De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

DE HEERE TEN LICHT

7 minuten leestijd

„De Heere is mijn licht en mijn heil, voor wien zou ik vreezen ? De Heere is mijns levens kracht, voor wien zou ik vervaard zijn ? Psalm 27 vers 1.

De omstandigheden, waaronder de psalmdichter verkeerde, waren zeer ongunstig te noemen. Hij was blijkbaar ver van het huis des Heeren verwijderd, zoodat er geen gelegenheid voor hem bestond derwaarts henen op te gaan. Aan alle zijden zag hij zich door vijanden omringd, die hem den weg versperden. Nochtans klaagde hij daarover niet, noch gaf hij zich aan moedeloosheid over. Hoe is dit te verklaren en wat schonk hem de kracht om zich boven de toestanden te verheffen ?
Hoor: „De Heere is mijn licht en mijn heil". Jehova, Die was en Die is en Die zijn zal. Die het leven van Zichzelven en in Zichzelven heeft en van niemand ooit iets behoeft te ontvangen, is Zijn licht. In de natuur is het licht de aanvang van alles in de aardsche schepping, de bron en het beeld van leven en blijdschap. Donker mocht voor Koning David de weg zijn, waarlangs hij voorttrok; ver boven de duisternis zijns levens troont Hij, Die licht is, licht geeft en alle donkerheid op de vlucht jaagt. En dat licht was voor den vromen zanger het zijne, hij mocht het zijn eigendom noemen; hij geloofde, dat het voor hem was en voor hem stralen zou. Daarom voegde hij er bij : mijn heil, d.i. mijne hulp en redding. Hooger kan het niet, de God des eeds en des verbonds was in al Zijne volmaaktheden voor hem tot heil en sterkte. Om die reden is het zoo alleszins verklaarbaar, dat David vraagt: „voor wien zou ik vreezen ? " Zoo nabij den Heere is het onmogelijk te vreezen en kan alle onrust wijken. Daarom gaat hij in onzen psalm voort om de volheid zijns geloofs uit te storten: „De Heere is mijns levens kracht". Niet slechts de Beschermer van zijn aan gevaar blootgesteld leven, Die er hem voor behoedde om gedood te worden. Maar de kracht van zijn brooze en zwakke leven. Die hem van oogenblik tot oogenblik ondersteunde en van onderen als eeuwige armen gaf. Indien God vóór hem is, wie kan dan tegen hem zijn ? Als de Almachtige hem bewaart, heeft hij geen reden om vervaard te zijn. Dan kan hij met onversaagden moed triomfeeren over zijne tegenpartijders, waar de overwinning hem in het uitzicht staat. Geen kloekmoedigheid is toch zoo groot als de kloekmoedigheid des geloofs. In zoo menigen strijd heeft David dat betoond, al werd hij door gansch een leger belegerd, of al was er zelfs een oorlog tegen hem ontbrand. Dan wist hij, dat de Heere hem niet begeven noch verlaten zou, dat zijne vijanden niet over hem zouden zegepralen. Echter stond hij daarbij niet in eigen kracht, waar hij dan voorzeker het onderspit zou hebben gedolven. Zijne bede was voortdurend om de beschutting van des Heeren wege, dat deze hem telkens opnieuw zou worden geschonken. Vandaar zijn oorzaak tot juichen, om te zingen, ja, psalm te zingen den Heere.
Welk een heerlijke geloofstaal klinkt ons daarom uit het bovenstaande tegen, waar de nardus geeft haren geur. Een rijke verkwikking ligt daarin opgesloten voor allen, die waarlijk het pad van Gods geboden begeeren te loopen. Mild is de vertroosting voor hen, die hunne verwachting bouwen op Israels God. Hij is immers altoos Dezelfde, Die van geen wijken of wankelen weet. In Christus Jezus is God het licht voor al de kinderen Zijns volks, die teeder liggen aan Zijn goddelijk Vaderhart. Het is in Zijn licht, dat zij nu voortgaan op hun weg en in Zijn licht hopen zij licht te zien tot in eeuwigheid. In Hem zijn zij veilig en bewaard, om eens aan te komen in het land der belofte; waar er eene rust overblijft voor het volk van God.
