De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJKE RONDSCHOUW

25 minuten leestijd

MATERIALISTISCHE LEVENSWIJZE.
Wij gaan verloren als volk, als wereld, als menschheid, om twee oorzaken. Omdat we geen onderscheidende kennis hebben van God en goddelijke zaken, waarin we geen lust meer hebben — en in de tweede plaats, omdat we ons hoe langer hoe meer gaan overgeven aan den dienst der wereld in allerlei verscheidenheid', welbewust en geraffineerd. We zoeken het niet bij de dingen, die boven zijn, waar Christus is, maar we zoeken het in de tijdelijke dingen, die hier beneden zijn, zonder Gods genade en liefde te beantwoorden.
Deze toestanden zijn nu niet voor 't eerst. De geschiedenisboeken staan er vol van. Maar inplaats, dat de geschiedens ons onderwijst ten goede — want daarvoor is de geschiedenis, om ook daar Gods stem te vernemen en Zijn onderwijzing ter harte te nemen ! — herhaalt de geschiedenis zich bij ons en onze kinderen, waarbij wij dwaas en halsstarrig de leering en vermaning der geschiedenis in den wind slaan, waardoor ons oordeel des te zwaarder zal zijn. Heeft de Heiland niet gezegd, dat het Sodom en Gomorra verdragelijker zal zijn in den dag des oordeels, dan Kapernaüm en Jeruzalem, dat de stem der profeten heeft gehoord en zelfs de stem van den grooten Profeet Jezus Christus heeft verworpen ?
Van het Romeinsche volk verhaalt de geschiedenis, dat, toen de hoogere aspiraties van den godsdienst verdwenen, de zucht om van 't aardsche leven te genieten, al grooter en grooter werd Toen de Romeinen niet meer aan hun goden geloofden, begonnen zij te roepen om brood en spelen. Hoogere motieven verdwenen en een ijskoud materialisme legde beslag op de menigte, van den laagst geplaatste tot den hoogst gezetene.
Eenzelfde verschijnsel doet zich tegenwoordig voor. Duizenden hebben met het geloof aan de onzienlijke dingen gebroken. Men heeft met een hiernamaals afgerekend. Dat hiernamaals was goed — zoo zei men — om de menschen bang te maken, maar een „verstandig" mensch houdt er zich niet mee op. Wie een nuchteren zin heeft, snijdt de band met dat z.g.n. bovennatuurlijke door en houdt zich alleen bezig met wat te zien is.
Ook in ons land is die richting hand over hand toegenomen en niet het minst werd zij in de hand gewerkt door de sociaal-democraten. Immers, vooral die sociaal-democratie niep het onomwonden uit: menschen, vraag in het heden naar een menschwaardig bestaan, want de wissels, op de eeuwigheid getrokken, zullen toch nooit betaald worden; dat hemelsche kantoor is allang failliet.
De lichten aan den hemel heeft men gedoofd en triumfantelijk en brutaal verzekerde men, dat ze nooit meer aangestoken zouden worden. God is dood. Godsdienst is bedrog van de bezittende klasse, om de menschen dom te houden en hem te gebruiken als opium, opdat de massa wat voort zal leven als in een roes en in bedwelming, lamlendig genoeg om zich te laten uitbuiten door de uitzuigers.
Het volk is — dat wascht het water van de zee niet af — door sociaal-democratische prediking (ik denk aan de geestesbeweging van 50 jaar terug en later, waaruit talloos vele kinderen zijn voortgekomen, die nu zelfs de vurigste socialist van vroeger verre overtreffen) hoe langer zoo meer materialistisch geworden. Een goed aardsch bestaan, een goed loon en niet al te langen werktijd, dat werd en is voor velen het ideaal. En met het geloof aan de hemelsche dingen heeft men gebroken, alleen de aardsche dingen hebben bekoring.
