De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJKE RONDSCHOUW

26 minuten leestijd

DE PRINSES VERLOOFD
Op 't alleronverwachts kwam de blijde tijding, waarnaar door ieder recht geaard Nederlander en trouwe Oranjeklant reeds zoo lang was uitgezien : De Prinses is verloofd ! En overal was er vreugd, 't Was aardig om te zien hoe hier en daar de menschen bij elkaar stonden en druk pratend over deze heuchelijke tijding van gedachten wisselden. En telkens zag men weer een vlag te voorschijn komen, rood, wit en blauw, maar ook dikwijls de Oranjevlag.
Ons volk houdt van het Oranjehuis. Onze Koningin hebben we hartelijk lief. Maar niet 't minst voelt ons volk warm voor de Prinses !
En nu staat zij opeens in het middelpunt van de belangstelling op een manier, waaruit wij hoe heel hartelijk ons volk hoopt, dat Hare Koninklijke Hoogheid een gelukkig leven mag tegemoet gaan. 't Is alsof de hoop vernieuwd is onder ons volk. De Oranjeboom staat er, sinds de laatste jaren, zoo eenzaam en de takken zijn niet vele. Maar ziet, daar stijgt de vreugde bij het volk, dat Oranje lief heeft. En het gebed gaat op tot God : O, Heere, spaar den Oranjeboom; laat zijn kracht vernieuwd mogen worden en laat zijn plaats weer mogen zijn in 't midden der natie, met blijde hope voor de toekomst!
Prins Bernard van Lippe—Biesterfeld, met wien onze Prinses zich verloofd heeft, is 25 jaar oud en stamt uit een oude Duitsche grafelijke familie, die mee door de zware tijdsomstandigheden veel geleden heeft. De vader van den Prins, ook Bernard geheeten, woonde kort na zijn huwelijk aan de Poolsche grens, op zijn bezitting Woynowo bij Bomst. Het was een heerlijkheid, vele duizenden morgen land groot, welke tot de erfenis van zijn vrouw gravin Cramm—Crieven behoorde. Prins Bernhard, de oudere, werd grootgrondbezitter en bleef dat tot aan het einde van zijn leven. Maar de November-revolutie kwam met ruw geweld en beroofde ook deze familie van een groot gedeelte van het familie-vermogen. En de inflatie van de na-oorlogsche tijd kwam daar nog bij en dit alles tezamen was oorzaak, dat een stiller en eenvoudiger leven gezocht werd.
Twee kinderen waren er, beide In Jena geboren, Benno in 1911 en Aschwin in 1914.
De oude Prins Bernhard is in Juni 1934 gestorven en zijn vrouw woont als weduwe pp het slot te Detmold, waartoe het omliggend landgoed en het meer nu nog behoort. Al haar liefde en zorg is nu voor haar twee zoons.
Prins Bernhard, met wien onze Prinses nu verloofd is, moet een eenvoudig, werkzaam, vriendelijk man zijn, die bij het volk, waarmee hij omgaat, zeer populair en bemind is. Hij heeft te Berlijn gestudeerd en is Meester in de rechten, terwijl hij zich veel interesseert voor 't geen het welvaren des volks kan bevorderen.
De Prinses heeft haar verloofde het laatste jaar meer dan eens ontmoet, vooral gedurende haar laatste vacantie, welke zij met haar Moeder in Zwitserland doorbracht. En de ontmoeting is van dien aard geweest, dat nu Hare Majesteit de Koningin blij en gelukkig, als een groote verrassing, aan Haar volk kon en mocht bekend maken, dat deze twee jonge menschen besloten hebben met elkaar te trouwen.
Alom is de bede in Nederland, dat de Heere, Die zooveel jaren en eeuwen den Oranjestam beschermde en zegende, ook nu in gunste en in genade op ons Vorstenhuis mag neerzien pm aan de Prinses, straks met den Prins Gemaal, een lang en gelukkig leven te geven, saam in liefde verbonden, en door heel 't volk teer bemind.
O, Hemelheer ! Zie van den Hoogen Op Nassau's huis, zoo glorierijk, Gestadig neer ! En doe het bogen Op Uwe gunsten eeuwiglijk.
„Oranje boven !" blijv' de kreet, In nood en dood, in lief en leed; Geen and're ga daarboven, Dan — waar we God mee loven !
