De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Een klacht der geloovigen.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Een klacht der geloovigen.

7 minuten leestijd

Niet zelden hoort men uit den mond van geloovigen de klacht: De He ere heeft mij verlaten, ofschoon zij alzóó sprekende, zich eerder ongeloovigen dan geloovigen betoonen te zijn.
De klacht is ontleend aan de Schrift en weL aan Jesaja 40, waar Israël, dat in ballingschap verkeert, klaagt over God, zeggende, dat hun recht aan Zijn oog voorbijgaat en Hij hunner niet meer gedenkt. Maar ten onrechte. De Heere wordt er niet door geëerd, Zijn Naam wordt er niet door geheiligd en de ziel geniet er geen zegen bij.
Laat ons enkele omstandigheden des levens noemen, dat deze klacht der geloovigen wel gehoord wordt.
Wanneer de tegenspoeden zich vermenigvuldigen en de hoop op uitredding schijnt verdwenen te zijn. In zulke omstandigheden is het hun vaak bang om 't hart en benauwd in de ziel; dan is er vreeze van binnen en schrik van rondom. Dan vragen zij : wat zullen wij eten en waarmede zullen wij ons kleeden ? Dan verdwijnt de leer der Voorzienigheid als uit hun oog en in de plaats daarvan komt de leer van het blinde noodlot, tot welks speelbal men schijnt vernederd te zijn. Dan gedenken de geloovigen niet meer aan vroegere genotene hulp en machtige ondersteuning en velerlei uitredding en telkens wederkeerende zegening, terwijl de vorst der duisternis, de menschenmoorder van den beginne, hun de toekomst met de donkerste en zwaarste verven schildert. Ach, in zoodanigen toestand wordt de bange klacht zoo dikwijls geuit en gehoord : „De Heere heeft mij verlaten ".
Ook onder andere omstandigheden nog klaagt de christen : „De Heere heeft mij verlaten". Wanneer hij een inzicht krijgt in de afwijkingen en struikelingen waaraan hij zich dikwijls schuldig maakt, benevens de omstandigheden die zijn schuld verzwaren ; wanneer hij diep gevoelt de plagen van zijn hart en tot welke misdrijven zij hem zoeken te leiden. Is het mogelijk, zegt hij in dien toestand bij zichzelven, dat God in mij heeft gewoond, dat Zijn Geest in mij is geweest ? Kan zulk een behooren onder Gods kinderen ? Gewis, de Heere wendt Zijn aangezicht af van zoo'n walgelijk voorwerp als ik ben. Dus overlegt en redeneert hij, terwijl zijn hart zinkt als een steen en hij geene of zeer weinige verkwikking en vertroosting gewaar wordt.
„De Heere heeft mij verlaten". Zoo is de christen geneigd te klagen, wanneer de Heere hem blijkbaar Zijne gunstrijke nabijheid onttrekt. Hoe droevig is deze bevinding. Vroeger gevoelde hij vreugde in God. De Schrift was hem zoeter dan honig en honigzeem. Het heiligdom des Heeren eene poort des hemels. De Avondmaalstafel een paradijs. Maar ach! alle deze dingen zijn voorbijgegaan. Nu verbergt de Heere voor hem Zijn aangezicht, en het gevolg is, dat de genade in zijne ziel kwijnt en het overige in gevaar schijnt van te sterven. Intusschen, de zonde verkrijgt meer en meer kracht. 'Zijn hart bezwijkt. De herinnering aan het verledene grieft hem. Eertijds was het zoo anders. Maar nu, nu is het zoo ellendig. En hij kan geen tranen storten. Het is zoo noodig. Er is niet zelden opstand in zijne ziel tegen God en tegen Zijn leidingen en slechts nu en dan vindt hij zich bekwaam om Job na te stamelen : „Och of ik wist, dat ik Hem vinden zoude ! ik zou tot Zijn stoel komen. Zie, ga ik voorwaarts, zoo Is Hij er niet, of achterwaarts, zoo verneem ik Hem niet. Als Hij ter linkerhand werkt, zoo aanschouw ik Hem niet; bedekt Hij zich ter rechterhand, zoo zie ik Hem niet".
„De Heere heeft mij verlate n". Zoo spreekt vaak de christen, wanneer de verhooring op het gebed uitblijft. Er is een drukkend kwaad, van hetwelk hij begeert ontheven te worden, een goed dat zijn hart wenscht, eene betrekking, waarin hij gaarne zichzelf, zijn kind, zijn vriend of een van zijn .bloedverwanten geplaatst zag; zie, hij stelt zijne begeerten den Heere voor, ernstig biddende om de vervulling van zijn wensch te mogen verkrijgen, maar de verhooring blijft achterwege. Hij ziet uit naar verlossing, naar hulp, naar de vervulling van zijn wensch, doch tevergeefs ! De gedachten vermenigvuldigen zich in zijne ziel; het ongeloof slingert hem en in overijling doet hij betuigingen, waarover hij zich later diep te schamen heeft en zich voor God heeft te verootmoedigen.
