MEDITATIE
Nimmer het doel hier bereikt en toch vol van goeden moed
Niet dat ik het alreede gekregen heb of aireede volmaakt ben, maar ik jaag er naar, of ik het ook grijpen mocht, waartoe ik van Christus Jezus ook gegrepen ben. Filipp. 3 vers 12.
Nimmer het doel hier bereikt en toch vol van goeden moed
Volgens de Grieksche sage was Sisyphus eens koning van de Stad Ephyra, het latere Corinthe. Van de gruwelijkste list en het schandelijkste bedrog maakte hij gebruik om zich en zijn volk te verrijken. Zelfs durfde hij met zijn doortrapte sluwheid de goden misleiden en bedriegen. Tot straf daarvoor, zegt Homerus, is hij door de goden veroordeeld om in de onderwereld een grooten steen tegen een berg op te rollen, totdat hij met dezen steen den top van den berg zal hebben bereikt. Het vreeselijke van de straf was echter daarin gelegen, dat, als hij bijna den top bereikt had, de steen immer aan zijn handen ontglipte, zoodat hij weder opnieuw met den zwaren arbeid beginnen moest. Volgens de sage is hij dus veroordeeld om ten eeuwigen dage den steen tegen den berg op te rollen, want het einddoel bereikt hij nooit.
Kan het leven van Gods kinderen in deze wereld, al is het maar eenigermate, een Sisyphus' werk worden genoemd ?
Het is hun vurige begeerte om heilig voor God te leven, maar nooit bereiken zij hier hun doel. Met een overgegeven hart hebben zij zich aan den dienst des Heeren verbonden en altijd weer worden zij zondaars bevonden. Oprecht is hun strijd tegen de zonde, en nauwelijks opgestaan van een ootmoedig gebed om den bijstand des Geestes, zien zij zich weer van hun oude natuur verstrikt. Is hun leven dan een wanhopig leven, omdat zij altijd zouden willen bereiken, wat zij hier nooit zullen bereiken ?
Gode zij dank, neen.
Niet gaarne zou ik willen ontkennen, dat een christen wel eens een oogenblik moedeloos kan worden, als hij ziet, hoe zijn voeten telkens uitglijden, vooral als hij bemerkt, hoe gedurig dezelfde zondige genegenheid hem ten val brengt. Het is echter slechts een oogenblik. Deze aanvechting komt hij weer te boven.
Daarom echter is een christen goedsmoeds en daarom kan hij altijd weer na iedere struikeling beginnen heilig voor God te leven, omdat hij terugvallende niet terugvalt in den vloek, maar terecht komt in de onveranderlijke genade en trouw van zijn verbonds-God.
Als Sisyphus den steen naar beneden zag rollen, zag hij al zijn hoop tegen den grond geslagen; er bleef voor hem niets anders over dan vloek, maar een christen, die zijn eigen werk mislukken ziet, komt weer terecht bij Gods werk en daar vindt hij zijn hoop en moed terug en loopt de loopbaan, hem voorgesteld, met blijdschap des harten.
Als de natuurlijke mensch door eigen kracht naar de volmaaktheid des levens jaagt, kan van een Sisyphus' werk worden gesproken. Hij valt telkens terug van den berg, dien hij wil beklimmen, en terugvallende houdt hij niet over dan zonde en schuld.
Hoe zou ook de mensch, wiens schuld zoo groot is en die zijn schuld dagelijks vermeerdert, ooit zijn schuld kunnen te boven komen ? Hoe zal hij, wiens hart verdorven is en tot alle kwaad geneigd, ooit God in volmaaktheid dienen ?
Ik heb gejaagd, wel jaren lang om goed en vroom te leven, maar 't werd mijn ziele toch te bang, mijn werken kon niets geven.
Hoe heeft Luther, en anderen met hem, zichzelf gegeeseld om zich voort te jagen op den weg naar de heiligheid des levens, maar al verder kwam het nagejaagde doel van hem af, totdat hij eindelijk met verbrijzelde beenderen er bij neerviel.
De voorbeelden van pater Brugman en Luther doen echter zien, dat wij niet minachtend op dit pogen, om heilig voor God te leven, mogen neerzien.
Tal van menschen zien van den bergtop hunner verstandelijke kennis minachtend neer op dit trachten naar volmaaktheid en schudden meewarig het hoofd over zulk een dwaasheid. Nochtans staan deze zwoegers, die worstelen, al is het dan door eigen kracht, om goed en vroom te leven, dichter bij het Koninkrijk Gods, dan die hoogmoedige dwazen, die verstrikt zitten in hun eigen wijsheid.
Helaas, er zijn heel wat menschen, die het zoo goed weten, dat een mensch hier niet tot de volmaaktheid komen kan, dat zij zich maar met de onvolmaaktheid tevreden stellen.
Sisyphus in de onderwereld ziet met verwondering tot deze menschen op. Want dat ware gemakkelijk voor hem geweest, als hij na het terugrollen van den steen eens naar den bergtop had kunnen zien en dan had kunnen zeggen: neen, het zal niet gaan, om dan vervolgens rustig op den steen te gaan zitten en niet weer met dien moeilijken arbeid te beginnen.