Het beste, dat in Neêrland kwam, Was, na Gods Woord, de Oranjestam.
Geen vorst en volk, zóó nauw verwant Als Nassau is en Nederland.
Zij hooren bij elkander Oranje en Nederland ; Dat niemand dit verander God legde Zelf dien band.

ENKELE HERINNERINGEN
Oranje is niet uitgeroeid!
Dat is wel een groot wonder ! En we hebben de daden des Heeren te vermelden. Want het is God die het gedaan heeft, in Zijn groote liefde en met oneindige trouw.
Den 23sten November 1890, in „den barren winter van '90", ging de droeve mare : „de Koning is dood !" Willem III was niet meer. Ook waren de Prinsen Maurits, Willem en Alexander gestorven, 's Konings Oom, Prins Frederik en 's Konings broer, Prins Hendrik, waren ook niet meer in 't land der levenden. Koningin Sophie was reeds in 1877 gestorven. Ook Prinses Sophia, 's Konings zuster, was dood. Toen viel de laatste Oranjetelg in 1890, Koning Willem III.
Maar 4 December, bij den Koninklijken grafkelder staande in de Nieuwe Kerk te Delft, kon de grijze hofprediker ds. van Koetsveld zeggen : „zoo is dan ons Koningshuis uitgestorven, maar, Gode zij dank — niet geheel!"
Een teer plantje was er nog. Want 31 Augustus 1880 was uit het huwelijk van Koning Willem III met Prinses Emma van Waldeck Pyrmont „die Koningsvrouwe, die heeft er gevangen ons hart", een dochter geboren : Wilhelmina Helena Paulina Maria. En God heeft dat teere plantje bewaard !
Den 16den October 1900 deed een proclamatie der Koningin, van Het Loo uit, aan Haar volk de mededeeling, dat Hare Majesteit verloofd was met Zijne Hoogheid Hertog Hendrik van Mecklenburg—Schwerin. Kort daarop begaf het verloofde paar zich naar Den Haag en Amsterdam, door het volk met blij gejuich begroet.
Den 7den Februari 1901 werd het huwelijk voltrokken. De hofprediker dr. G. J. van der Flier sprak naar aanleiding van Psalm 4 vers 7b : „Verhef Gij over ons het licht Uws aanschijns, o Heere !"
30 April 1909 werd den volke bekend gemaakt, dat, na droeve teleurstellingen in deze te hebben ondervonden, een Koningsdochter was geboren, die den naam zou dragen van Juliana, genoemd naar die uitnemende Vrouwe, die als moeder van het Huis van Oranje-Nassau zulk een grooten invloed geoefend heeft. Als een biddende moeder heeft Juliana van Stolberg, gravin van Nassau, den nood van haar kinderen op het hart gedragen, maar zich ook ten zeerste bekommerd om het volk, voor welks stoffelijk en geestelijk welzijn haar zonen, vooral Prins Willem van Oranje, goed en bloed hebben veil gehad. Een voorbeeldige vrouw, in wier hart de Heere reeds vroeg de zaden van godsvrucht had gezaaid en die als lijfspreuk had : „wilt doch niet het tydlick soet 'n stellen boven het eeuwigh goet".
En nu is onze Prinses Juliana verloofd en zal, zoo God wil, spoedig in het huwelijk treden.
Onze bede is : „O God, doe d' Oranjezonne, voor ons nimmer ondergaan". Ons gebed is : „Geef, Heer ! in Uwe Raadsbesluiten, d' Oranjestam weer nieuwe spruiten".
'Onze bede is ;
D' algoede God zij U genadig  En zeegne U met overvloed ; Hij doe Zijn aangezicht gestadig U lichten en Hij zij U goed !
En onze smeekbede mag wél bij vernieuwing wezen in deze dagen :
Brak van d' eedlen stam bij 't bloeien Tak bij tak — Gods wil geschiedt. Doe Hij de Spruite, die Hij liet In een liefelijk verschiet Over 't erfelijk gebied Weer met dichte lommer groeien. Tot zóó breedgetakten stam Als Zijn wijsheid van ons nam !

ONZE TAAK
Troffel en Zwaard.

De titel van dit artikel — onder ons zoo wèl bekend — is ontleend aan een beschouwing, die we lazen in de Geldersche Post, christelijk orgaan voor de Provincie Gelderland, waarin zoo ernstig gewaarschuwd wordt tegen verdeeldheid in eigen kring. We moeten niet verstrooien, maar vergaderen; niet verdeden, maar verzamelen ; niet breken, maar bouwen.
