De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJKE RONDSCHOUW

16 minuten leestijd

HERV. GEREF. PREDIKANTEN-VERGADERING (2)
De tweede referent, ds. P. A. A. Klüsener, van Bodegraven, sprak over :
«Catechisatie en belijdenis des geloofs«.
Dit onderwerp — aldus spreker — is mede aan de orde gesteld in verband met het hier en daar zelfs verontrustende verschijnsel, dat het aantal catechisanten en personen, die openbare geloofsbelijdenis afleggen, steeds geringer wordt. Spreker beschikt in dit verband niet over speciale gegevens, doch toont aan, dat cijfers hier al heel weinig zouden zeggen : immers niet of men nog belijdenis aflegt, doch hoe men zulks doet, is van belang voor de Kerk. De volkstelling van 1930 bracht ontstellende cijfers aan het licht in verband met de ontkerkelyking van ons volk : onder de meer dan één millioen kerkloozen bevinden zich vele jongeren. Dit verklaart voor een deel althans de teruggang van het aantal catechisanten en personen, die belijdenis doen.
Komend tot zijn eigenlijk onderwerp, merkt spreker eerst op, dat de catechese veronderstelt Kerk en Genadeverbond; alleen bij een juiste waardeering hiervan zullen catechese en belijdenis-doen op de rechte wijze beschouwd worden. Hoewel de catechese wel bijzonder het „zaad der Kerk" bearbeidt", blijve het standpunt van Voetius gehandhaafd : de geheele Gemeente moet gecatechiseerd worden ; doel der catechese is : opbouw der Gemeente. Hoedemaker heeft hier in 1883 weer op gewezen. Doel is dus, dat de Gemeente bij aanvang en voortgang belijden zal.
Er is geen catechisatie, die met belijdenisdoen niet of nog niet te maken heeft! In de catechese roept de, Kerk op grond van het Verbond tot geloof en bekeering. De onmondigen worden zoo voorbereid tot het tweede Sacrament: het Heilig Avondmaal. Doch om hiertoe te komen, moeten zij eerst belijdenis des geloofs afleggen.
Deze beide mogen nimmer van elkander losgemaakt worden. Zoo was het in den Reformatorischen tijd ; zoo moet het weer als normaal beseft worden. Hoewel de Gereform. Kerk uitnemende catecheten gehad heeft — Hellenbroek, a Brakel — is D.K.O., artikel 61, vaak zeer oppervlakkig nageleefd. Klachten van Koelman, Van Lodenstein e.a. bevestigen zulks.
Nimmer mogen wij ons laten verleiden tot de invoering van de z.g.n. trapsgewijze aanneming of tot belijdenis toelaten op grond van z.g.n. „historisch" geloof. Wie dat doet, heeft een onjuist Kerkbegrip en berooft catechese en belijdenis des geloofs van hun ware karakter.
De termen „aanneming en bevestiging" ruile men In voor „toegang vragen tot de openbare geloofsbelijdenis" of „ tot het Heilig Avondmaal'.
De belijdeniscatechisatie ontaarde verder niet in een soort stoomcursus, waar de elementaire zaken nog moeten worden besproken ; die moeten als regel reeds gekend worden. De belijdeniscatechisatie zij korte herhaling hiervan met uitvoerige bespreking van de formulieren van Doop en Avondmaal.
(Predikanten en ouderlingen behooren tevoren met degenen, die toegang vroegen tot de openbare belijdenis, gesproken te hebben en hun motieven onderzocht te hebben. Men zie toe, wie men toelaat!
In de gebruikelijke vragen mist spreker een vragen naar het zich mishagen vanwege zijn zonde.
Moeilijkheden zullen er blijven ; de vraag is, of er trouw wordt gearbeid en om het behoud van het zaad der Kerk geworsteld wordt voor den troon der genade.

ALTIJD DEZELFDE AFGEVAARDIGDEN ?
(Er is een spreekwoord : „Eens burgemeester, altijd burgemeester". 't Is dus misschien wel eens moeilijk burgemeester te worden, maar dan is men ook verder blijkbaar veilig en geborgen. Nu — als 't dan maar een goede bur­gemeester — een echte burgervader — is, dan is 't wel goed, dat hij een poosje blijft. Maar ja — 't zijn natuurlijk niet allen zulke echte burgervaders en dan, ja, dan zou 't wel eens wenschelijk zijn, dat men niet altijd burgemeester bleef................