Bij dat licht moet ook gezien worden de hartstocht voor sport en spel. Voetballen, hardloopen, boksen enz. met de wedstrijden, waarvoor duizenden en duizenden zich interesseeren en gaarne hun geld en hun tijd daarvoor geven, vooral op de Zondagen, die daardoor schandelijk ontheiligd worden, zonder dat men zich ook maar in 't minst bezwaard gevoelt, wijzen er op, dat men, naar 't ruwe woord van den materialist „den hemel gaarne aan de menschen cadeau geeft", als men hier op aarde maar sport en spel, genot en vermaak heeft. De Zondag is wèg, totaal wèg gerukt uit het leven van duizenden en tienduizenden. Aan een hoogere wereld is men totaal ontgroeid. Het stadion en het voetbalveld geven het ware leven ; want men leeft voor het heden en dan moet een mensch er van nemen wat er van te nemen is, zoolang hij het krijgen kan. Voor bioscoop en voetbalwedstrijd moet er tijd zijn, moet er geld zijn — 't gaat zooals het gaat!
Dat alle hoogere motieven op die manier gedood worden, dat het ideale uit het leven verdwijnt, dat zelfs kunst en wetenschap weinig anders gaan brengen dan het materieele leven, wordt door velen niet gezien. Misschien dat men het straks gaat inzien — als het te laat is.
Laten christenouders toch bedenken, dat zij de geestelijke goederen, de goederen des heils, reeds in den Doop ons en onzen kinderen beloofd en toegezegd en aangeboden, voor hen zelf en voor hun kinderen hoog hebben te achten en hoog hebben te houden. Laten zij in hun eigen leven deze geestelijke en goddelijke dingen hoog houden. Neen, dan behoeven we geen kniesooren te zijn en we behooren de gewone dingen des levens, welke God ons in zoo ruime mate wil schenken in Zijn algemeene goedheid, niet te verachten. Maar we hebben met voorzichtigheid te leven en in alles te zoeken 't Koninkrijk Gods. Dan wordt het leven veel rijker en heerlijker, ook in droeve dagen en tijden van tegenspoed. Dan hebben we nog iets anders, dan de tijdelijke en vergankelijke dingen. En inplaats van de wereld zal de dienst des Heeren. aangenaam bij ons zijn. Als een volk de eeuwige dingen geheel verliest, gaan we als volk verloren.
Daarom moet er waakzaamheid zijn.
Met Paulus zij onze oprechte belijdenis : „Wij aanmerken niet de dingen, die men ziet, maar de dingen, die men niet ziet! want de dingen, die men ziet, zijn tijdelijk, maar de dingen, die men niet ziet, zijn eeuwig" (2 Cor. 4 : 18).

DE ALGEMEENE GENADE-KWESTIE (1)
Ja — dat is óók een kwestie. Niet alleen in Amerika, maar ook in Nederland. Hoe hebben wij te denken over de algemeene genade of gemeene gratie ?
Volgens Schrift en Belijdenis staat voor ons vast, dat God gunstig gezind is jegens „goddeloozen" en „onrechtvaardigen" en zegeningen schenkt zoowel aan „boozen" als aan „goeden". Over de verworpenen voor Gods aangezicht is Zijn aangezicht lichtende, om menigvuldige zegening te geven aan degenen, die Hem haten en tegenstaan, 't Is zelfs zóó, dat Asaf er door in de moeite kwam, zijn voeten waren bijna uitgegleden, juist toen hij gedurig zag, dat de goddeloozen voorspoed hadden, boven degenen die God vreezen zelfs. (Psalm 73).
Laten wij een paar Schriftuurplaatsen hier afschrijven :
Psalm 145 : 9 : „De Heere is aan allen goed en Zijn barmhartigheden zijn over alle Zijne werken".
Matth. 5 : 44, 45 : „Maar Ik zeg u, hebt uwe vijanden lief; zegent ze die u vervloeken ; doet wèl degenen, die u haten, en bidt voor degenen, die u geweld doen en vervolgen ; opdat gij moogt zijn kinderen uws Vaders die in de hemelen is" (die dat óók doet) „want Hij doet Zijn zon opgaan over boozen en goeden en regent over rechtvaardigen en onrechtvaardigen".
Lucas 6 : 35, 36 : „Maar hebt uwe vijanden lief en doet goed en leent zonder iets weder te hopen ; en uw loon zal groot zijn en gij zult kinderen des Allerhoogsten zijn ; want Hij is goedertieren over de ondankbaren en boozen. Weest dan barmhartig, gelijk ook uw Vader barmhartig is."
