De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJKE RONDSCHOUW

19 minuten leestijd

RONDOM ORANJE’s TROON.
In ieder Nederlander werkt instinctief de Vaderlandsliefde. Sommigen schreeuwen wel stout van niet. Maar dan kruipt 't bloed toch weer waar 't niet gaan kan. Holland boven ! We willen Holland houden !
En dan is die Vaderlandsliefde bij ons volk weer doorweven van Oranjeliefde. Ook hier schudden velen wel van neen. Maar ook hier blijkt het telkens, dat de natuur gaat boven de leer. Want als de Koningin met de Prinses naar Zeeland of naar Friesland gaat, in Brabant of in 't Sticht verschijnt, in Groningen of in het Geldersche — dan is er geen oude vrouw, die bij het spinnewiel blijft. En vóór dat men er erg in heeft, roept ieder, jong en oud : Oranje boven ! Leve onze Koningin ! Leve onze Prinses !
Dat is een onverklaarbaar ding in lederen Nederlander, dat hij of zij Oranjebloed in de aderen heeft.
't Zijn waarlijk niet de christenen alléén, die hun bloed warmer voelen worden, die hun hart sneller voelen kloppen, als ze Oranje zien. Wij, als christenen, bezitten niet het monopolie van Oranjeliefde. Maar — de christen heeft toch wel een bijzonder soort liefde voor ons Vorstenhuis. Er ligt iets heiligs over alles. We staan op gewijden grond. Want alles staat zoo duidelijk en zoo onlosmakelijk en zoo heerlijk in verband met God, den almachtigen Schepper van hemel en aarde, Die zegt: Door Mij regeeren de vorsten der aarde !
Als wij, christenen, onze Vorstin mogen noemen en mogen aanspreken met: Majesteit — dan ligt er voor ons ook inderdaad majesteit en heerlijkheid en glans over haar en we zien boven haar gekroond' hoofd de gratie Gods. „Wij, Wilhelmina, Koningin der Nederlanden — bij de gratie Gods", schrijft onze Landsvrouwe altijd. En waarlijk, het 'heeft den Potentaat der potentaten beliefd ons door haar te regeeren, om ons onder haar heerschappij zegening te geven.
„Voor God wil ick belijden en Syner grooter macht" — dat wordt ons als de lijfspreuk van Wilhelmus van Nassouwe, die was van Duitschen bloed, genoemd. God was zijn iastgever. En Gode wenschte hij, als een tweede Mozes, méér gehoorzaam te zijn dan de menschen, liever met het volk van God smaadheid. lijdend, dan in de genietingen der wereld op te gaan.
Den Koning van Hispanje heeft hij „tot gheenen tijden veracht". Den Koning van Hispanje heeft hij altijd geëerd. Het was hem een zaak, die hij onder hooger licht beschouwde, gelijk David deed ten opzichte van Saul, die voor hem was een „gezalfde des Heeren". Maar toen Pilips II met zijn macht juist Gods eer ging schenden, de rechten en de privilegiën des volks met voeten vertrad en ons volk wilde dwingen om af te laten van den dienst Gods — toen heeft Prins Willem, wiens harte werd doorwond vanwege de tyrannic van den Koning en zijn. raadslieden, de macht van God grooter geacht dan 's Konings macht en Gods Wet en Gods eer boven de bevelen van den landsvorst gesteld. „Dan dat ick God den Heere, der Hooghsten Majesteit, heb moeten obediëren in der gerechtigheid".
Juist door deze dingen is onze Oranjeliefde zoo 'heel iets bijzonders: 't is om Gods wil. 'Oranje staat voor ons met dat wónder-heerlijke: der hoogste Majesteit méét gehoorzaam zijn, in gerechtigheid, dan aan de menschen ! En dat wonder-mooie : „Mijn schild ende betrouwen, zijt Gij, o God, mijn Heer".
Juist daardoor wordt zoo bijzonder heerlijk ook : „Lijf en goedt altesamen, heb ik u niet verschoont", 't Gaat uit liefde tot God en uit liefde tot ons volk. Zóó is ook „Graaf Adolf gebleven te Vriesland in den slach" (syn siel in 't eeuwich leven verwacht den jongsten dach).
