Christus, de Levende.
't Is waar, dat is alles uit God, uit Zijn welbehagen, ook het gegrepen worden door Zijn roepstem. Dat is door de werking Zijns Geestes. Maar dat doet God door Zijn Woord. Ook door dit woord van onzen tekst. Dat heeft de Christus gesproken om ook Petrus te krijgen, waar Hij hem hebben wilde. Door dat Woord trekt Hij den discipel vlak onder Zijn kruis.
Wat wilt ge dan ? Dit woord aan u laten voorbijgaan ? Er u met een dooddoener afmaken ? O, doe dat niet. Doe dat vooral niet met deze overweging, dat het bij het ouder worden wel wat zal beteren.
De jaren veranderen ons niet. Als ge jong zijt is er al zoo veel, dat ge niet naar uw hand kunt zetten. En als ge ouder wordt, gaat ten slotte de laatste kracht u begeven. Troostelooze, rampzalige toestand, als ge u dan door God niet hebt laten leiden. Al wilt ge dan de handen niet uitstrekken om u te laten gorden tot het sterven, 't zal moeten. En daarna het oordeel. Wat dan ? Dan God de schuld geven ? 't Kan niet.
Christus zegt nu nog: Volg Mij. Dat woord zet het kruis in ons midden. Bid er om, dat ge dat kruis in zijne kracht moogt leeren kennen. Dan gaat er met u geschieden, wat er alleen door Christus met een mensch geschieden kan. Dan gaan we ons zelfvertrouwen verliezen. Dan gaan we onszelf veroordeelen. Dan wordt dat taaie vasthouden aan onze eigen weg verbroken. Dan gaat onze eigen wil er aan. Dan worden we echt hulpeloozen, schuldigen. Dan slaan we de oogen op, om het alleen van genade te verwachten. We weten ons dan aangewezen op Gods barmhartigheid in 't bloed des kruises. Wat wordt Christus ons dan onmisbaar.
Maar wat kan God dan ook Zijn hulp en troost en leiding aan dezulken kwijt. Zoodat we alleen leeren roemen in Zijne gunst. Dan wordt het in den aanvang niet meer een voor Jezus uit, of een naast Hem voortgaan, maar een achter Hem komen. Wie zoo Jezus volgen leert, die zal 't aan niets ontbreken. Want de Jezus, die gevolgd wordt, is de Herder, die leeft tot in eeuwigheid, maar die ook Zijn leven gesteld heeft voor de schapen. Hij kent de Zijnen en Hij wordt door de Zijnen gekend. Als ze Zijn stem hooren, dan kunnen ze het zingend belijden:
Gij zalft mijn hoofd; Gij doet mijn blijdschap En van Uw heil mijn beker groeien, overvloeien.
Opdat dit voor het eerst en meer en meer gekend worde, zet de Heere door Zijn Woord nog het kruis van Christus in ons midden.
Daar kunnen we het leeren.
Leeren we het daar niet, dan leeren we net nooit.
Huizen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 september 1936
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 september 1936
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's