Hand. 14 : 16, IT: Welke in de verledene tijden al de heidenen heeft laten wandelen in hunne wegen, hoewel Hij nochtans Zichzelve niet onbetuigd gelaten heeft, goeddoende van den hemel, ons regen en vruchtbare tijden gevende, vervullende onze harten met spijze en vroolijkheid".
1 Tim. 4 : 10 : „Want hiertoe arbeiden wij ook en worden gesmaad omdat wij gehoopt hebben op den levenden God, die een behouder is aller menschen, allermeest der geloovigen."
Rom. 2:4: Of veracht gij den rijkdom Zijner goedertierenheid en verdraagzaamheid en lankmoedigheid, niet wetende dat de goedertierenheid Gods u tot bekeering leidt".
Uit een en ander zien we, dat, naar luid van de Schriften, de Heere Zijn algemeene genade en gunst en barmhartigheid laat uitgaan over alle menschen, een Zegenaar zijnde aller menschen, hen in 't leven sparend met bewijs van velerlei barmhartigheid (1 Tim. 4 : 10). Zoo is „uw Vader in den hemel" zegt de Heiland „wees gijlieden óók alzoo". Waarbij — om dit tegelijk te noemen — de Heere tot allen komt met een welgemeend aanbod des heils. Lees b.v. maar eens : Ezechiël 33 : 11 : „Zeg tot hen : zoo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heere, Heere, zoo Ik lust heb in den dood des goddeloozen ! Maar daarin heb Ik lust, dat de goddelooze zich bekeere van zijnen weg en leve. Bekeert u, bekeert u van uwen boozen weg, want waarom zoudt gij sterven, o huis Israels ? "
Ezechiël 18 ; 23 : „Zou Ik eenigszins lust hebben in den dood des goddeloozen ? " spreekt de Heere ; is het niet, dat hij zich bekeert van zijne wege dat hij leve ? "
Omdat de Schrift zoo spreekt, spreekt ook onze Belijdenis op dezelfde wijze. Hoort maar : In de Dordtsche Leerregels, hoofdst. Il, 5 en hoofdst. III en IV, 8 en 9, welke handelen over de algemeene aanbieding des Evangelies, lezen we : „Voorts is de belofte des Evangelies, dat een iegelijk, die in den gekruisigden Christus gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe; welke belofte allen volkeren en menschen, tot welke God naar Zijn welbehagen Zijn Evangelie zendt, zonder onderscheid moet verkondigd en voorgesteld worden, met bevel van bekeering en geloof" (n, 5).
„Doch zoovelen als er door het Evangelie geroepen worden, die worden ernstiglijk geroepen. Want God betoont ernstiglijk en waarachtiglijk in Zijn Woord wat Hem aangenaam is, n.l. dat de geroepenen tot Hem komen. Hij belooft ook met ernst allen, die tot Hem komen en gelooven, de rust der zielen en het eeuwige leven". „Dat er velen door de bediening des Evangelies geroepen zijnde, niet komen en niet bekeerd worden, daarvan is de schuld niet in het Evangelie, noch in Christus, door het Evangelie aangeboden zijnde, noch in God, die door het Evangelie roept en zelfs ook dien 'Hij roept onderscheidene gaven mededeelt", (ni en IV, 8 en 9) Zooals de Schrift spreekt en zooals de Confessie der Gereformeerde Kerk spreekt, spreken ook de Gereformeerde Godgeleerden. Lees maar b.v. wat Calvijn schrijft in zijn Institutie Boek II, hoofdst. 2, 16. Daar staat:
„Laat ons echter intusschen niet vergeten, dat deze dingen zeer voortreffelijke gaven zijn van den Goddelijken Geest, die Hij tot algemeen nut van het menschelijk geslacht uitdeelt aan wie Hij wil". „Er is geen reden, dat iemand zou vragen, wat voor omgang de goddeloozen, die geheel en al vervreemd zijn van God, met den Geest hebben. Want dat de Geest Gods gezegd wordt alléén in de geloovigen te wonen, zulks moet verstaan worden van den Geest der heiligmaking, door Wien wij Gode Zelf tot tempels geheiligd worden. En desniettegenstaande vervult, beweegt, versterkt Hij alles door de kracht van dienzelfden Geest, en dat naar de eigenaardigheid van iedere soort en geslacht, welke Hij het zelve door de wet der schepping heeft toegekend. Indien de Heere door de moeite en en de dienst van goddeloozen ons wil komen helpen in de natuurwetenschappen, de logica of redeneerkunde, de wiskunde en de overige vakken van dien aard, laat ons daarvan gebruik maken, opdat wij niet, wanneer wij Gods gaven veronachtzamen, terecht om onze onachtzaamheid worden gestraft". — Waaraan Calvijn duidelijkheidshalve nog eens toevoegt, dat nu niemand meene, dat de mensch met allerlei van deze gaven des Heeren kan volstaan, want „in Gods oogen is het een vergankelijke en verdwijnende zaak, wanneer het vaste fundament der waarheid er niet in gevonden wordt". Bovendien zijn deze gaven, al komen ze van God, door den onreinen mensch bezoedeld en is er voor hem geen roem in deze.