Een wolk van getuigen is rondom ons. De zuilengangen der historie zijn vol van de figuren van Oranjevorsten, prinsen, stadhouders, koningen. En onze Koningin draagt de traditie van haar vaderen met heilige liefde. Bij Oranje gaat het om te handhaven : vrijheid en recht. Om te handhaven : het geloof der vaderen, naar 'Gods Woord. In Nederland is vrijheid van godsdienst bevochten, — door de Oranjes. De Kerk des Heeren, ons land en volk, ze zijn gered — door de Oranjes, die ons van den Heere gegeven zijn. En zóó is het drievoudig snoer : God, Nederland en Oranje, hecht en sterk geweest in de 'beste tijden van onze volkshistorie. Gelijk het de slechtste tijden waren toen het Nederlandsche volk Oranje tegenstond en verjaagde, nadat het eerst God en Zijn dienst had verkracht en verlaten.
Daarom staan wij zoo gaarne nu rondom den troon van Oranje, om te getuigen van de daden des Heeren en Hem te danken voor de vele zegeningen, ons in Oranje gegeven.
En dankend voor zoo héél veel, klimt de bede op uit ons hart: O, Heere, spaar ons Oranje en behoed Nederland en laat ook in de toekomst het drievoudig snoer niet worden verbroken !
Laat ons waken en bidden. Want we leven in bange tijden ! Gevaren van alle kanten dreigen. Vijanden liggen overal op de loer. Men werkt onder jongen en ouden met allerlei schoonklinkende leuzen en aanlokkelijke beloften.
Volk van Nederland — waakt en werkt en bidt. Waken bij al de gevaren. Werken, om te getuigen van de daden des Heeren, om te verbreiden Zijn eer. Om te getuigen tegen de leugens, die afvoeren van de oude, beproefde paden, die naar Gods Woord zijn. Bidden, om voor den heiligen God onze zonden te belijden en voor Vaderland en Vorstenhuis het goede af te smeeken van den hemel. Om te bidden ook, dat de Heere de dagen onzer Koningin mag vermeeren tot in lengte van dagen en haar alles geve, opdat zij in vrede over ons land regeere, deelend in des Heeren liefde en trouw.
O, Heere ! verlaat Nederland niet.
O, God ! zegen Oranje, nog lange !

GEBED VOOR NEDERLAND.
Wat donkre wolk er moge dreigen. Wat felle storm er moge woên, O blijf, Almachtig God en Vader, Ons land voor ramp en leed behoên. Opdat ons Neêrland vrij moog' blijven Van elk geweld en vreemde macht. Ja, dat het fier zich blijv' verheffen. Steeds sterk en groot door Uwe kracht.
Zooals het lang reeds was vóór dezen : Het land, waar men in vrijheid leeft, Waar men, o, eeuwig God en Vader, U vreest, U dient, U eere geeft. O, blijf. Almachtig God en Vader, Ons, en ons Vorstenhuis nabij. Opdat het land, uit zee geworden, Ons Neêrland blijve één en vrij !

HERVOMD GEREFORMEERDE PREDIKANTENVERGADERING.
Donderdag 17 September a.s. staat de 15de Ned. Hervormde Gereformeerde Predikantenvergadering gehouden te worden te Utrecht in Hotel Des Pays Bas, Janskerkhof. Aanvang 10.15 precies.
Deze predikantenvergadering is ons altijd welkom. Als we eenigszins kunnen gaan we er altijd heen. En we hebben er nooit spijt van gehad. De referaten staan altijd op hoog peil. De discussie is altijd zéér geanimeerd. Daar zijn predikanten van de jongeren en ook van de ouderen, die uit verschillende kringen komen en elkaar gewoonlijk niet al te dikwijls in 't leven ontmoeten, maar in Hotel des Pays Bas, half September van elk jaar — het is nu de 15de maal dat we daar samenkomen — is de begroeting altijd hartelijk en de ontmoeting aangenaam, en nooit zijn we weggegaan of we hebben tot deze en gene gezegd : wat is het toch goed, dat we elkaar althans éénmaal per jaar, en dan op die manier, ontmoeten.
Dit jaar valt de vergadering op Donderdag 17 September en wij wekken gaarne alle collega's, die met onze Belijdenis, met de Drie Formulieren van Eenigheid, instemmen, (waarin ook artikel 7 van de Ned. Geloofsbelijdenis is begrepen), óp, om Donderdag 17 September naar Utrecht te gaan.