In de Kerk heeft vanouds altijd vóór gezeten: niet altijd dezelfde menschen in den Kerkeraad. Verplichte aftreding was er wel. Maar toch niet altijd. Want de practijk leerde, dat het geen aanbeveling verdient, als er altijd maar weer andere menschen ouderling en diaken worden. De continuïteit in het kerkelijk leven wordt dan zoo gebroken en het is telkens weer wat nieuws ; waarbij de nieuwe leden eerst weer zich geheel moeten inwerken en dikwijls de routine missen, die de voorgaande leden hadden.
Theorie en practijk.
Zoo ook met de afvaardiging naar de Ciassicale Vergadering en vroeger naar de Provinciale Synoden en de Algemeene Synode-vergadering. Moeten het altijd weer dezelfde menschen zijn ?
Telkens hebben wij op de Classicale Vergadering (in Den Haag vroeger, later in Rotterdam) voorgesteld, dat er niet altijd dezelfde menschen in het Classicaal Bestuur en in het Provinciaal Kerkbestuur zullen zitten. We hebben wel eens een motie voorgesteld (in Rotterdam, jaren geleden), dat iemand, na z'n zittingstijd te hebben uitgediend, zich niet aanstonds zou herkiesbaar stelen, om ook anderen eens gelegenheid te geven zitting te nemen — en die motie is toen met algemeene stemmen aangenomen, maar is nooit uitgevoerd ! „Laat zitten, wie zit", was de leuze. „Eens burgemeester altijd burgemeester !".............
Nu is hier theorie en practijk. Want tegen het zitting hebben, altijd maar door, van dezelfde leden, is zeker allerlei aan te voeren, om te bewijzen dat het niet goed is. Maar om alles telkens weer geheel te vernieuwen en te veranderen, heeft zéér zeker ook z'n bezwaren en groote bezwaren ook.
En zoo zit men altijd weer tusschen theorie en practijk — met groote moeilijkheden.
Dezer dagen lazen we in een Weekblad van de Gereformeerde Kerken, dat indertijd in Amsterdam in de Gereformeerde Kerk ds. B. van Schelven altijd werd afgevaardigd naar de Provinciale Synode en b.v. een man als ds. D. Sikkel Sr. is, er nooit verscheen. 21 Jaar achter elkaar stemde men op ds. Van Schelven en 21 jaar kon ds. Sikkel thuis blijven. „De traditie is sterk en de wet der traagheid is er ook nog, zelfs in de Kerk". Ieder lichaam, ook de Kerk, volhardt zoo graag in de reeds aangenomen beweging. Maar — te verdedigen is het niet.
Men moet in deze zooveel mogelijk met goed verstand en met eerlijke bedoelingen handelen. Dat zal 't beste zijn.
Niet al te veel plotselinge verwisselingen.
Niet al te lang door traditie en traagheid — en ook wel andere dingen — blijven zitten.

BOND VAN INWENDIGE ZENDING
Wij hebben nu ook onze Ned. Herv. Gereform. Bond voor Inwendige 'Zending. En deze „Ned. Herv. Bond voor Inwendige Zending op Geref. grondslag in Nederland" heeft nu zijn eigen Orgaan : Hervormd Evangelisatieblad.
Zooals men weet heeft ons Hoofdbestuur, met name ds. J. J. Timmer en later ds. J. G. Woelderink, zich voor den Evangelisatiearbeid in 't midden van onze Ned. Herv. (Geref.) Kerk jaren achtereen gegeven. De Gereformeerde Bond is de oprichter van die Evangelisatie-organisatie geweest. En de heeren ds. G. Lans, vroeger in Friesland dominé zijnde, en ds. A. Luteijn, aan de grens van Groningen predikant zijnde, ook ds. Terlouw, toen in Friesland wonend, later In Noord-Holland, hebben zich als secretaris en penningmeester verdienstelijk gemaakt.
Met groote dankbaarheid brengen we dat gaarne in herinnering. Er was altijd groote hulpvaardigheid en hartelijke samenwerking.
Nu is er een afzonderlijke organisatie voor dezen arbeid in 't leven geroepen, waartoe het Hoofdbestuur van den Gereformeerden Bond, met ds. Woelderink als tusschenpersoon, veel heeft mogen bijdragen, opdat het gelukken zou.
Geen wonder, dat wij ons dus hartelijk verheugen nu de nieuwe Bond er onder een eigen Bestuur en met een eigen blad, is!