Slaan we nu de Institutie nog op bij Boek III, hoofdst. XIV, 2, dan lezen we daar :
Want wij zien, dat Hij hen, die onder de menschen de deugd betrachten, met velerlei zegeningen des tegenwoordigen levens achtervolgt. Niet, dat die uiterlijke gedaante der deugd zijn minste weldaad zou verdienen, maar het belieft Hem op deze wijze te toonen, hoezeer Hem de ware gerechtigheid ter harte gaat, dewijl Hij niet duldt, dat zelfs de uiterlijke en schijnbare, hare tijdelijke belooning zou missen. Waaruit volgt, hetgeen we onlangs gezegd hebben, dat al zulke deugden, of liever beeltenissen van deugden, Gods gaven zijn ; want er is niets, dat eenigszins loffelijk is, dat van Hem niet voortkomt".
Petrus van Mastricht zegt het in zijn: Beschouwende en praktikale Godgeleerdheit (Deel I, blz. 439) korter en duidelijker nog, als hij handelt in Boek n, hoofdst. XVII over „Gods Liefde, Genade, Barmhartigheit enz.", want daar lezen we in § IX : „Hieruit ontstaat nu wel een drieërlei liefde Gods jegens de schepselen : één algemeene liefde (Psalm 104 vers 31 en 145 vers 9), waardoor Hij alle dingen geschapen heeft, onderhoudt en bestuurt (Psalm 36 vers 7 en 147 vers 9) ; ééne gemeene, zich wel tot de menschen bijzonderlijk uitstrekkende, juist wel niet tot alle en een iegelijk, maar evenwel tot allerlei, zonder onderscheid, zoowel verworpenen als uitverkorenen, van wat soort en geslacht dezelve ook zijn, aan welke Hij Zijne weldaden uitdeelt", enz. Hierbij worden dan genoemd de Schriftuurplaatsen Hebreen 6 vers 4 en 5 : „Want het is onmogelijk, degenen, die ééns verlicht geweest zijn, en de hemelsche gave gesmaakt hebben, en des Heiligen Geestes deelachtig geworden zijn, en gesmaakt hebben het goede Woord Gods enz." En 1 Cor. 13 vers 1 en 2 : „Al ware het, dat ik de talen der menschen en der Engelen sprak, enz. enz.).
Zoo ligt de algemeene genade Gods, volgens de Schrift, over alle menschen, en wil Hij tot alle menschen komen met Zijn Evangelie en de hartelijke aanbieding Zijner genade. En volgens de Schrift staat het vast, dat de Heere dan door de algemeene werkingen Zijns Geestes, zonder dat daardoor 't hart wordt vernieuwd, , de zonde in haar onverhinderd uitbreken beteugelt, waardoor de menschelijke samenleving mogelijk is gebleven en velerlei zegening is verspreid in den weg van deugd en gerechtigheid.
'Ook hiervoor geven Schrift en Belijdenis bewijsplaatsen.
Doch daarover in een volgend artikel.
[Slot volgt.]

DE LEER (2)
„Gaat dan heen, hen onderwijzende", heeft de Heiland Zijn discipelen bevolen. En hun onderwijs is en moet zijn : wat de Heere hen bevolen heeft. En dat moeten zij weer leeren en onderwijzen en bevelen aan anderen, opdat de volkeren tot leerlingen, tot discipelen van Jezus Christus gemaakt zullen worden, opdat ook zij dan zullen onderhouden, alles wat de Heiland hun bevolen heeft.