De vergadering begint altijd — om de dagverdeeling zoo goed mogelijk te doen slagen — precies op tijd, en wel 10.15. Dit jaar zal dr. H. J. Honders, van Wassenaar, het openings-woord spreken. Als sprekers zullen optreden dr. G. Oorthuys, van Amsterdam; onderwerp : „De praedestinatie in Calvijn's Theologie" (een onderwerp, waarin de pittige, knappe Oorthuys zoo heelemaal thuis is) en ds. P. A. A. Klüsener, van Bodegraven, die zal spreken over het „brandende" vraagstuk van de catechisatie en dan nu over „Catechisatie en belijdenis des geloofs".
Honders—Oorthuys—Klüsener dus, en dr. P. J. Kromsigt als voorzitter; dr. J. C. S. Locher, ds. Woelderink, Haselager en Van Ingen als bijzitters in het Moderamen. Men ziet, in welk gezelschap men komt.
De Heere geve ons Zijn zegen. Die hebben we noodig. Altijd. Vooral nu!
Willen de predikanten met Donderdag 17 September rekening houden

DE ROOMSCHE SACRAMENTSLEER
Ds. Th. Delleman, Geref. pred. te Aalten, heeft een mooie studie gegeven over „Het Heilig Avondmaal", een boek dat bij het Uitgeversbedrijf De Pauw, Amsterdam, Heerengracht 149, is uitgegeven. Wij komen op dit boek in onzen „Boekenschouw" nog terug, maar wij willen het hier reeds ter lezing aanbevelen.
Voor het oogenblik willen we hier een stukje uit dit boek overnemen en wel de paragraaf over De Roomsche Sacramentsleer.
»De RJC. Sacramentsbeschouwing, welke in onzen tijd onder de z.g.n. hoog-kerkelijke richtingen in het Protestantisme vele aanhangers vindt, ligt in dezelfde magische lijn (n.l. dat er een vanzelfwerkende, magische kracht in het Sacrament zit). Dat is geen zuivere religie meer. „Magisch is de opvatting van het Sacrament, die aan de toediening zelve, zonder dat er eenige geestelijke activiteit of maar receptiviteit aanwezig is, kracht toekent".
De Roomsche Kerk lijdt aan een zondige overschatting van het Sacrament. Deze Kerk beschouwt zichzelve eigenlijk als de levende Christus op aarde. Zij is volgens Roomsche schrijvers de onder de menschen in menschelijke vorm voortdurend verschijnende, steeds zich vernieuwende, eeuwig zich verjongende Zoon van God, de permanent vleeschwording des Zoons" (aldus Möhler : Symboliek, pag. 337).
De vleeschwording des Woords herhaalt zich in iedere Mis en daarom herhaalt zich daar ook de Offerande van Christus. Anders zou, zoo meent men, de Christus voor de menschen van dezen tijd een vreemde blijven.
Het groote verschil tusschen Rome en Reformatie ligt niet in de aanbidding van hetgeen eenmaal geschiedde in Bethlehems stal en aan het kruis van Golgotha, maar dat verschil wordt openbaar bij de beantwoording van de vraag : hoe wordt het heil, dat de Zone Gods door Zijn vleeschwording en vleeschbreking ons verworven heeft, ons toegeëigend.
Rome meent, dat dit heil den mensch niet ten goede kan komen tenzij de Zone Gods telkens weer opnieuw vleesch wordt en telkens weer Zijn vleesch laat verbreken door den dienst der Roomsche priesters.
Bij Rome doet de Kerk door de Sacramenten, wat wij belijden als het eigen werk van Christus door den Heiligen Geest.
Daarom verwerpen wij de Roomsche Sacramentenleer als een verloochening van Christus' werk en vervloekte afgoderij.
De Heere Christus blijft met ons alle de dagen en Hij gaf Zijn Middelaarswerk, na Zijn hemelvaart, niet over aan de Kerk. Hij is nu eerst recht onze Middelaar en Zaligmaker, Die Zelf door Zijn Woord en Geest ons toeeigent — Hij in eigen persoon — hetgeen Hij in de dagen Zijner vernedering ons heeft verworven. En dat geschiedt, doordat Hij Zelf ons in Zijn gemeenschap brengt.
Het geloof is niet maar het aanvaarden van hetgeen de Kerk leert, het is niet een voor waarachtig houden van een stel waarheden, maar het is „amen zeggen" op Gods openbaring.
En opdat wij die openbaring, die beloften Gods te vaster zouden gelooven, heeft de Heere de Sacramenten gevoegd bij de beloften. Als het geloof aanwezig is en werkzaam is met de inhoud van het Sacrament (d.i. de belofte des Evangelies), dan kan de volle kracht van het Sacrament zich laten gelden.