Met name dr. Colijn, onze kloeke Minister-President, heeft er tegen
gewaarschuwd op de laatste jaarvergadering van de Vrije Universiteit, onlangs gehouden te, Haarlem. En wij verstaan zoo goed, dat hij er behoefte aan had om, op zijn geheel eigene manier, op dit gevaar dat rondsluipt in den broederkring, de aandacht te vestigen en er tegen te waarschuwen. De geest der saambinding is zoek onder degenen, die één in geloof en belijdenis zjjn. En dat juist in dezen tijd, die zoo moeilijk en zoo zwaar is en die voor de toekomst zooveel in z'n schoot draagt. „Toen Jeschurun vet werd" — klaagt de profeet van de Oude Bedeeling  „sloeg hij achteruit". Heeft de Heere daartoe ons zoo rijkelijk gezegend, dat wy in onderling krakeel 't vele goede, dat Hij ons genadig gaf, zouden gaan verderven ?
Hierin werkt een geestelijke zelf verblinding, die tot het uiterste van den verderfelijken weg leidt, insteê van op het ter onzaliger ure ingeslagen pad terug te keeren. En we maken ons dan ook geen illusie, dat degenen, die meer lust hebben in breken dan in heelen, in verdeden dan in verzamelen, in verstrooien dan in vergaderen, de „eigenaardige" wijze van handelen zullen willen gaan nalaten. De tijd is ernstig genoeg om tot bezinning te roepen. De nood is groot. Maar wanneer men eenmaal door dien geest bezield is, schijnt het zoo moeilijk, ja, schier onmogelijk, er zich van los te maken
De Geldersche Post herinnert in dit verband aan iets, wat 25 jaar geleden gezegd is door dr. A. Kuyper in zijn rede : „Uit het diensthuis uitgeleid", 't Luidt als volgt:
»Karaktervastheid ontaardt zoo licht in, halsstarrigheid, zoo niet in koppigheid, en er zijn in onze landshistorie o zoo smadelijke bladzijden met de spotbedden van echt-domme eigenzinnigheden gevuld. Na moet met dank erkend, dat we in de bange jaren, toen we in het diensthuis opgepropt bijeen zaten, hiervan minder geleden hebben. Maar toch, zóó waren we het diensthuis niet uitgeleid, of ook nu weer kwamen er sporen van wat in de 17de eeuw ten slotte alles bedierf. Hier en daar weekte weer de een van den ander los. Vlaggetje na vlaggetje ging weer met eigen kleuren omhoog. Zelfs kwam er weer verkoeling in sommiger hart van de broederlijke liefde. Daarom ga ook tegen dit kracht-ondermijnend individualisme de stem mijner ernstige waarschuwing uit. Ik geef toe, het eischt de hoogste inspanning om onvervalscht met eigen stem, en dan toch in zuivere harmonie met de broederen, te zingen, maar juist in het bereiken van dit hoogste moet liggen het ons wenkend ideaal«. (bladz. 17).
De Geldersche Post schrijft daarbij : »Troffel èn zwaard !" zijn onze symbolen.
Maar dan toch het zwaard enkel gekeerd tegen den vijand: den belager van Gods Koninkrijk; niet, om in onderlingen broederkrijg te verteren !
Als deze eenvoudige waarheid — het abc der Christelijke belijdenis ! — meerdere beoefening onder ons vond, hoe zoude de kracht van het Christelijk geloof meer blij ken ; op èlk terrein van het leven«.

AAN ’T WERK!
In vervolge en in aansluiting aan het bovenstaande willen we nog dit zeggen.
September is weer in het land. Dan is de vacantietijd voorbij. De werkperiode is weer aangebroken. Straks zitten we weer volop in allerlei arbeid, en het is gelukkig als de Heere ons daarvoor de krachten en de gelegenheden wil geven. October, November, December : 't zijn van ouds de maanden, dat alles weer met kracht wordt aangepakt, vooral onze geestelijke arbeid, in de Kerk en in onze Vereenigingen. En dan is September de maand van 't opmaken van ons werkprogram. Ook wat de Afdeelingen van onzen Gereformeerden Bond betreft!