Zoo sluit de cirkel. De Heiland zegt, ook als de Joden zich verwonderen en velen zich ergeren : „Mijne leer is uit God en die God liefheeft, zal van Mijne leer bekennen, dat zij uit God is, Die Mij gezonden heeft" (Joh. 7 vers 15—17). En de discipelen, de Apostelen sluiten daarbij aan, geloovende en belijdende en predikende die leer.
En de volkeren zullen door de onderwijzing gebracht moeten worden tot het geloof, om óók te leeren onderhouden alles, wat Hij hun bevolen heeft.
Hier sluit de cirkel, die draait voor allen, die God liefhebben, om één en hetzelfde punt: "Mijne leer".
Om dit ééne punt: „indien iemand eene andere leer leert, en niet overeenkomt met de gezonde woorden van onzen Heere Jezus Christus, en met de leer, die naar de godzaligheid is, die is opgeblazen en weet niets" (1 Tim. 6 vs 3—5)
Nooit zal er een ander middelpunt komen. Nooit een ander fundament. En die uit God is, die zal bekennen, dat deze leer waarachtig is.
Dat is niet iets nieuws, maar het is wat van den beginne is bekend gemaakt, vanaf het Paradijs en door de patriarchen is geloofd en beleden ; waarnaar Abraham heeft verlangd ; dat door de ceremoniën is afgebeeld; wat door de Profeten is verkondigd (zie Heid. Cat. Zondag 6) en wat „in deze laatste dagen tot ons is gesproken door den Zoon" (Hebr. 1 vers 1).
Als de Joden dus protesteeren tegen deze leer, als zijnde iets nieuws en in strijd met „Mozes en de Profeten", dan zegt de apostel Johannes : „'t is niet iets nieuws, dat door óns is uitgedacht, maar het is het oude gebod, dat gij van den beginne gehad hebt", 't Is de leer, „uit de Schriften, die gij van kinds af geweten hebt", schrijft Paulus (2 Tim. 3). En de vermaning gaat uit, om vast te houden aan die leer, de gezonde leer, waarin het leven zit, dat uit God is en dat den zondaar den éénigen troost brengt, beide voor leven en sterven.
En naarmate de Jood, die zich ergert, en de Griek, die alles dwaasheid noemt, zich meer en meer gaan roeren, de menschen bewegende om zich tegen de Apostelen te verzetten, schrijven de Apostelen ernstiger en scherper, dat de Gemeente des Heeren bij die leer zal blijven! Paulus waarschuwt in zijn toespraak aan de ouderlingen van Efeze nadrukkelijk en ernstig : „Uit uw midden zullen opstaan mannen, sprekende verkeerde dingen, om de discipelen af te trekken achter zich". En hij roept dan : „daarom, waakt".
En aan Timotheus schrijft hij later nog: „Neem acht op de leer, volhard in deze, want dat doende zult gij èn uzelven behouden èn die u hooren".
Naarmate het gevaar zich dreigender openbaart, naar die mate wordt dit al scherper en scherper ingeprent aan de Gemeente, dat zij getrouw zal zijn en volharden in de leer. En de apostel Paulus, die zijn leven geeft voor het welzijn van de gemeenten, zegt: „Een kettersch mensch, verwerp dien na de eerste en tweede vermaning, wetende dat de zoodanige verkeerd is en zondigt".
Allerlei rondreizende leeraren, die valsche discipelen blijken te zijn, gaan er op uit, dikwijls vuil gewin zoekers zijnde en hun buik makend tot hun god — als ze er maar wat mee verdienen kunnen ! — om de gemeenten in beroering en verwarring te brengen. Maar dan bestraft de apostel de gemeenten, als ze lichtgeloovig zijn en er naar luisteren en hij prijst de gemeenten, als ze zich niet laten vervoeren door de geboden en leeringen der menschen, waardoor men gevaar loopt als „een roof te worden vervoerd". „Die in de leer van Christus niet blijft", schrijft de apostel der liefde, Johannes, „heeft niet den Vader, zoo min als den Zoon".
't Is telkens : „Hebt acht op de leer" ; „voedt uwe kinderen op in de leering en vermaning des Heeren".