Kan — want deze kracht dankt het Sacrament aan de souvereine werking des Heiligen Geestes. Wanneer het Hem behaagt Zich van het Sacrament te bedienen als genademiddel, dan, en dan alléén, gaat er kracht van uit. Hij brengt, naar de woorden van Calvijn, de uiterlijke woorden en Sacramenten van de ooren en oogen tot in de ziel over. De Geest versterkt ons geloof, doordat Hij die versterking in onze harten ingrift en krachtig maakt. (Institutie IV, XIV, 10).
Dit nu wordt ons gewaarborgd door de waarachtigheid des Heeren, Die immers Zelf de Sacramenten instelde. Daarom zal het ook geschieden.
Zoo zijn dan de teekenen niet ijdel, noch ledig, om ons te bedriegen, want Jezus Christus (het Woord, dat is vleesch geworden) is hun waarheid, zonder Wien zij niet met al zijn zouden. (Ned. Gel. bel. Artikel 33).
Bij de Sacramentsbediening is er dus tweeerlei handeling : een handeling van Gods zijde en van 's menschen zijde. Het Sacrament is genade-middel (instrumentum gratiae) : de Heilige Geest getuigt van de belofte des Evangelies en biedt deze aan. Daarom is het Sacrament juist hulp-ondersteuningsmiddel (adjumentum) des geloofs : het geloof grijpt de belofte aan.
In den weg van deze geloofswerkzaamheid, welke de Heilige Geest opwekt, wordt de aanbieding der genade, schenking én aanvaarding, verzekering èn zekerheid*.
In deze omschrijving wordt het onderscheid tusschen Rome en de Reformatie kort en duidelijk weergegeven.

DE GEMEENE GRATIE.
We spreken van particuliere genade en van gemeene gratie.
Met de particuliere genade bedoelen we dan de zonde vergevende gunst des Heeren in Jezus Christus over al de Zijnen, die Hij in Jezus Christus heeft uitverkoren ; 't welk aan ieder der beminden Gods, in zichzelf niet anders dan verdoemelijke zondaren, persoonlijk aan de ziele wordt geopenbaard, bekend gemaakt, toegepast en genoten wordt.
De gemeene gratie of algemeene goedheid Gods is heel iets anders. Dat is niet zaligmakend. Dat is niet persoonlijk genadebewijs in de uitdelging van zonde en schuld, verlossing van de straf en recht geven op het eeuwige leven. Dat raakt de algemeene liefde Gods, die uitgespreid ligt over al het geschapene en over alle menschen. „Die Zijn zon doet opgaan over boozen en goeden en regent over rechtvaardigen en onrechtvaardigen" ; willende dus zegenend neerzien op alle menschen.
Zaligmakend is die gemeene gratie of algemeene goedheid Gods niet. Maar sparend en bewarend en zegenend is zij wel en wel in ruime en rijke mate, zoodat het Woord ons telkens oproept den Heere daarvoor groot te maken. „O, Heere, onze Heere, hoe heerlijk is Uw Naam op de gansche aarde. Gij, die Uw majesteit gesteld hebt in de bovenste hemelen !" Zijn goedheid ligt uitgespreid over al Zijne werken ! We kunnen het overal en altijd weer zien.
Wilt ge een paar voorbeelden van die gemeene gratie?
Wij hebben door Gods algemeene goedheid nog de heerlijke gaven van ons verstand. Wel is het Beeld Gods in engeren zin verloren gegaan en het Beeld Gods in ruimeren zin geschonden : en ons hart is boos en ons verstand verduisterd — maar er zijn nog zooveel overblijfselen door Gods algemeene goedheid bewaard en het zondige hart kan nog zooveel goeds, het verduisterd verstand kan nog zooveel moois voortbrengen. Niet in den zin van hetgeen tot zaligheid noodig is; dan is het alles zonde en verdoemelijkheid wat de mensch voortbrengt; maar rakende de samenleving, het burgerlijk-, het natuurlijk leven. Dan is er in deze zondige wereld, die door en door zondig is, nog zooveel goeds en edels en moois en schoons, door Gods gemeene gratie en zegenende algemeene goedheid.
Dat we ingenieurs hebben, die ons tegen de gevaren van het water kunnen helpen beveiligen, die bruggen kunnen bouwen, dat we over breede rivieren kunnen loopen of rijden, die dijken weten aan te leggen, plassen weten te maken tot vruchtbare landerijen — dat is Gods gemeene gratie.
