De Heidelbergsche Catechismus (8)
De Geestelijke Vaders van den Catechismus (1).
De vrucht van het godsdienstgesprek te Heidelberg, waarbij Calvinistische en Luthersche godgeleerden over de verschilpunten in de leer samen disputeerden, vooral over de Avondmaalsleer, was voor den Keurvorst, dat zijn hart hoe langs hoe meer uitging naar de leer van den grooten reformator Calvijn. En als Calvinist wenschte hij nu èn voor de Hoogeschool èn voor zijn vorstendom en volk te doen, wat naar zijn eerlijke en innige overtuiging was. Natuurlijk bleef de tegenstand van de Lutheranen toen niet uit, maar Frederik trotseerde alle hinderpalen en tegenspraak, volgde de stem zijner overtuiging, waarbij het onderzoek van de Heilige Schrift hem tot onderwijzing was. Hij wenschte te handelen en te wandelen naar de Schriften, die alleen wijs kunnen maken tot zaligheid en die ons de ordinantiën Gods bekend maken.
De Hoogeschool was daarbij het voorwerp van zijn bijzondere en aanhoudende zorg. „Daar toch werden de boomen geplant en de zaden gestrooid, daar werd de akker bearbeid, die eenmaal vruchten moest geven. Was de grond eenmaal goed en ontvangbaar, men kon dan tien-en zestig-en honderdvoudige vrucht verwachten". Hoogleeraren en studenten werden in dezelfde richting gekozen en gedreven. Het Onderwijs werd aan uitstekende mannen toebetrouwd, hun honorarium bepaald en aan arme studenten werd kosteloos toegang gegeven tot hunne lessen.
Het collegium sapientiae veranderde de Keurvorst in een Seminarium voor toekomende leeraars en Caspar Olevianus werd als leeraar benoemd. Toen deze tot Hoogleeraar benoemd v/as kwam in zijn plaats Zacharias Ursinus. Deze mannen, naast anderen (o.a. Immanuël Tremelli) streefden er naar het ideaal van Frederik III: Heidelberg tot een der voornaamste zetels van het Calvinisme te maken, te verwezenlijken.
Frederik III was een dier zeldzame vorsten, bij wien zich innige vroomheid aan helder inzicht en rijp oordeel paarde. Hij mocht met recht genoemd worden „de Wijze" (evengoed als „de Vrome"), en dan niet „filosoof", maar „wijze" in den waren zin des woords, zijnde een vorst, die zelf dacht, zelf onderzocht en zijn gansche leven aan zijn overtuiging ten offer bracht. En hij begeerde met alles wat in hem was, dat de Zwitsersche belijdenis de grondslag van het volksleven mocht worden en .zijn land tot zegen mocht zijn. Doch zou zij dit kunnen zijn, dan moest de met zooveel moeite en strijd verworven waarheid onder 't volk geleerd worden, te beginnen bij de kinderen en de eenvoudigen. Dan moest er een leerboek komen, om de gereformeerde leer van geslacht tot geslacht voort te planten. En dan moest er óók komen een Kerkorde, om het karakter der nieuw ingerichte Kerk te doen uitkomen en te bewaren.
De vervaardiging van zulk een leerboek, dat de gansche geest der Hervorming in den Palltz goed en helder uitdrukte, was allereerst noodzakelijk.
Over 't algemeen verkeerde het volk in groote onkunde, wat de geestelijke dingen aangaat. De Roomsche Kerk had niet veel gedaan, om de geslachten op te voeden in kennis aangaande de goddelijke waarheden. Men wist niets !
De onwetendheid van de geestelijken was spreekwoordelijk. Hun immoraliteit was vreeselijk. En zij waren niet in staat geweest om de menschen te onderwijzen, zooals de Kerk dat behoort te doen, predikende het Woord. De geestelijken preekten slechts over „denkbeeldige wonderen, smakelooze fabelen en verdiensten der heilig-en, over de waardigheid van de Heilige Maagd, over de geldelijke prijs van de zaligheid en over de ondragelijke hitte van het vagevuur". Zoodoende verkeerde de menigte in een staat van verwildering en het goede godsdienstonderwijs ontbrak geheel.
Luther stond voor de groote taak de menigte de Waarheid Gods te moeten en te mogen prediken, terwijl die menigte alle opvoeding miste en terwijl de priesters zelf niet onderricht waren.
In 't begin zag hij die moeilijkheden nog zoo niet. Maar toen hij in 1528 en '29 een visitatiereis gemaakt had en verschillende steden en dorpen bezocht had, schreef hij : „Ik heb de Kerken bezocht en ik heb het arme volk zóó onwetend aangetroffen, dat ik er medelijden mee heb" (Voorrede van zijn Groote Catechismus).