Met onze „Waarheidsvriend" moet een nieuwe campagne worden begonnen. Niet om af te breken, te verstrooien, of verdeeldheid te zaaien. Maar om verzamelen te blazen onder allen die, aan ons Bondsprogram getrouw, willen medewerken aan de verbreiding en aan de verdediging der Waarheid in onze Hervormde (Gereformeerde) Kerk. Wij willen de rechten — de voorrechten — waarop onze Hervormde Kerk krachtens haar belijdenis en haar historie aanspraak mag maken verdedigen. Wij willen er voor op komen, dat zij verlost wordt van die allerongelukkigste Synodale besturenorganisatie, niet ten onrechte het staatscreatuur van 1616 genoemd. De Kerk, onze Hervormde Kerk, heeft recht op haar belijdenis en op 't geen de belijdenis haar waarborgt : dat zij als Gereformeerde Kerk, met haar Gereformeerde belijdenis en haar Gereformeerde wijze van samenleving en Kerkregeerlng, zich mag en kan en zal openbaren in 't midden van ons volk. Dat zij dan weer worde opgericht uit haar diepen val en weer mag worden aangedaan met nieuwe kracht, tot zegen van land en volk!
De geschiedenis heeft nu wel geleerd, dat het niet moet gaan in den weg van separatie of van doleantie. De scheuring en verbrokkeling is ontstellend onder degenen, die de waarheid Gods liefhebben en wenschen te belijden en te beleven in 't midden van ons volk. En de eindelooze rij van splitsing en afscheiding, hier en elders en overal, schijnt nog niet groot genoeg te zijn, want 't gaat nóg maar voort om telkens iets anders te willen, dan tot heil van onze aloude Hervormde Kerk nuttig en noodig is. Men wil het telkens „weer anders zeggen, dan anders", zooals 't in de volksmond heet. Men wil zoo graag iets „bijzonders" zijn ; men wil zoo graag excentriek doen ; en 't is al maar afbreken, inplaats van opbouwen, al maar verstrooien, inplaats van vergaderen. En de een biedt nog een hooger bod dan de andere durfde te doen.
Welnu dan, laat onder óns die geest van scheuring en splitsing, van verstrooien en afbreken, worden uitgebannen en laat ons door heel 't land onze Gereformeerde broeders en zusters vergaderen tot één, om in hartelijk samenwerken, met ijver en trouw en liefde, te doen wat onze hand vindt om te doen, tot wederopbouw en tot herstel van onze aloude Vaderlandsche Kerk. De Heere bewaarde onder ons zooveel goeds. Wanneer wij het vergelijken met andere landen, wat mogen wij dan ontzaglijk groote en vele voorrechten genieten. Gaat naar België, reist door Frankrijk, bezoekt Duitschland, neemt uw route door Oostenrijk en Hongarije, reist door naar Italië. Hoort wat er omgaat in Amerika. Neemt ter harte wat er te doen is in Zuid-Africa. Zijn het niet alle landen waar de Heere in vorige tijden groote dingen heeft gedaan en groote zegeningen heeft geschonken ? En hoe is 't nu daar gesteld, in vergelijking van 't geen de Heere ons volk en ons Vaderland schonk en liet en sinds bewaarde?
Adeldom verplicht! En de voorrechten, die we mogen genieten, leggen groote verantwoordelijkheid op ons.
En daarom gaan we aan 't werk, de jongeren en de ouderen!
En we gaan bij vernieuwing troffel en zwaard hanteeren, om te verbreiden en te verdedigen de Waarheid in 't midden van onze Hervormde (Gereformeerde) Kerk, opdat zij door Gods ontferming, mee door onzen arbeid mag worden opgericht uit haar diepen val, om met nieuwe kracht te worden aangedaan en te mogen staan in 't midden des volks, als de Kerk van ouds door den Heere gezegend, om een getrouwe getuige te zijn van Jezus Christus, Sions Koning, Die gezegd heeft en nog dagelijks wil bevestigen: Ik ben met ulieden — Mijn genade is u genoeg — Mijn kracht wordt in uwe zwakheid volbracht.
Zijn onze Afdeelingen bereid om met nieuwe lust aan 't werk te gaan?
Wij hopen het van harte.
De Heere, de God van hemel en aarde. Die Sions Bondsgod is en trouwe houdt tot in eeuwigheid, doe het ons gelukken en wij, Zijne knechten, zullen ons opmaken en bouwen ?