In het Oude Testament leerde de HEERE, Israels Bonds-God, Die aan Israël Zijne Woorden had bekend gemaakt, zooals Hij aan geen ander volk had gedaan — dat zij die Woorden zouden bewaren en er niet van afwijken. Bij 't geen de Heere Zelf hun geopenbaard had, moesten zij blijven, waarvoor de Heere Zelf zorg droeg, dat het kon geschieden, door hun Zijn rechten en inzettingen bekend te maken. Van Abraham zegt de Heere : „Ik heb hem gekend, opdat hij zijne kinderen leere recht en gerechtigheid te doen op aarde". De God des Verbonds, Die zegt: „Ik wil u tot een God zijn en de God van uw zaad", zegt tegelijk: „gij zult Mijne Woorden bewaren ; wandel in dezelve, en wees oprecht".
En toen door Mozes' middelaarschap het verbond Gods aan Israël, dat de Heere uit Egypte had verlost, bij Sinaï op 't luisterrijkst werd vernieuwd, kreeg deze dienaar Gods het nadrukkelijk bevel om het volk in te scherpen en bekend te maken alles, wat God, gegeven, gesproken en bevolen had. Van eeuw tot eeuw moest geslacht na geslacht Gods Koninkrijk bevestigd worden in den weg van geloof en gehoorzaamheid. En het is de Heere Zelf, Die tot Mozes zegt: „Bindt Mijne geboden. Mijn woorden, Mijn rechten en inzettingen, aan uw hals, om ze altijd met u te dragen, schrijf ze op de tafelen uws harten, om ze in geloof en liefde te betrachten". Hoofd, hart, hand, verstand, gevoel en wil, moesten door de Woorden Gods worden beheerscht. En het was de eisch des Heeren, dat de vaders het hunne kinderen zouden inscherpen. Er was geen Catechismus en er werd geen catechisatie gehouden, zooals wij later dat hebben gekregen. Maar catechisatie, huiscatechisatie, door onderwijs en onderrichting van de vaders aan hun kinderen gegeven, dikwijls door vragen te stellen en antwoorden uit te lokken, was er van ouds onder Israël wel. Laat het waar zijn, dat er geen scholen waren, Scholen met den Bijbel, als bij ons, maar het onderricht der kinderen, vertellende van de loffelijkheden des Heeren, was er wèl in Mozes' dagen en in latere tijden. En als Paulus aan Timotheus schrijft, sluit hier het Nieuw-Tetamentische onderwijs aan bij het Oud-Testamentische onderwijs van 's Heeren volk, zeggende : „Gelukkig te prijzen zijt gij, Timotheüs, dat uw moeder en uw grootmoeder, u van kind af in de Schriften onderwezen hebben, die wijs kunnen maken tot zaligheid en die kunnen dienen om te weerleggen en te verwerpen alles wat met de gezonde leer in strijd is". Daarvoor heeft de Heere ons dan ook al de Schriften gegeven, geschenk van den Heiligen Geest! (2 Tim. 3 vs. 15—17).
In alle variaties klinkt het door Oud-en Nieuw Testament: „Hebt acht op de leer". Hebt acht op de leer des Verbonds. „Voedt uwe kinderen op in de leering en vermaning des Heeren" ; „leerende hen onderhouden alles wat Ik u bevolen héb" ; „blijft bij de gezonde leer". En telkens klinkt het vermanend : „Indien iemand eene andere leer leert, en niet overeenkomt met de gezonde woorden van onzen Heere Jezus Christus en met de leer die naar de godzaligheid is, die is opgeblazen en weet niets". Belofte en bedreiging worden rondom deze leer gehoord bij het Oude Bondsvolk èn in het midden der Nieuw-Testamentische Kerk.
En als door de Roomsche Kerk de gezonde leer, die naar de Schriften is en tot de godzaligheid dient, veracht, verwaarloosd en verworpen is geworden en daardoor de Kerk des Heeren verworden, gedeformeerd, verbasterd en in vervallen staat geraakt is, dan zijn het de Voorloopers der Hervorming en de Reformatoren Luther, Zwingli, Calvijn, Melanchton en zoovele anderen, die weer komen met de ware leer, zeggende : „Zoo iemand God liefheeft en wil Deszelfs wil doen, die zal bekennen van deze leer, dat ze uit God is" (Joh. 7). Dan herinneren zij weer aan het fundament van de Apostelen en Profeten ; dan laten ze ook weer hooren alles wat de Heere Zelf bevolen heeft, dat wij zullen onderhouden, willende Zijn discipelen zijn. En ze laten ook weer hooren de ernstige vermaning : „Neem acht op de leer, volhard in dezelve, want dat doende zult gij uzelven behouden èn die u hooren".