Er is wel reden toe om ons te benaarstigen tot deze zekerheid des geloofs te komen. Of om voor het eerst aan te grijpen de hoornen Van Gods altaar, ons nederbuigende met ootmoed en eerbiedenis voor Zijn aangezicht. De Heilige Schrift toont het in een voorbeeld als van Koning David, hoe men van zijn geloof bewust en verzekerd kan zijn. Zooals deze zich laat hooren in Psalm 116: „Ik heb geloofd, daarom sprak ik". Groot is het voorrecht dat gesmaakt wordt door degenen, die waarlijk den Heere vreezen. Hunner zijn de beloften, zoowel des tegenwoordigen alsook des toekomenden levens, welke zeker ten goede aan hen allen vervuld zullen worden. Daarop mogen zij zien, dat de Heere het eenmaal aan hen begonnen werk voleindigen zal Het licht des Evangelies schenkt hun blijdschap en vertroosting. Het zal tenslotte toch een waar geloof moeten zijn, zal het wezenlijk waarde hebben. Een bloot toestemmen der Waarheid is niet voldoende, aangezien het dan met hartveranderende genade niet samen gepaard gaat. Het geloof moet toch, zal het goed wezen, niet alleen in het hoofd zitten, maar behoort ook het hart te reinigen; om dé wereld te kunnen overwinnen en vruchten voort te brengen, der bekeering waardig.
Maar wanneer zulks dan ook het geval is, dan kunnen er bergen door verzet worden in het hart der zeeën. David sprak het uit, dat hij met zijnen God kon loopen door eene bende en springen over eenen muur. Dan wordt het schijnbaar onmogelijke nog tot werkelijkheid door Hem, Die maar te spreken heeft en het is er, te gebieden en het staat er. Het licht is toch voor den rechtvaardige gezaaid en vroolijkheid voor den oprechte van hart.
Anders zullen wij allicht alleen op de wolken staren, om op die wijze toe te geven aan mismoedigheid en vrees, terwijl wij inplaats van te roemen, zullen klagen in de verdrukking. Als wij ons zelf onder de zorgen en moeiten willen opbeuren en tegen het lijden versterken, dan zal zulk een poging ten zeerste moeten teleurstellen. Het toevlucht nemen tot eene wonderspreuk zal ook niet kunnen baten om alle bekommeringen op eene ongevoelige wijze op zijde te zetten. De gedachte aan een onverbiddelijk noodlot, dat alle dingen onvermijdelijk zou maken, hebben wij eveneens te verwerpen. Daardoor wordt de kwelling toch vermeerderd, als er alleen gezien wordt op de noodzakelijkheid eener zaak, welke alle hoop op verlossing uitsluit. Dan vertroosten wij, evenals de vrienden van Job, ons zelf en anderen met ijdelheid, om te zijn nietige medicijnmeesters en moeilijke vertroosters. Ook voor de eigen ziel en daarenboven voor zoo groot eene eeuwigheid, als eenmaal aan ons zal worden geopenbaard. Waarin het vreeselijk zijn zal terecht te moeten komen zonder Borg en Middelaar, om den pijnigers altijd te worden overgegeven. Terwijl daarentegen de eeuwige gelukzaligheid binnengetreden zal mogen worden door degenen, die hunnen Heere en Heiland aan hunne zijde zullen hebben. Hij zal het voor hen licht doen zijn ten tijde des avonds, ook als hun voet aan de schemerende bergen zal aanstooten. Waarbij Hij gansch Zijne Kerk zal doen deelen in de eeuwige glorie, om hen in te halen in de zalen van licht en vreugde. Het lijden van den tegenwoordigen tijd is niet te waardeeren bij de heerlijkheid, welke aan hen zal worden geopenbaard.
Schenke God Zijnen zegen, waar Zijn Woord tot ons komt met lieflijke, uitnoodigende klanken van Zijn hemelsch heiligdom.
Gij gelooft, dat God een licht is, gij gelooft, dat Hij voor Zijn volk licht is; waarom gelooft gij ook niet, dat Hij üw licht is ? Zijn er dan bij Hem niet meer milde handen en vriendelijke oogen ? Heeft Hij in Christus het licht niet doen opgaan voor allen, die Hem zoeken en naar Hem vragen ? Zij dat met ons dan het geval, dat wij luisteren naar de stem van Hem, Die komt, springende over de bergen en huppelende over de heuvelen. Ga ons hart naar Hem henen uit. Die is de Koning en de Leidsman van al de kinderen Zijns volks, van nu aan tot in eeuwigheid.
De Heere is het toch waardig, dat ook onze mond Hem prijze en onze tong Hem roeme.
Hij woont onder de lofzangen Israëls.
Oude Tonge
M.B. Verkerk

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 september 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 september 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's