WETEN
Weten, meer dan in den zin van geestelijke kennis.
Daarover zegt de Bijbel ons allerlei en telkens weer. En ons geloof kan er niet buiten. We moeten zekere, vaste, betrouwbare kennis hebben van de dingen. We moeten weten — in Wien we gelooven. We moeten weten — wat we gelooven. We moeten veel weten — in geestelijken zin genomen. We zullen altijd veel niet weten — waarbij ons geloof niet wankelt.
We lazen onlangs een stukje over «weten in „De Christenvrouw", Orgaan van den Nederlandschen Christenvrouwerbond. Het was van de hand van de Presidente, mevr. Havelaar—van Beeck Calkoen.
Weten. „Daar hebt ge b.v. het weten, waarover de Heiland spreekt, als Hij zegt: gij weet den dag niet, noch de ure, in welke de Zoon des menschen komen zal". Plaatst deze waarschuwing over ons niet-weten ten opzichte van iets, dat in een oogwenk over ons eeuwig wel of wee kan beslissen, ons niet dadelijk tegenover dat woord van den heiligen Apostel Paulus : „Gij weet zeer wel, dat de dag des Heeren alzoo zal komen, gelijk een dief in den nacht" 1 Thess. 5 : 2, met de toepassing als vervolg in vers 6 : „laat ons dan waken en nuchteren zijn" ; en dat andere woord, waarin sprake is van een verantwoordelijkheid, zoowel wat betreft het eigen geloof, als ten opzichte van de roeping, die de geloovige heeft om door te geven: wij dan wetende den schrik des Heeren, bewegen de menschen tot het geloof". 2 Cor. 5 : 11.
Ook voor ons tijdelijk leven is er een weten, dat als een eisch tot ons komt, van welken eisch we ons niet zelden „tegen beter weten in" afmaken willen. We bedoelen het weten, dat als een gebod tot ons komt: Weet gij niet, dat Uwe lichamen leden van Christus zijn, weet gij niet, dat ulieder lichaam een tempel is van den Heiligen Geest, en dat gij uws zelfs zijt ? " 1 Cor. 6 : 15 en 19.
Een lid van Christus, een tempel van den Heiligen Geest, zonder de vrije beschikking over dat lichaam. „Uws zelfs niet zijt" zooals de Apostel zegt.
Laten wij nu ons dagelijksch leven daar eens naast leggen. Is dan niet véél, is dan niet alles een aanklacht tegen ons ?
De Apostel zegt: weet gij niet" ? En hij bedoelt, dat wij het stellig wel weten. En ja, wij weten het ook zéér wel. Maar God helpé ons! En als wij over die aanklacht wanhopig zouden willen worden, dan brengt God de Heilige Geest ons een ander woord van Paulus in de herinnering, en wij veeren weer óp. „Wij weten niet, wat wij bidden zullen gelijk het behoort, maar de Geest Zelf bidt voor ons". Rom. 8 : 26. Wij weten niet, maar Hij weet het wel. — En dan ten slotte de jubel van het weten waarvan de Heilige Schrift spreekt.
„Wij weten, dat dengenen, die God liefhebben, alle dingen medewerken ten goede". Alle dingen. Wij zeggen het in dagen van voorspoed. Ook, als alles anders gaat, dan wij het zouden wenschen, als het soms haast te zwaar is om te dragen ?
En dien anderen jubel des geloofs, kunnen wij dien eerlijk tot de onze maken : „wij weten, dat zoo ons aardsche huis dezes tabernakels gebroken wordt, wij een gebouw van God hebben, eeuwig in de hemelen" 2 Cor. 4 : 14. .
„Ik weet, wien ik geloofd heb, en ben verzekerd", 2 Tim. 1 : 12. En dat andere: ik ben verzekerd" uit Rom. 8 : 38. „Ik ben verzekerd, dat noch dood, noch leven, noch engelen, noch overheden, noch machten, noch tegenwoordige, noch toekomende dingen, noch hoogte, noch diepte, noch eenig ander schepsel, ons zal kunnen scheiden van de liefde Gods, welke is in Christus Jezus onzen Heere".
Kennen wij iets van de geweldige beteekenis ervan in eigen leven ? "

DE KRACHT EN DE BETEEKENIS VAN DEN GODSDIENST.