Zij komen niet met iets nieuws, dat zij zelf hadden uitgedacht, maar zij mogen door Gods genade weer leven en spreken en getuigen en prediken uit die oude leer, die uit God is en die tot de godzaligheid is.
De Kerk der Reformatie is geen nieuw gestichte Kerk, maar de herleving van de oude Kerk. 't Is het weer terug voeren van de schapen naar de oude beproefde waarheid. En voor kinderen en volwassenen — die veelszlns geheel vervreemd waren van de kennis der waarheid — getuigden de Hervormers weer: „voedt ze op in de leering en de vermaning des Heeren". En Luther zei zeer terecht: „Zal men de Christenheid weer op de been helpen, dan moet men met de kinderen beginnen". Vandaar ook zijn Catechismus voor Kerk en School. Gelijk ook Calvijn deed. En de Kerken der Reformatie hebben dat overgenomen in gehoorzaamheid des geloofs en der liefde, acht gevende op de leer, die naar de Schriften is, zijnde de geopenbaarde Waarheid Gods, ons geschonken door den Heiligen Geest, Die heilige menschen Gods onderwezen en gedreven heeft, opdat zij de Woorden Gods zouden spreken en schrijven, voor ons en onze kinderen ; voor alle creaturen, tot aan de uiterste einden der aarde.
[Wordt voortgezet.]

De reis naar het Wupperdal. 5)
Merkwaardig was het, dat Willem de Clercq in diezelfde tijd een bezoek bracht aan Elberfeld en op verschillende plaatsen Kohlbrugge ontmoette. De Clercq was in tegenstelling met Kohlbrugge enthousiast over hetgeen hij beleefde en meende in de toestand van de gemeente te Elberfeld een beeld te mogen zien van de heerlijkheid van de Kerk van Christus in het duizendjarige rijk. Alleen Gottfried Daniël Krummacher had hem eenigszins ontnuchterd. Krummacher zocht hem in zijn woning op, om met hem van gedachten te wisselen. Maar hij vond hem tamelijk droog en sarcastisch. Zijn Hollandsche vriend Kohlbrugge vond De Clercq nu hier, dan daar. Hier trof hij hem aan in het huis van Nettelbeck, in een vertrouwelijk gesprek, waaraan o.a. ook ds. Döring deelnam. Toen hij in de pastorie van ds. Döring kwam, zag hij Kohlbrugge met een lange Duitsche pijp op de canapé zitten. De kamer vulde zich langzamerhand, waarbij de voorname De Clercq bemerkte, dat de menschen in hun gewone dagelijksche werkpak en met de klompen aan, plaats namen. Kohlbrugge sprak over Psalm 130 („Uit de diepte roep ik tot U, o Heere ). „Aan den zondaar wordt alle macht ontnomen om zichzelf op te richten. Bij den Heere is vergeving. Wat wilt gij doen ? Achter u ligt een berg van zonden. De hemel is van ijzer. Maar in Christus is genade en barmhartigheid, De Clercq was diep getroffen.
Zoo ging het voort. Langzamerhand leerde Kohlbrugge de geesten kennen. Ook Wilhelmina van der Heydt, de trouwe volgelinge van Gottfried Daniël Krummacher, bij wien zij haar drie zoons, August, Daniël en Karl, had laten onderwijzen en ook belijdenis had laten doen, ontving hem gastvrij in haar huis. Zeer diep ging het gesprek, als men op bezoek kwam bij den ouden Diederich, een eigenaardige, vrome man, met een bijzondere kennis van de Heilige Schrift.