Dat we dokters hebben, die de medicijnen kennen en de geneesmiddelen weten toe te passen; dat we onze operateurs hebben, die weten in te grijpen, als er gevaren dreigen, soms doodsgevaar, en dan hulpe mogen bieden en genezing mogen brengen —, dat is Gods gemeene gratie.
Dat er kunstzinnige menschen zijn, die in boek, lied, schilderstuk, beeldhouwwerk, en zooveel meer allerlei schoons weten voort te brengen, soms zoo wonderschoon en zoo verkwikkend, zoo vormend en zoo opbouwend — dat is Gods gemeene gratie.
Dat er natuurlijke liefde is tusschen man en vrouw, ouders en kinderen, broers en zusters, vrienden en vriendinnen, dikwijls met zulke edele daden en zulke treffende bewijzen van hartelijke toegenegenheid en opofferende liefde — dat is Gods gemeene gratie.
Dat er een geordend burgerlijk leven is, in stad en dorp, in onze provincie en ons vaderland, met overheid en regeering en bestuur, met wetten en ordeningen, met rechtspraak en bestuur, met politie en brandweer —, dat is Gods gemeene gratie.
Dat alles niet wild en woest, als ware de hel losgebroken, tegen elkaar invliegt en elkaar verteert —, dat is Gods gemeene gratie.
't Zou ons vergaan als de kudde zwijnen in het land der Gadderenen, als de Heere de teugels losliet en Zijn bescherming en bewaring introk, als Hij een einde maakte aan die gemeene gratie.
Dan voeren alle duivelen in ons en als een wilde zwijnentroep zouden we leven en straks nederstorten in de diepte !
Wat is Gods gemeene gratie rijk en heerlijk !
We hebben maar enkele dingen genoemd.
Maar we voelen, dat we o zooveel goeds, zooveel wat tot zegen is, te midden van al de ellende, aan de gemeene gratie te danken hebben, zonder welke hier op deze gevallen wereld niet eens redelijk en zedelijk leven denkbaar is !
Maar — tot zaligheid voor ons en voor onze kinderen moeten we nog iets anders, iets hoogers en iets dat heerlijker is, leeren kennen !
We kunnen alleen maar getroost leven en straks welgetroost sterven, niet als de zegeningen van de gemeene gratie ons deel zijn en meer niet; neen ! dan alleen zullen we de zaligheid kennen en beërven, die 'blijft tot in eeuwigheid, als Gods bijzondere genade in Christus, in de schuldvergevende kracht van b het bloed van Golgotha, ons persoonlijk eigendom mag zijn ; waarvan de Heere dagelijks doet getuigen in 't midden van de grootste zondaren,
't Gaat er om, dat we door genade mogen zeggen: „Dit is mijn éénige troost, beide in Ieven en sterven, dat ik niet mijns, maar mijns getrouwen Zaligmakers Jezus Christus eigen ben, A Die met Zijn dierbaar bloed voor al mijne zonden volkomen betaald heeft en mij uit alle geweld des duivels verlost heeft, en Die mij door Zijn Heiligen Geest van het eeuwige leven verzekert". (Catech. Zondag 1).

KOHLBRUGGE
4. De reis naar het Wupperdal.

De strijd tegen de aanvallen van den Staat en van de koninklijke macht: tegen haar pogingen om de Kerk meer éénvormig te maken, werd met alle energie door de gemeente te Elberfeld voortgezet. De Gereformeerde gemeente sprak op de vergaderingen van de Synode onbevreesd haar veto uit tegen besluiten, die de vrijheid en de rechten der Kerk wilden aantasten en bestreed dapper het streven van den Pruisischen Koning. Krummacher bleef in deze strijd de gemeente ernstig vermanen. De geheele gemeente had een afkeer van liturgische nieuwigheden en met recht kon de Kerkeraad zich beroepen op de ernstigste leden der Kerk, toen hij de Katholiek klinkende doopformule, het kruisbeeld, de kandelaar op de Avondmaalstafel en het werpen van aarde op de doodkist als Roomsche gebruiken van de hand wees.
Maar men bleef niet consequent. De koning was bereid de oude vrije synodale Kerkorde te handhaven, als men alleen maar een weinig wilde toegeven in het liturgisch vraagstuk. De Synode van Keulen, in het jaar 1830, besloot dan ook eenparig de „kleine liturgie" in de gemeenten in te voeren. Bij de viering van het eeuwfeest van de Augsburgsche Confessie (in 't jaar 1830) werd dit uittreksel uit de liturgie in de Gereformeerde Kerk, ook in Elberfeld, plechtig voorgelezen.