De godsdienst is voor de binnenkamer, heeft het liberalisme altijd gezegd. Buiten de deur van het bidvertrek mag de godsdienst dan niet komen. Van wege de heiligheid en de teerheid — zegt men. Maar dan staat de godsdienst buiten het leven. In de school mag men er niets van merken : God er buiten ! In de wetenschap niet: Godsdienst bestaat daar niet! In de politiek niet, bij de maatschappelijke vragen niet — de Godsdienst, dat is God, dat is Zijn Woord, er buiten !
De geest dezer eeuw werd daarin openbaar. En ons voorgeslacht, dat God vreesde, heeft een ander geluid laten hooren. De geestelijke strijd is aangebonden met het geestelijk zwaard, dat is Gods Woord, welk Woord een scherp zwaard is en doordringt in al de drogredeneeringen van een geslacht, dat de goden van den tijd hoogelijk vereert.
Bilderdijk, Da Costa, Groen van Prinsterer hebben het Woord des Heeren weer naar voren gebracht en geroepen : ken den Heere in al uwe wegen, wijsgeeren, (kunstenaars, politici, economen, onderwijzers, opvoeders der jeugd, ja, allen gij, hoog of laag van stand !
De godsdienst, het geloof, de vreeze Gods, de vroomheid — overal, altijd en in alles ! Tegen de Revolutie het Evangelie !
In het jaar 1900 in de Kamerzitting van 6 December sprak dr. A. Kuyper als volgt: „En nu vergissen de heeren aan de overzijde zich volkomen, wanneer zij meenen, dat het ons genoeg is, zoo maar nu en dan en op enkele punten, zekere dosis godsdienst in de politiek wordt gemengd. Neen, Godsdienst in den zin van vroomheid genomen, is inderdaad een zaak van het hart en van het stille leven. Vroomheid als zoodanig heeft met de politiek niets anders te maken, dan dat ze ons in de politiek ernstig steunt en recht en eerlijk doet handelen. Maar dat is volstrekt niet wat onze eisch als geloofspartij bedoelt. Laten de heeren het woord godsdienst eens in tweeën splitsen, dan wordt het de dienst van God, en dan vragen wij of iets of iemand aan den dienst van dien God onttrokken kan worden ; of niet wanneer God God is, alles wat 'bestaat Hem dienen moet; en of niet in het persoonlijke, huiselijke, maatschappelijke, en zoo ook in het staatkundige leven de roeping tot elk onzer uitgaat, om toe te zien, dat ook het volk als volk en zoo ook de Overheid, die over dat volk heerscht, in een staat, dat is in wetgeving en bestuur. Hem diene en gehoorzame, en dus worde ingericht naar Zijn wil (Handelingen der Tweede Kamer. 6 December 1900, blz. 564).

DE LEER (1)
De Apostel Paulus heeft het telkens, vooral in verband met de ordening der gemeenten van Jezus Christus, over ouderlingen en diakenen, die de gemeente recht hebben te besturen en de zaken goed moeten behartigen, als dienaren van Jezus Christus — maar dan heeft hij het ook over de leer, de belijdenis, welke er gevonden moet worden, om die te gelooven en te bewaren.
„Indien iemand eene andere leer leert, en niet overeenkomt met de gezonde woorden van onzen Heere Jezus Christus en met de leer, die naar de godzaligheid is" — die daar niet mee overeenkomt: „die is opgeblazen en weet niets, maar hij raast omtrent twistvragen en woordenstrijd, uit welke komt nijd, twist, lasteringen, kwade bedenkingen, verkeerde krakeelingen van menschen, die een verdorven verstand hebben en van de waarheid beroofd zijn " (1 Tim. 6 vers 3—5).
De menschen van „het gezonde verstand" weten 't zelf wel. Die hebben de leer, welke Jezus Christus ons geleerd heeft en waarvan Hij Zelf het middelpunt is, niet noodig.
Maar Paulus oordeelt, dat de menschen van „het gezonde verstand" dwazen zijn, die in hun ongeblazenheid allerlei valsche en leugenachtige dingen uitdenken.
Darom zegt hij aan 't slot van vers 5 : „Wijkt af van dezulken".
We zullen dus goed doen, te vragen naar de leer, die overeenkomt met de gezonde woorden van onzen Heere Jezus Christus ; naar de leer, die naar de godzaligheid is.