Gottfried Daniël Krummacher bevond zich niet zelden onder zijn toehoorders. Bij den ouden Diederich stond de leer van de praedestinatie en van de heiligmaking op de voorgrond. „Hoe is een arme zondaar, ondanks zijn vreeselijke zonde, rechtvaardig voor God ? Wat beteekent het: naar den geest wandelen ? Wat is heiligmaking ? " Met dergelijke vragen zaten de zoekende en vragende zielen in de kamer van den ouden, vergrijsden Diederich. Hier voelde Kohlbrugge zich thuis. Hoe langer Kohlbrugge in het Wupperdal vertoefde, des te meer bewoog hij de harten. Reeds het uiterlijke van zijn verschijning imponeerde en ieder voelde het als bij intuïtie aan, dat men hier met een buitengewoon mensch te doen had. Velen meenden van Kohlbrugge het antwoord te mogen verkrijgen, waarop zij tot nu toe nog altijd vergeefs hadden gewacht. Van het Zendingshuis in Barmen kwam een Zendeling tot hem en stortte voor hem zijn gansche hart uit om van de benauwdheid zijner ziel verlost te worden. Van heel ver uit Nassau was er zelfs een naar Elberfeld geloopen, om door den man, over wien reeds in alle opwekkingskringen gesproken werd., van zijn twijfel verlost te worden. „Nog met stof en zweet bedekt, tengevolge van de lange tocht, vroeg hij mij, wat hij doen moest, om zalig te worden. Ik antwoordde hem, dat hij weer naar huis moest gaan om daar eerst uit te rusten en dat hij dan deze vraag moest voorleggen aan den levenden God ; die zou hem leeren, dat het niet is desgenen, die wil, noch desgenen, die loopt, maar des ontfermenden Gods".
Dit was de grondgedachte van iedere preek van Kohlbrugge. Zestien maal besteeg hij in deze zomermaanden van 1833 de kansels in het Wupperdal, nu eens in Elberfeld, dan weer in Barmen en in de naaste omgeving. Hij was 'bezield door een onstuimig verlangen om het Evangelie van de algenoegzaamheid der genade uit te dragen. Want hij zag, welke verschrikkelijke dingen in Elberfeld in 't verborgen sluimerden, hoeveel secten er waren, hoe men in strijd met de ware Gereformeerde leer handelde en zich niet wilde buigen voor de souvereiniteit van God.
Wat een gebeurtenis voor het Wupperdal ! Midden onder de volgelingen van Collenbusch, die niets dan volmaaktheid begeerden, midden onder de „tot-nieuwleven-gewekte" menschen, die met hooggespannen verwachtingen de overwinning van het rijk van God door het werk der vromen tegemoet zagen, stond Kohlbrugge met zijn verkondiging van de volkomen ondeugdelijkheid van den mensch, ook van den vromen mensch en van de rechtvaardiging van den goddelooze. De vraag naar God, naar verlossing en redding, was opnieuw aan de orde gesteld.
Juist tijdens het verblijf van Kohlbrugge in het Wupperdal, trad daar een Methodist op uit Amerika, wiens naam was Jörges; deze bracht door zijn preeken de gemoederen in beroering. Te laat kwam men tot de ontdekking dat men het slachtoffer geworden was van de tooverkunsten van een met redenaarstalent begaafd man, die echter voor het overige een volkomen onbetrouwbare bedrieger was. Krachtig drong hij aan op bekeering, hamerde met geweld op de zielen, totdat de menschen in tranen wegsmolten (evenals hij zelf!), legde het zwaartepunt in de heiligmaking des levens en eischte van zijn toehoorders vrome oefeningen, in het bijzonder het bidden op de knieën. Het pleit niet voor het geestelijk onderscheidingsvermogen van de predikanten in het Wupperdal, dat zij meer dan eens dezen dweper hun kansel lieten betreden en in Zendings-en andere Vereenigingen hem het woord gaven. Zijn meesleepende welsprekendheid bracht iedereen in verrukking en niemand schijnt in hem de wolf in schaapskleeren gezien te hebben. „Hij was de leeuw des daags !" Men bood hem een aanstelling als gevangenispredikant aan. Wat ? Gevangenispredikant ? En geen stadsdominee ? Hij werd woedend. Opeens viel de priestermantel van zijn schouders. Nu eerst zag men in, dat een verschrikkelijke hartstocht het leven van dezen man beheerschte. Het was een voor het geheele Wupperdal diep beschamend geval.
 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 september 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 september 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's