In het Bestuur van den Bond voor Inwendige Zending hebben zitting : ds. B. N. B. Bouthoorn, voorzitter, Harderwijk; ds. J. C. Terlouw, 1ste secretarie, Garderen; E. J. van Spankeren, 2e secretaris. Torenstraat 3, Ede; G. J. Brouwer, Ie penningmeester. Zijlstraat 23 rood, Haarlem, Giro no. 280359 ; A. van Barneveld, 2e penningmeester. Delft; ds. G. Lans, Huizen; ds. A. Luteijn, Onstwedde; ds. P. A. A. Klüsener, Bo­degraven en T. van Delen, Nieuweroord. Dit Bestuur waarborgt ons een groote activiteit èn een oprechten zin tot hartelijke samenwerking met onzen Gereformeerden Bond, die de vader van dezen arbeid is. Want het zou kinderachtig — en veel erger nog — zijn, indien de kracht gezocht werd in strijd tegen de broederen en hatelijkheden aan 't adres van geestverwante personen. Zulke organisaties kunnen we missen als kiespijn. Ons volk, onze Kerk heeft behoefte aan anderen arbeid, waarbij de lust voorzit — zooals het Evangelisatieblad zelf zegt — om den broederband te versterken ! Eendracht maakt macht. En het is des Heeren bevel, dat het alzoo zijn zal.
Wij hopen dan ook — en verwachten dat — dat onze Bonden hartelijk en heerlijk kunnen en zullen samenwerken. En wij van ónzen kant willen het dan ook wel uitspreken, dat we gaarne in alles de helpende hand willen bieden, zooals we dat altijd gaarne doen aan allen, die met ons het goede zoeken op het terrein, waar de Heere ons — vooral nu — een zoo grootsche, zij 't ook moeilijke, maar dan toch heerlijke taak geeft.
Wij hopen dat velen, zéér velen lid van den Evangelisatiebond zullen worden, lezer van het Evangelisatieblad, en daardoor het Evangelisatiewerk daadwerkelijk krachtig zullen steunen.
Voor zulke concurrentie zijn we niets bang. Integendeel, de liefde is niet afgunstig, wetende, dat de Heere meer dan één zegen heeft. Hij beschaamt niet degenen, die op Hem betrouwen en in Zijn wijngaard willen werken en aanpakken, uit liefde tot de waarheid, uit liefde tot de Kerk, uit liefde tot land en volk.
De heer E. J. van Spankeren, te Ede, wacht op uw berichtkaart, dat gij lid worden wilt.
De heer G. J. Brouwer, te Haarlem, wacht op uw girobiljet, dat aan zijn adres is ingevuld met no. 280359.
's Heeren zegen worde rijkelijk ervaren, om telkens met nieuwe kracht voort te gaan.
De Heere is een waarmaker van Zijn Woord. 't Zal nooit ledig wederkeeren, maar altijd doen wat Hem behaagt en voorspoedig zijn waartoe Hij het zendt. Voorspoedig
De Heere geve heil, de Heere geve voorspoed !

’T BLIJFT EEN WONDERLIJK MAN
Mee door het optreden van dr. Louis A. Bahler, nu juist 30 jaar geleden, is de Gereformeerde Bond ontstaan. Genoemde moderne dominé schreef toen een boekje over het Boeddhisme, waarbij hij verklaarde, dat die heidensche godsdienst 'gunstig afstak bij het Christendom — „christelijk barbarendom" ~. Sinds heeft die Boeddha-vereerder den kansel vaarwel gezegd. Maar in z'n gevoelens is hij blijkbaar niet veel veranderd ten goede. Althans hij heeft nu een boekje geschreven (2de druk) „een populairwetenschappelijke uiteenzetting van het Boeddhisme".
Of hij Boeddhist is ? Hij zegt zelf nu:
»Ik wensch niet, Boeddhist te zijn", zegt hij. „Ik wensch niet, Christen te zijn. Ik wensch niets te wezen. Wanneer ik niets ben, dan pas kan ik alles begrijpen, alles waardeeren, alles genieten, alles liefhebben. Ik kan er dus alles bij winnen, wanneer ik niets ben. Ik zou er bij tekort komen, indien ik iets was. Ik heb geen heilig huisje. Er is maar één Heilig Huis en dat is het Universum. Daar ben ik thuis. Ik neem geen enkele stelling in. Wie een stelling inneemt, doet dat om zich te verzekeren en om zich te verdedigen. Ik heb niets te verzekeren en ik heb niets te verdedigen. Mijn veiligheid niet en mijn zaligheid niet. Ik veroordeel alle eenkennigheid. Ik ben een mensch zonder naam geworden en ik voel mij als een verloste«.