Maar Sisyphus kon dat niet. Terugkomend aan den voet van den berg, had hij geen rust. Voort moest hij weer, voort. D.w.z. dat de heidenen nog wisten, wat velen onder ons niet meer weten, dat de vloek, waaronder de mensch ligt, hem niet toelaat te rusten, maar hem altijd opnieuw weer opjaagt.
Ach, hoevelen van hen, die zich beroemen op hun kennis van Gods Woord, weten daar niets van. De vloek des Almachtigen heeft hen nooit verschrikt en ziende op de eischen van Gods wet, zeggen zij met een rustig gemoed: het zal niet gaan om dat alles volkomen te volbrengen.
Juist daarom staan die zwoegers, die jagen naar den bergtop der rechtvaardigheid, dichter bij Gods Koninkrijk dan deze menschen. Want zij bewijzen, dat hun onvolmaaktheid hen niet met rust laat. En is dat niet het eerste levensteeken, dat een mensch ophoudt zoo tevreden over zich zelf te zijn, dat hij onrustig wordt vanwege zijn zonde ?
Maar is het dan geen dwaling om te trachten zonder schuldverzoening een ander en beter leven te leiden ? Ongetwijfeld, maar de groote Herder der schapen is juist uitgegaan om deze dwalenden te zoeken en terecht te brengen in de schaapskooi. Roept Hij niet de vermoeiden en belasten, opdat zij ruste bij Hem vinden? Is Hij niet de Heelmeester dergenen, die met verbrijzelde beenderen onder hun lasten neerliggen ?
Zij dwalen, die de heiligheid des levens trachten te bereiken, zich bekeerende van hun zonden, maar God zal ze op den rechten weg brengen juist door hun dwaling. Vergeefs gejaagd te hebben om rechtvaardig voor God te worden, doet wanhopen aan eigen werk, maar dezen wanhopigen is een nieuwe hope weggelegd. Door de wet sterven zij aan de wet en door dezen dood komen zij tot het leven. Zij vinden die rechtvaardigheid voor God, die zij zochten, maar zij vinden die in anderen weg dan zij dachten, niet in eigen werk, maar in Christus' werk. Als men meent, dat alles verloren is, blijkt juist de behoudenis nabij; wegzinkende in de diepte, wijl eigen werk bezweek, kwam men neer op de eeuwige borggerechtigheid van Christus.
Nooit kan er ruste zijn voor een mensch, die de zonde als zonde leerde kennen, tenzij hij tot de volmaakte rechtvaardigheid komt, waardoor hij vrijelijk het hoofd kan opheffen, als hij voor Gods aangezicht staat. Maar deze ruste vindt hij, als hij het evangelie leert gelooven, dat God hem uit vrije genade de genoegdoening, gerechtigheid en heiligheid van Christus toerekent, door welke toerekening van Christus' gerechtigheid hij zoó rechtvaardig voor God is, alsof hij nooit zonde had gehad noch gedaan, ja alsof hij in eigen persoon volbracht had, wat Christus voor hem volbracht heeft. Dit doet de apostel jubelen : volmaakt in Hem !
En toch zegt de apostel in onzen tekst: niet, dat ik het alreede gekregen heb of aireede volmaakt ben!
Evenwel, deze beide sluiten elkander niet uit. Het eene is waar en het andere is waar. Het is waar, dat een christen volmaakt is in Christus. Het is óok waar, dat de zonde nog in hem woont. Daardoor blijft er hier voor den christen een strijd over.
Want het is niet, zooals de antinomianen beweren, dat de gerechtigheid van Christus alleen in het boek van God den christen staat toegerekend, terwijl de christen zelf volkomen dezelfde is gebleven. Wanneer gij in Christus zijt, dan is Christus' genade en Geest in u.
Een van de schoonste vruchten van de werking van Christus' Geest in de geloovigen is ongetwijfeld een hartelijke droefheid over de inwonende zonde. Een christen kan geen vrede hebben met de zonde, omdat Christus, die zijn hart zich eigent, er geen vrede mee heeft.
De dwaling van de antinomianen is één van de afschuwelijkste, die er is. Zij veroordeelen het strijden van den oprechten christen om heilig voor God te leven. Hun hoogmoed en verstandelijke kennis maakt hen opgeblazen. Ware genade vernedert echter niet alleen, maar doet tevens voor de zonde vreezen en vervult het hart met droefheid over gedurige struikeling. Niet in dien zin, alsof de aanklevende zonde een christen deed vertwijfelen ; dat zou ongetwijfeld een gebrek aan geloof zijn, maar de zonde wordt een oorzaak van innige droefheid.
Wonderlijk is het leven van den waren christen. Tot de volmaaktheid des levens komt hij hier niet en toch verlangt hij er naar en houdt niet op met de begeerte en de poging om heilig voor God te leven. Niet, wijl de vloek der wet hem voortdrijft, maar wijl de liefde van Christus hem drijft. En zijn doel hier nooit bereikende wordt hij nochtans niet moedeloos, maar is vol hope, want de beloften Gods zijn in Christus Jezus ja en amen.
(Slot volgt.)
O. a/d IJ.
Woelderink
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 september 1936
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 september 1936
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's