En dan denken we aan hetgeen we lezen Joh. 7 vers 15—17. Daar spreekt Gods Heilig Woord aldus : „De Joden verwonderden zich, zeggende: „Hoe weet deze de Schriften, daar Hij ze niet geleerd heeft ? "
Jezus antwoordde hun: „Mijne leer is de mijne niet, maar desgenen, die Mij gezonden heeft.
iZoo iemand wil Deszelfs wil doen, die zal van deze leer bekennen, of zij uit God is, dan of Ik van Mij zelven spreek".
Hier wordt een en andermaal door Jezus Zelf van de leer gesproken. En de vijanden voelen, dat het een leer is overeenkomstig de Schriften, waarin de Heiland thuis is. En de Heiland Zelf zegt, dat het de leer is, welke de Vader, Die Hem gezonden heeft, geleerd heeft. Wie dan ook God lief heeft en Gods wil wenscht te doen, moet zich — zoo zegt de Heiland — naar die leer voegen.
Niemand doet dan ook verstandig, om met minachting neer te zien op en met verachting te spreken van de 1 e er der Kerk van Christus.
Want Paulus zegt, dat we opgeblazen, hoogmoedig en dwaas zijn, als we die leer ver achten.
En de Heiland zegt, dat we God niet liefhebben en Zijn wil niet doen, als we de leer van Christus verwerpen.
Laat ons daarop letten.
Het gaat niet om een of andere willekeurige leer of belijdenis voor de gemeente van Christus. Maar om de leer. Er is maar één leer mogelijk voor de Kerk des Heeren.
Willen we de geschiedenis van Johannes 7 eens even wat nader onder de oogen zien en wat nader samen spreken over de leer van de gemeente des Heeren ?
Het was het Loofhuttenfeest. Daar staat de Heiland in 't midden van de nog luisterende menigte in den tempel, "t Is de laatste dag des feestes. 't Is de ure der waterplenging, dat zóó aangrijpend schoon is, dat de Jood zei: die dat niet gezien heeft, heeft nog niets gezien !
Dan roept de Heiland : „Zoo iemand dorst, die kome tot Mij en drinke. Die in Mij gelooft; gelijkerwijs de Schrift zegt: stroomen des levenden waters zullen uit zijn buik vloeien".
De schare hangt aan Zijn lippen.
Maar er zijn ook afgevaardigden gekomen van de Farizeën en Schriftgeleerden — voor de zooveelste maal — om Jezus allerlei strikvragen te doen en Hem, zoo mogelijk, beschaamd te doen staan voor de oogen van de schare, opdat zij zich van Hem zullen afkeeren.
Ze krijgen weer geen kans. En als straks hun heeren en meesters zeggen, als ze onverrichterzake terugkomen, : „Waarom hebt gij Hem niet meegebracht, om Hem voor ons te stellen" ? moet hun antwoord zijn : „Nooit heeft een mensch gesproken gelijk deze mensch" !
't Is iets bijzonders met dezen Leeraar. Zelf zegt Hij telkens, dat Hij van God gezonden is ; dat Hij en de Vader één zijn ; dat die Hem ziet, den Vader ziet — en ja, ze moeten het bekennen, of ze willen of niet, zooals Deze spreekt en krachten doet, zóó is er nog nooit iemand onder ons opgestaan ! En de schare hangt aan Zijn lippen en zeggen straks : dat is nog wat anders dan de Farizeën en Schriftgeleerden leeren en doen ! Deze is waarlijk Gods Zoon !
In de oogen van de Farizeën en priesters blijft die schare „de domme menigte", die niet ontwikkeld is en lichtvaardig alles maar slikt en gelooft. Evenwel — hun afgezanten zijn blijkbaar óók onder den indruk gekomen en zeggen: „Hoe weet Deze de Schriften, die Hij niet geleerd heeft".
En de schare wordt gedrenkt — op het Loofhuttenfeest — met het levend water, dat uit die fontein vloeit!
In dit verband spreekt de Heiland nu van de leer. Hij, Die zóó in de Schriften thuis is, dat de Schriftgeleerden zich moeten verbazen, zegt, met woorden, aan de Schrift ontleend en met wijsheid van de Schriftuurlijke waarheid vervuld : „Mijne leer is de leer van God en die Gods wil doet, zal bekennen van deze leer, dat zij uit God is", (vers 16 en 17).
De Heiland spreekt als Israëliet tot Israëlieten. En dit is het voordeel van den Jood : hun zijn de Woorden Gods toebetrouwd. Ze hebben Mozes en de Profeten — dat ze die hooren !