Dr. Friedrich Wilhelm Krummacher was een buitengewoon innemende persoonlijkheid door zijn uiterlijke verschijning, zijn groote begaafdheid en zijn oprechte vroomheid. Iedereen bewonderde zijn geweldig preektalent, zijn onverschrokken optreden en zijn fijne manier om met menschen om te gaan. Maar men voelt zich in zijn nabijheid nooit heelemaal veilig. Men vreest dat hij plotseling ook anders zou kunnen zijn. Alles draagt bij hem een zeer subjectief karakter. IJdelheid was hem niet vreemd en het ontbrak hem aan de onbuigzame standvastigheid tegenover de hoogere machten. Juist van hem had Kohlbrugge groote dingen verwacht. Maar  hij ontdekte bij hem spoedig een vreemde geest. Kohlbrugge heeft hem niet gerekend tot degenen, die hem verstonden en bij Wie zijn gedachten ingang vonden. Al kwam dr. Friedrich Wilhelm Krummacher hem aanvankelijk ook met de grootste vriendelijkheid tegemoet — trouw bleven den gast uit Holland alleen Gottfried Daniël Krummacher en de predikanten Nourney en Kohl. Kohlbrugge's brieven uit die dagen prijzen telkens weer een „ouden" Krummacher. Wat hem van de overige predikanten scheidt, is, naar zijn meening, de „pelagiaansche" geest, die in hen woont. Ook Ball, die destijds nog candiaaat was, de zoon van den leerhandelaar en leerling van den ouden Krummacher, beviel Kohlbrugge niet. Ook hem rekent hij tot de Remonstranten. Deze geest kenmerkte over het algemeen de vroomheid in het Wupperdal, de meening namelijk, dat het geloof bestaat in vrome werken, op grond waarvan wij de zaligheid verkrijgen. Kohlbrugge Kon ook niet inzien, dat het Wupperdal zich van de groote steden in Holland, Amsterdam of Utrecht, wezenlijk onderscheidt. Het dienen van de wereld scheen hem ook hier hoogtij te vieren. De diepzinnige leer van de eeuwige verkiezing, die alleen Gods macht prijst, en ook de vrome mensch als volkomen onmachtig beschouwt, werd hier in het Wupperdal niet verstaan.
Had Kohlbrugge niet volkomen gelijk ? Heeft niet Friedrich Wilhelm Krummacher, deze meest karakteristieke persoonlijkheid in den opwekkingstijd, precies eender geoordeeld ?
Heeft hij ook niet gemeend, dat men hier in het Wupperdal eerder dan van piëtisme van geestelijk industrialisme kan spreken ? „Want waar is men vindingrijker in het stichten van vereenigingen tot uitbreiding van Gods Koninkrijk ? Waar vindt men een grootere ijver voor de Zending, voor Bijbel-en tractaatverspreiding, voor het v; erk van de Jongelingsvereenigingen en alle andere takken van christelijke arbeid ? En waar vindt men een grootere offervaardigheid, wanneer het deze doeleinden of een vermeerdering van het aantal kerken, scholen of predikanten betreft, dan hier in het Wupperdal ? "
Kohlbrugge logeerde in de woning van Nettelbeek te Elberfeld. Op 26 Juni was Kohlbrugge aangekomen en reeds de volgende dag bracht hij een bezoek aan 't Zendingshuis te Unterbarmen, met zijn kleinen jongen aan de hand. Met groote hartelijkheid werd hij daar begroet, vooral door Friedrich Wilhelm Krummacher. Spoedig werd hij uitgenoodigd om over zijn lotgevallen te vertellen. Zijn woorden maakten diepen indruk. Kohlbrugge bevond zich midden in het Wupperdal. Hij was echter niet 'van plan hier lang te vertoeven. De Julimaand wilde hij in Ruhrort doorbrengen en in Augustus weer thuis zijn. Want hoe goed het hem ook in Duitschland beviel en hoe gunstig de verandering van lucht op zijn gezondheid werkte, toch had hij een vurig verlangen naar zijn lieve kinderen, naar het volk des Heeren en naar zijn dierbaar vaderland.
De welwillendheid, waarmee Krummacher hem tegemoet trad, ging zoó ver, dat hij voor de eerstvolgende Zondag den vreemden candidaat in de theologie zijn beroemde kansel ter beschikking stelde.
(Wordt voortgezet).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 september 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 september 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's