NATUUR EN GENADE
X.
Om een goed inzicht te ontvangen in velerlei, dat met het vraagstuk van natuur en genade samenhangt, is het gewenscht even na te gaan, hoe de Roomsche theologie de begrippen natuur en genade verstaat.
Reeds bij de schepping van den mensch maakt men onderscheid tusschen het natuurlijke en het bovennatuurlijke, tusschen des menschen natuur en des menschen bovennatuur.
Onder het bovennatuurlijke verstaat men iedere gave Gods, die tot de menschelijke natuur als zoodanig niet behoort, maar haar door Gods vrije goedheid als iets nieuws wordt geschonken, een donum Dei, gave Gods, natura indebitum, aan de natuur niet toekomend, et superadditum, als boven de natuur uitgaand aan haar toegevoegd.
Als zoodanig is de natuur de veronderstelling van de bovennatuur. De bovennatuur bestaat nimmer op zich zelf, maar alleen als toegevoegd aan de natuur.
Wijl ook de Roomsche theologie den mensch acht te bestaan uit lichaam en ziel, behoort zoowel het lichamelijk als geestelijk bestaan van den mensch tot zijn natuur. Natuurlijk is dus ook alles, wat met deze geschapen natuur samenhangt en uit haar volgt, uit haar krachten en vermogens, uit haar eigenschappen en werkingen. Ook het doel en de taak, die overeenkomend met de natuurlijke vermogens van den mensch hem gezet zijn, worden als natuurlijk beschouwd.
Bovennatuurlijk is dan wat niet tot de natuur van den mensch als zoodanig behoort, wat ook door de natuurlijke krachten en vermogens van den mensch, al werden zij alle tot volkomen ontplooiing gebracht, nooit bereikt kan worden.
Het bovennatuurlijke, aan de menschelijke natuur toegevoegd, zetelt niet in de vermogens van den mensch, zoodat die vermogens door bovennatuurlijke kracht ondersteund, kunnen volbrengen, wat zij anders niet kunnen volbrengen, maar allereerst zetelt het in het wezen van den mensch, waardoor de mensch als het ware 'boven zich zelf wordt uitgeheven en verheven wordt tot een hooger orde van zijn, Waardoor hij tevens deel krijgt aan het leven Gods.
De Roomsche theologie acht, dat de mensch reeds in de schepping met de bovennatuurlijke gaven bekroond is. Met haar liefde voor abstracte begrippen denkt zij zich den mensch wel in blooten natuurstaat en acht het ook mogelijk, dat God den mensch, zoo zou hebben geschapen, maar zij leert niet, dat het zoo geschied is. Want dan ware hij van den beginne af van alle zwakheden onderworpen geweest, die aan de natuur eigen zijn en had de mensch in het paradijs niet een tijd lang staande kunnen blijven in zijn hemelsche roeping. Wel is er een school onder de Roomsche theologen, die leert, dat de mensch een oogenblik buitennatuurlijke gaven heeft gehad om in zijn natuurstaat staande te kunnen blijven en als voorbereiding voor de bovennatuurlijke gaven, maar de meest gewone voorstelling is die van Thomas, dat de bovennatuur den mensch in het paradijs onmiddellijk bij de schepping gegeven is.
Uit deze beschouwing van den mensch volgt ook een eigenaardige, met bovengenoemde gedachten overeenkomende verklaring van zonde en genade.
Door de zonde is niet allereerst de natuur van den mensch geschonden, maar de mensch heeft door de zonde zijn bovennatuur verloren. En wijl hij dezen teugel, die hem alleen in het rechte spoor kon houden, mist, is thans overgegeven aan allerlei zondige begeerten, die in hem woelen.
Geheel in overeenstemming hiermede is het begrip genade gevormd. De genade Gods is voor hem niet allereerst Gods genadige gezindheid, waardoor Hij den mensch zijn zonden vergeeft en hem weder in genade aanneemt; niet, dat zij hier het woord genade niet gebruiken, maar naast deze ongeschapen genade, zooals zij het uitdrukken, staat de geschapen genade en aan deze denken zij bovenal, als zij spreken van de onmisbaarheid van Gods genade. Zij is het bovennatuurlijke leven, dat den mensch wordt ingegoten, waardoor de ziel en haar vermogens boven zich zelf wordt uitgeheven in een hooger orde van zijn en alzoo bekwaamheid ontvangt om een recht goddelijk leven te leiden.
Het behoeft wel geen betoog, dat, als vervolgens nog weer onderscheid gemaakt wordt tusschen de actueele genade en de habitueele genade, dat is de genade, die tot openbaring komt in de bijstand tot verschillende handelingen, en de genade, die als een hebbelijkheid de ziel ingeschapen is, de laatste van het grootste gewicht moet worden geacht; zij is de eigenlijke genade en wordt daarom heiligmakende genade genoemd.