„De Heere heeft mij verlaten". Zoo klaagt menig kranke. Ach ! hoelang reeds spotte de ziekte met de geneesmiddelen der kundigste artsen. Ja, nu en dan scheen er hoop te zijn op herstelling, maar die hope verdween gelijk de sneeuw voor de zon. De ziekte blijft voortduren. De kwaal verergert. Het kwaad wortelt hoe langer hoe dieper in. De pijnen verheffen zich bij vernieuwing. De zorgen vermeerderen. Hoe lang is men nu al aan de legerstede gebonden ? Hoe menigmaal heeft men alreede zijn handen uitgestrekt tot God in den hemel! Hoe dikwijls geroepen om redding! Maar tevergeefs. De morgenstond scheen nu en dan aan te breken en nog is het nacht.
we kunnen voortgaan om toestanden te noemen, waarin den geloovige in overijling de klacht ontglipt: „De Heere heeft mij verlaten". Nochtans, die klacht is ongegrond en voorbarig en getuigt van de ondankbaarheid onzer harten.
De klacht is ongegrond. Want de Heere verlaat de Zijnen niet. Neen, eer vergeet eene moeder haren zuigeling, eer God de Zijnen vergeet. Hoor Zijne eigene woorden en neem ze ter harte, hoor Zijn vragen en Zijn betuigen : „is niet Efraim Mij een dierbare Zoon ? is hij Mij niet een troetelkind, want sinds Ik tegen hem gesproken heb, denk Ik nog ernstig aan hem ; daarom rommelt Mijn ingewand over hem ; Ik zal Mij zijner zekerlijk ontfermen, spreekt de HEERE", Jesaja 31.
Ongegrond is die klacht; maar ook voorbarig. Duizenden christenen hebben zich geschaamd, dat zij die klacht geuit hebben. God toonde aan hen te denken, maar op Zijn .tijd; en 't werd hun duidelijker en duidelijker, dat de Almachtige Zich zei ven verheerlijkt zooals het Hem goeddunkt en dat Hij Zijn volk nut en zegening toebrengt door de donkerste gevallen en omstandigheden.
„De Heere heeft mij verlaten". Die klacht getuigt van ondankbaarheid. Hoe ? Blijven zelfs in de droevigste omstandigheden niet eene menigte Zijner gunstbewijzen over ? Laat Jacob eens spreken en Mozes ; laat Job eens getuigen en Asaf; laat Maria Magdalena eens spreken en de Emmaüsgangers, Thomas en Petrus. Blijft de Heere de Zijnen niet gedenken ook als het donker is en alles tegenloopt ? Vergadert de Heere de tranen der Zijnen niet in Zijn flesch ? Ondersteunt Hij hen niet met eeuwige armen ? Is Hij hun ooit een woestijn of land der uiterste donkerheid geweest ?
O, dat de klacht, zoo menigmaal geuit door geloovigen, veranderd mag worden In juichtaal: „De Heere is mijn rots, mijn deel in eeuwigheid, de Heere zal mij nooit verlaten ; ook in de bangste smarten blijven onze harten in den Heere gerust".
En de gronden van deze juich-en roemtaal, de gronden van deze verwachtingen, ook als wij in duisternis moeten wandelen, liggen buiten ons zelf, enkel in Christus, die in ons woont, en in de beloften Gods, die alle ja en amen zijn in den Verbondsmiddelaar, welke beloften vele zijn in getal en overvloeiende van rijkdom van genade en liefde.
Dan kan de hel vrij woeden. Dan kunnen de vijanden razen en tieren.
De Heere verlaat de Zijnen niet, ook niet in duren tijd en hongersnood. Zijn Engelen legeren zich rondom degenen, die Hem vreezen en Hij zendt Zijne boden om dergenen wil, die de zaligheid zullen beërven. Zijn machtig arm beschermt de vromen en redt hun zielen van den dood. De Heere is zoo getrouw als sterk, Hij zal Zijn werk voor mij volenden. Verlaat niet wat Uw hand begon, o levensbron, wil uitkomst zenden !
Uwe verlossing is gewis. Eenmaal zal Hij, dien wij als onze Rechter uit den hemel verwachten, Zijn Sion verlossen en Zijn hateren doen vluchten. Hij zal Zijn uitverkorenen in de eeuwige blijdschap en heerlijkheid inleiden.
„Gij verdrukte, door onweder voortgedrevene, ongetrooste ! zie. Ik zal uwe steenen gansch sierlijk leggen en Ik zal u op saffieren grondvesten en uwe glasvensteren zal Ik kristallijnen maken en uwe poorten van robijnsteenen en uwe gansche landpale van aangename steenen. Alzoó spreekt de Heere, de Getrouwe, de Waarachtige.
(Uit : Hebt Gij mij lief ? Ds. J. J. Knap Sr., Ned. Herv. predikant te Opheusden. 1857).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 september 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

Een klacht der geloovigen.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 september 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's