Wie dat begrijpen kan, zegge het vrij. Volgens de N. Rt. Crt. (wij hebben zelf het boekje nog niet gelezen) vat hij zijn karakteristiek van het Boeddhisme als volgt saam :
»Het Boeddhisme aanvaardt wel een absoluut-onpersoonlijk, universeel Zijn, dat aan alle wordingsprocessen ten grondslag ligt (op gelijke wijze als wij het vaste begrip „leven" noodwendig als grondslag aanvaarden moeten der aanhoudend veranderende levensverschijnselen), maar het kent niet een Opperwezen als Schepper en Onderhouder en persoonlijke Zelfstandigheid buiten of boven het heelal; het predikt wel den onafgebroken duur des levens, maar het kent geen eeuwigheid toe aan de menschelijke ziel in afgescheiden voortbestaan ; het predikt wel gelukzaligheid, doch vrij van elk dogmatisch hemelgeloof en aan geen bepaaldheid in tijd of ruimte gebonden ; het predikt wel een verlossingsproces, maar zonder een plaatsvervangenden verlosser ; het predikt wel bevrijding van zonde en schuld, maar door den mensch zelve en zonder den denkbeeldigen bijstand van kerk, priesterschap, sacramenten of ceremoniën ; ten slotte predikt het Boeddhisme een Summum Bonum of Hoogste Goed, namelijk het Nirwana, dat echter In èlk leven en in élke wereld, ook reeds in dit leven, ook reeds in déze wereld bereikbaar is door een levenswandel in zuiverheid en in wijsheid, door alle zelfzucht te overwinnen en zich in wezen één te gevoelen met alle wezens«.
Het is toch maar goed, dat zoo'n dominé het in de Ned. Hervormde Kerk niet kon uithouden. Heel veel heeft onze Kerk er niet aan verloren. Het ambt van Dienaar des Woords vraagt een ander geloof en een andere belijdenis.

KOHLBRUGGE
De reis naar het Wupperdal. 6)

Op 29 Juli 1833 had Kohlbrugge in het Zendingshuis te Barmen gesproken over de woorden van den Apostel Paulus in den brief aan de Romeinen, het zevende hoofdstuk, het 14e vers. Evenals anderen, had ook hij van dit vers deze verklaring gegeven : „Ik ben vleeschelijk, dat beteekent voorzoover ik vleeschelijk ben, verkocht onder de zonde". Op weg naar huis, bleef hij nog maar steeds over deze tekst nadenken. Thuis gekomen, vond hij daar een verzoek van Gottfried Daniël Krummacher, die ziek geworden was, om hem in de avonddienst op Woensdag te vervangen. Kohlbrugge voldeed aan dit verzoek en verdiepte zich opnieuw in dezelfde tekst uit den brief aan de Romeinen. En nu ontdekte hij, wat hem te voren niet opgevallen was en hetgeen toch op de zin van het vers en daardoor op het geheele hoofdstuk en de geheele brief nieuw licht wierp : in de Grieksche tekst staat een komma achter het woord „vleeschelijk". Dat trof hem buitengewoon. Dus niet alleen, „voorzoover ik vleeschelijk ben, ben ik. Paulus, verkocht onder de zonde" ; neen, ik, Paulus, ben als Paulus vleeschelijk; ik Paulus ben, zooals ik ben, verkocht onder de zonde, ik ben het ook als de wedergeborene, ik ben het tegenover de Wet. Deze nieuwe ontdekking maakte Kohlbrugge „dronken van troost". Hij moest Gods erbarming prijzen en met een onbegrijpelijke snelheid schreef hij zijn preek op. Voldoende tijd om de preek van buiten te leeren, had hij niet meer; en zoo gebeurde het, dat hij op Woensdagavond, zoo maar voor de vuist, zonder aan een bepaald concept gebonden te zijn, in de oude Gereformeerde Kerk preekte. Of het aan de vrije voordracht lag of aan de verrassende inhoud van zijn rede — hij maakte een geweldige indruk op zijn toehoorders.
Evenzoo maakte diepen indruk op de gemeente zijn uitlegging van Psalm 65 vers 5 (Heil hem, die gij verkiest en doet naderen om te vertoeven in Uwe voorhoven, dat wij ons verzadigen aan de heerlijkheid van Uw huis, aan de heiligheid van Uwen tempel). Verder zijn preek over Romeinen 1 vers 17 op 11 November (De rechtvaardige zal uit het geloof leven) en de preek over Romeinen 3 vers 31 op de daarop volgende Zondag. (Doen wij dan de wet teniet door het geloof ? Dat zij verre ! Maar wij bevestigen de Wet!) 31 Juli 1833 bleef een zeer bijzondere datum in het Wupperdal.