Onderricht was noodig. En voor dat onderricht was een leerboek, een Catechismus noodig.
Dat hebben de christenen altijd gevoeld. In de dagen van Augustinus reeds, ook in de Middeleeuwen, toen de vóór-reformatorische bewegingen kwamen. Vanaf de beroemde school der catecheten te Alexandrië, tot de volgelingen van Wicklef en de Moravische broeders toe, zien we, dat er allerlei leerboekjes zijn, om de ware godsdienst te bevorderen en de kennis aangaande de goddelijke waarheden onder het volk te brengen.
Ook de Roomsche Kerk had haar leerboekjes — maar die misten de onderwijzing van de Schriftuurlijke waarheden.
En zoo was het voor Luther en al degenen, die de Reformatie voorstonden, geen vreemde en onbekende zaak : dat er een Catechismus komen moest, met het doel kennis bij te brengen van de eenvoudige waarheden aan de kinderen op school en aan de eenvoudigen in de Kerk !
Van de leerboekjes, die er in Luther's dagen reeds bestonden, noemen we de Catechismussen (zeer onvolmaakt, maar toch oneindig toeter dan die uit de vorige eeuwen) : van J. Jonas van 1522 ; van M. Rhégius van 1523 ; van Bugenhagen van 1524 ; van Brenz van 1527 (later gaf deze nog een andere)) ; van Hegendorf, Lachmann, Althammer (1528), Agricola, Gretzinger en Folz.
Alle laten veel te wenschen over. De polemiek neemt te groote plaats in, de indeeling van de stof is te weinig logisch, de vorm maakt ze moeilijk toegankelijk voor het kind, en de grond is niet altijd naar het Evangelie.
In 1516 verscheen te Straatsburg een Catechismus, die ons toont, dat deze stad bij het eerste roepen der Hervorming paraat zou zijn om de banier des Evangelies op te heffen en uit te planten.
In 1527 verscheen een boekje van Wolf Capitons : Kinderbericht und Fragstücke vom Glauben (in 1529 verscheen de 2de druk), waarin een duidelijke uiteenzetting van de christelijke leer in vraag en antwoord.
Toen Luther zich zette tot het opstellen van zijn Catechismus, waren er dus reeds verscheidene Catechismussen in omloop, waaronder enkele van waarde en beteekenis. En met bovenstaande zijn nog niet alle genoemd !
Luther begon met een paar heel eenvoudige boekjes, en wel in 1517 : „Verklaring van het Onze Vader voor eenvoudige leeken en onwetenden" en in 1520 met : „Verklaring van de Tien Geboden, de Apostolische Geloofsbelijdenis en het Onze Vader".
Na het eerder genoemde bezoek aan de Kerken, kreeg Luther medelijden met de arme predikanten, die voor het meerendeel zelf de Tien Geboden en de Geloofsartikelen niet kenden — en kreeg hij medelijden met de arme boeren, die meenden, dat ophouden Roomsch te zijn, beteekende ophouden christen te zijn !
De te behandelen stof had hij in de reeds verschenen boekjes, die hij slechts had te zuiveren en te ordenen en aan te vullen, en zoo schreef hij in 1529 zijn twee Catechismussen, elk met een afzonderlijk doel : de Groote voor de predikanten, de Kleine voor het volk. In het voorbericht van de Kleine wordt verwezen naar de Groote, waaruit men zou besluiten, dat de Groote eerst is verschenen. — hoewel de meeningen daarover verschillen. In elk geval zijn ze een paar maanden na elkaar verschenen en dus ongeveer tegelijk bewerkt door Luther zelf. Niemand heeft ze hem opgedragen. Hij is er zelf toe gekomen en heeft het ook zelf gedaan. Langen tijd heeft geen enkele kerkelijke beslissing ze aan de Kerk voorgeschreven.
De Roomsche Kerk ontketende aanstonds een heftig verzet er tegen.
Filips II van Spanje en Keizer Ferdinand 1 verboden de lezing er van bij uiterst streng plakkaat.
Onder de Protestanten vonden ze alom een goeden ingang voor kerken en scholen. In 1568 moeten 100.000 exemplaren in omloop zijn geweest.
De hoofdinhoud van Luther 's Catechismus was: de Tien Geboden, de Artikelen des Geloofs en het Onze Vader. „In deze drie stukken vinden wij eenvoudig en kort wat een christen dient te weten", schreef Luther reeds in 1526.
Later voegde Luther er bij : twee hoofdstukken over de beide Sacramenten der Protestantsche Kerk. Nog later is er bij gekomen een derde hoofdstuk, dat handelde over : de sleutelen des Hemelrijks (wat niet door Luther zelf ontworpen is).
[Wordt voortgezet.]
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 oktober 1936
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 oktober 1936
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's