Ofschoon de Roomsche theologen met nadruk ontkennen, dat deze geschapen, hebbelijke genade een substantie op zich zelf is, spreken zij nochtans daarvan alsof het een substantie ware. Dat kan ook moeilijk anders, wanneer men van een geschapen genade spreekt, een geschapen iets, dat in een mensch wordt uitgestort. Temeer, wijl men deze genade langs den weg der Sacramenten den mensch laat toekomen en dan die Sacramenten laat werken ex opere operato. Wat niet wil zeggen, dat die Sacramenten altijd werkzaam zijn, hoe zij ook worden gebruikt, maar dat die Sacramenten de kracht om te werken in zich zelf hebben, zoodat, als zij op de juiste wijze worden gebruikt, zij in hun werking niet feilen.
Het kenmerk van het Roomsche genadebegrip is, dat de genade niet de verwonde natuur van den mensch herstelt, maar boven de natuur als zoodanig uitgaat, dat zij ook niet spreekt van Gods goedheid jegens ons, zoodat de genade in God is, maar dat zij spreekt van iets, dat in den mensch is, dat door Gods vrije goedheid in den mensch is uitgestort. En deze hebbelijke genade betrekt zich niet allereerst op des menschen krachten en vermogens, niet op zijn hoedanig-en zoodanig-zijn voor God, maar op zijn zijn (esse) als zoodanig, zoodat gesproken wordt van een hooger orde van zijn, waartoe hij door de hebbelijke genade verheven is.
Door deze hebbelijke genade kan men met recht zeggen, dat de mensch genade bezit, genade in eigendom heeft.
Langzaam maar zeker is men later in de Hervormde Kerken tot dit Roomsch genadebegrip teruggekeerd. Het begrip van genade verliest dan meer en meer zijn ethisch-religieuze beteekenis; genade wordt een physisch-metaphysische grootheid. De genade komt niet meer tot ons door Gods beloften in den weg des geloofs, maar zij wordt door een bizondere scheppingsdaad langs physisch-metaphysischen weg in ons geplant. Men draagt dan de genade in zich om; men bezit genade.
In zijn leer van de nieuwe levenskiem, die in de wedergeboorte een mensch wordt ingeschapen, heeft Kuyper zich wel zeer sterk aan het scholastieke en Roomsche genadebegrip aangesloten. Zelfs zoo, dat men bij hem voor dezelfde moeilijkheid komt te staan als bij de Roomsche theologen, in zooverre hij ook ontkent, dat deze nieuwe levenskiem een substantie is, terwijl hij er toch telkens over spreekt, als ware zij een eigen zelfstandigheid. Want hij zegt ergens met nadruk, dat God dien nieuwen levenskiem schept, in het centrum van ons wezen indraagt en daar de vereeniging tot stand brengt tusschen die levenskiem en ons ik.
Kuyper heeft zich echter aangesloten bij de theologie van de zeventiende en achttiende eeuw, gelijk hij ook zelf getuigt. De gedachte van het geloofsvermogen, zooals Comrie die ontwikkeld heeft, heeft op Kuyper's denken grooten invloed gehad. En deze gedachte, al is het dan gansch anders uitgewerkt, deze gedachte van een hebbelijke, ingeschapen genade, beheerscht heel de theologie van de achttiende eeuw en heeft aan haar genadebegrip opnieuw een Roomsch stempel gegeven. De leer der kenmerken b.v. is daardoor geheel omgevormd. De Hervormers hadden ook een leer van kenmerken, maar van kenmerken, waaraan het ware geloof gekend wordt. In de achttiende eeuw dienen echter de kenmerken — want de weg des geloofs is meer en meer teruggetreden — om te onderzoeken, of men genade bezit, d.w.z. of men eigendom heeft aan de hebbelijke ingeschapen genade.
Het genadebegrip van Kuyper en van de valsche mystiek, die hij en zijn volgelingen zoo fel bestrijden, is in den grond der zaak hetzelfde; het is het genadebegrip van de scholastiek, het begrip van een ingeschapen, hebbelijke genade van bovennatuurlijken oorsprong en bovennatuurlijken aard.
Aan dit scholastieke genadebegrip is het te danken, dat bij de z.g.n. mystieke richting Kerk en wereld, godsdienstig leven en natuurlijk beroep en zaken, soms mijlen ver uit elkander kwamen te liggen, waardoor deze richting zich meer en meer op een binnenkamersche godsdienst terugtrok. Maar aan dit zelfde genadebegrip is het te danken, dat Kuyper telkens verschillende terreinen onderscheidt, een terrein, dat tot de natuur gerekend moet worden, en een terrein, waarop de bizondere genade verschijnt. Op het eerste terrein werkt dan nog wel de algemeene genade, maar de eigenlijke genade, dat is de genade der wedergeboorte, de hebbelijke, ingeschapen genade, is tot een eigen terrein af te zonderen.
O. a/d IJ.
Woelderink
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 september 1936
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 september 1936
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's