Een tweede bekeering van Kohlbrugge had plaats gevonden. „Ik weet niet, dat mij ooit in mijn leven iets meer aangegrepen heeft dan het zien van deze komma". Ook de wedergeborene staat onder het oordeel : verkocht onder de zonde. Ook voor hem is Christus alleen wijsheid, rechtvaardigheid, heiligmaking en verlossing. Allen, die het hooren willen, wil Kohlbrugge het van nu aan verkondigen : dat God goddeloozen rechtvaardigt, en dat Jezus Christus, die in het vleesch gekomen is en door God tot zonde gemaakt is, de eenige Heiland is. De schets van deze beslissende preek bevindt zich in het archief van de bibliotheek te Utrecht. Men heeft van deze schets een afdruk gemaakt. Het is een smalle strook papier, waarop Kohlbrugge haastig zijn opmerkingen geschreven heeft. Het stuk (in het Duitsch geschreven) bevat veel fouten en toont duidelijk, met hoeveel haast hij de verschillende gedachten, die zich aan zijn geest opdrongen, in telegramstijl wilde vastleggen. De inleiding behandelt de vraag : waarom de Wet gepredikt wordt. Het eerste deel geeft „Drie rustpunten in de tekst zelf", het tweede deel behandelt het tekstgedeelte: „Maar ik ben vleeschelijk", het derde deel zet nader uiteen, wat het beteekent: „Verkocht onder de zonde". Keert men het stuk papier om, dan vindt men de aanteekening van de hand van Kohlbrugge : „gehouden te Elberfeld 31 Juli 1833" en een citaat van John Bimyan. Tegen de bijzondere uitlegging van Romeinen 7 door Kolhbrugge, heeft men nooit iets anders kunnen inbrengen dan de oude verklaring, die hij juist van de hand gewezen heeft: dat Paulus als wedergeborene in zichzelf tweeërlei ik onderscheidt, dat hij spreekt van een geestelijk ik van den nieuwen mensch en een vleeschelijk ik van den ouden mensch.
Juist het recht om deze onderscheiding te maken, bestrijdt Kohlbrugge. Hij ziet hier den door het bloed van Christus gerechtvaardigden en geheiligden en van alle zonden gereinigden Christen „in zich zelf" (dat beteekent in zijn „vleesch-zijn", in zijn „verkocht zijn onder de zonde"). Hier gaat het niet om verdienste en ook nog genade, hier gaat het niet om genade en ook nog om een beetje verdienste, maar óf om verdienste óf genade, óf om Wet óf Evangelie.
„Ik ben vleeschelijk. Paulus zegt, als hij deze brief schrijft, niet: ik was vroeger — maar ik ben vleeschelijk. Welnu, deze waarheid, dat de ééne zonde, die wij van onze stamouders geërfd hebben, niet alleen bij degenen, die den duivel toebehooren, maar ook bij de kinderen des lichts een diepe bron van' alle kwaad is, dat zien wij ook dikwijls aan andere heiligen en geloovigen. Daar vinden wij moord en echtbreuk bij David ; hoererij bij Juda en Thamar ; onreinheid en ontucht bij Simson en bij Lot, nadat hij uit Sodom gered was ; afgoderij bij Salomo; hoogmoed bij Hiskia ; dronkenschap bij Noach ; twist en tweedracht tusschen Paulus en Barnabas ; huichelarij bij Petrus ; onder de eerste Christenen hoererij, oru: einheid, schandelijke begeerten en booze lusten, en bij de Apostelen ontrouw jegens hun Heiland. De apostel zegt: Ik ben verkocht onder de zonde. Zoo hebben het ook alle heiligen van oudsher ervaren en zoo ervaren wij, die gelooven, het ook. Deze harde meester zegt: Gij zijt van mij, inwendig en uitwendig, met uw oogen, uw lichaam, uw handen en uw voeten en met alles, wat aan u is. Deze meester vleit ons, zoodat wij niet weten wat wij doen, en hem gehoorzamen tegen onze plicht en onze begeerte in en willen, terwijl wij toch eigenlijk niet willen«.
[Wordt voortgezet.]

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 oktober 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 oktober 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's