En zoo staat Hij hier als met de Schriften in de hand — Hij heeft ze in Zijn hoofd en in Zijn hart, zooals niemand — en zegt tot de schare: „beken van deze leer, dat zij uit God is".
Zijn discipelen bijzonder heeft de Heiland dan ook gebonden aan de Schriften en hun bijzonder op 't harte gedrukt: „beken van deze leer, dat zij uit God is" ; daarbij hun de belofte gevend, dat de Heilige Geest zou komen om hen in alle waarheid, in die waarheid Gods, hun door Hem naar de Schriften geleerd, zou inleiden, opdat zij weer die waarheid zouden kunnen prediken aan alle creaturen.
Hieraan nu is de Kerk des Heeren gebonden. De discipelen zelf konden natuurlijk niet aan alle creaturen die waarheid prediken. Zoo lang zouden zij niet leven. Maar hun woord, hun van den Vader en den Zoon en den Heiligen Geest geopenbaard, zou de Kerk overnemen, bekennende van deze leer, dat zij uit God is.
't Gaat steeds in den weg van die leer.
Moeten de Emmaüsgangers, als ze bezig zijn naar eigen inzichten te wandelen en door eigen voorstelling te dwalen, niet tot die leer van Vader, Zoon en Heiligen Geest, hun in de Schriften geopenbaard, terug gebracht worden ? En gaat hun dan 't licht niet op ? Daalt er dan niet vreugd en vrede in hun hart ? Als die leer, met 't geloof gemengd, in hoofd en hart mag wezen, dan wandelt men veilig en zal men zich aan geen steen stooten.
Als de discipelen, na de uitstorting van den Heiligen Geest, door de kracht en onder de leiding des Geestes, tot de schare spreken, weten ze niet anders dan die leer. Lucas zegt nadrukkelijk : „Zij volhardden in de leer". En de drie duizend en de vijf duizend, die op de prediking der Apostelen zich leeren bekeeren en gedoopt worden, worden tot de schare toegevoegd, en er staat: „zij volhardden in de leer der Apostelen, in de gemeenschap en in de breking des broods en in de gebeden".
Zóó staat de gemeente des Heeren ideaal als geloofsgemeente voor ons! Gebouwd op het fundament der Apostelen en der Profeten, waarvan de kracht is : „Gij zijt de Christus, de Zoon des levenden Gods". Zij heeft in Christus „de Woorden des eeuwigen levens". En zij belijdt die leer, als haar geloofsbezit. Zij draagt die uit In het midden der gemeente. Zij bidt en dankt daarbij. Zij viert des Heeren Avondmaal, belijdende den Christus, „gestorven om onze zonden en opgewekt om onze rechtvaardigmaking".
En zoo trekken de Apostelen uit, zóó is de gemeente des Heeren Zendingsgemeente, om de volkeren te winnen voor dat geloof en te doen staan en te doen leven in die belijdenis; „volhardende in de leer", leerende hen „te onderhouden alles wat Hij hun geboden had".
Wel kan de Jood, die den Christus halsstarrig verwerpt, dan zeggen : dat is iets anders dan de Heere door Mozes ons geleerd heeft. Wel kan de Jood, gerechtigheid des vleesches zoekend en roemend in de besnijdenis des vleesches, dan protesteeren tegen Petrus en tegen Paulus, zeggende, dat zij Mozes ontrouw zijn geworden, hen werpende uit hunne synagogen. Ook kan de Heiden, zoekende de wijsheid der wereld, van het Evangelie, van de prediking der Apostelen, van de leer der Christenen zeggen, dat hij zich ergert aan het Kruis. Maar dat is slechts bev/ijs van hun „opgeblazenheid", verwerpende „de gezonde woorden van onzen Heere Jezus Christus en de leer, die naar de godzaligheid is" (1 Tim. 6 vers 3—5). En geenszins beveelt Paulus aan Timotheüs en aan de andere opzieners der gemeente, voor die „opgeblazenheid" der menschen uit den weg te gaan ! Integendeel. Hij beveelt hen „wijkt uit van dezulken", om te blijven in geloof en in getrouwheid, aan de leer, die hun is overgeleverd, door niemand minder dan door den Heiland Zelf !
[Wordt voortgezet.]

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 september 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 september 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's