NATUUR EN GENADE
XIII.
De genade als verlossende kracht Gods in Christus Jezus schept naast of in de eens van God geschapen wereld niet een nieuwe wereld, met andere en meerdere schepselen dan de eerste. Zij schept ook naast den mensch, die eens van God geschapen werd, niet een nieuwen mensch met andere en meerdere vermogens dan de eerst geschapene. Zij is verlossend, reinigend, heiligend, levendmakend werkzaam ten opzichte van die eerste schepping en dien eersten mensch, die door de zonde verdorven werden.
Zooals zij geen nieuwe schepping plaatst naast de eerste, geen nieuwen mensch naast dien, die in het paradijs verscheen, zoo komt de genade ook niet met een nieuwe wet naast de eerste wet, onder welke de mensch in den aanvang gezet werd.
In een van onze vorige artikelen hebben wij reeds even daarbij stilgestaan, toen wij verklaarden, hoe de genade de wet niet opheft, maar juist de vervulling der wet geeft en hoe deze wet geen andere is dan die van den aanvang af gelding heeft gehad. Daarom veroordeelde Jezus alle voorschrift, dat in strijd is met wat van den beginne af geldige kracht van Gods wege heeft gehad.
Thans zullen we iets uitvoeriger hierbij moeten stilstaan in verband met het beweren van velen gedurende de verloopen eeuwen, dat het evangelie der genade zich juist daardoor kenmerkt, dat het met een nieuwe wet is gekomen. Het doet er niet toe, of men hier het woord wet gebruikt, dan wel een andere uitdrukking. Er zijn er zelfs geweest, en zij zijn er nog, die beweerden, dat het evangelie met de wet niets te maken heeft en de wet geheel heeft opgeheven, terwijl zij met die wet eigenlijk niet anders bedoelen dan de wet des Ouden Verbonds en hun uiteenzettingen duidelijk laten zien, dat de opheffing der wet bij hen niet anders beteekent dan de vervanging van de wet des Ouden Verbonds door een gansch nieuwe wet. Deze wet is dan de wet der liefde en zij zijn zoo naïef te meenen, dat de eisch der liefde, door het evangelie gesteld, een vrijmaking van de wet beteekent. Niets dan liefde, maar ook niet meer dan liefde, vraagt volgens hen het evangelie, en wie Hef heeft, heeft geen verdere omschrijving noodig van Gods wil, die doet door de liefde van zelf, wat goed is. Door dezen meer dan oppervlakkigen gedachtengang geleid, hebben zelfs sommige predikers zich laten verleiden om de voorlezing van de Tien Geboden in de godsdienstoefening af te schaffen en die te vervangen door den korten inhoud, zooals Jezus dien weergeeft in de beide geboden, aan welke de gansche wet en de profeten hangen. De laatste woorden van den Heiland hadden hun kunnen leeren, dat hier van een andere wet gansch geen sprake was. Maar de tegenstelling, die velen nu eenmaal zien willen tusschen het Oude en het Nieuwe Verbond, liet hun niet toe den juisten zin der woorden te vatten.
Allereerst zij dan gewezen op het kluizenaarsleven en het kloosterwezen, zooals zich deze al spoedig in de Christelijke Kerk een plaats hebben weten te veroveren en die rusten op de gedachte, dat het evangelie een leven eischt en de genade een leven wekt, dat in het gewone leven niet thuis hoort. De band, waarmede wij van den aanvang af met de wereld en met het menschelijke geslacht en het menschelijke leven verbonden zijn, moet verbroken ; de roeping, die men in dat menschelijke leven zich zag toevertrouwd, moet opgegeven worden om in de eenzaamheid zich Gode toe te wijden. Het evangelie komt dus met een wet, die meer van den christen vraagt dan de wet, onder welke de mensch als zoodanig is geplaatst. De Roomsche Kerk heeft deze dwalende gedachte vastgelegd in de leer van de overtollige goede werken.
Door deze zelfde gedachte zijn ook de Wederdoopers gegrepen, maar zij werken haar gansch anders uit. Gods genade brengt tot een wetsvervulling, die mag doen spreken van het Koninkrijk Gods, dat op aarde geopenbaard is. De gerechtigheid van het Koninkrijk Gods staat lijnrecht tegenover de gerechtigheid, die in de wereld geldt. Niet alleen in dien zin, dat in Gods Koninkrijk de Geest van God heerschappij heeft en in deze wereld de duivel als leidsman optreedt; dat erkent de Schrift ook, waarom de duivel de overste der wereld wordt genoemd, maar in dien zin, dat de koninkrijken der aarde zelf uit den duivel zijn en dus feitelijk door het Koninkrijk Gods vervangen moeten worden.
Deze gedachte heeft de eerste Wederdoopers tot een revolutionaire secte gemaakt. Zij konden de Overheid niet zien als regeerende bij de gratie Gods, waardoor de christen ontslagen was van de plicht tot gehoorzaamheid aan de Overheid. Zooals het Koninkrijk Gods voor hun besef een tegenstelling vormde met de aardsche koninkrijken, zoo was ook de wet van Gods Koninkrijk een andere dan die, die onderwerping vroeg aan de aardsche machten. In de consequenties, te Munster getrokken, blijkt, dat deze wet van Gods Koninkrijk ook niets met de wet der Tien Geboden heeft te maken.
De latere Doopsgezinden hebben zich wel zooveel mogelijk van revolutionaire smetten gereinigd, maar de oorspronkelijke gedachte, dat de aardsche koninkrijken uit den booze waren, bleef. Een Doopsgezinde kon geen Overheidsambt bekleeden, omdat naar zijn meening het dragen van het zwaard het oefenen van gerechtigheid door middel van macht, het heerschappij hebben over anderen, den christen niet geoorloofd was. De christen moge geroepen zijn tot onderwerping aan de aardsche machten, deze aardsche machten zelf zijn niet uit God; zij behooren tot een ordening des levens, die uit menschelijk geweld opkomt en buiten het Koninkrijk Gods staat. Wie de wet van het Koninkrijk Gods zal vervullen, vindt geen plaats meer in deze ordening; hij kan daar zijn God niet naar behooren dienen.
Dit dualisme, door de Doopsgezinden als een onontkoombaar iets aanvaard, werd ten gevolge van hun oprechtheid opgelost doordat zij zich zoowel aan den krijgsdienst als aan het Overheidsambt onttrokken. Het was voor hen het verlaten van de wereld, die in 't booze ligt. Maar na hen zijn velen gekomen, die voor dit dualisme geen oplossing meer gezocht hebben, in zooverre zij uit het dualisme tusschen wereld en Koninkrijk Gods besloten hebben tot de noodzakelijkheid van een dualistische levenshouding. In de wereld leeft de mensch naar de wet der wereld en in Gods Koninkrijk naar de wet van dat Koninkrijk, maar het werd voor onmogelijk gezien om als christen naar de wet van Gods Koninkrijk te leven midden in de wereld. En wijl het als onmogelijk werd gezien, oordeelde men, dat God zulks ook niet eischte.
Ten opzichte van de Bergrede hebben velen dergelijke voorstelling bepleit. Deze rede des Heeren spreekt volgens hen van zulk een verheven leven, dat alleen in Gods Koninkrijk voor zulk een leven plaats is. Maar een christen verkeert hier nog niet ten volle in Gods Koninkrijk ; hij leeft nog midden in een booze wereld. Daar kan hij de voorschriften des Heeren niet volkomen in practijk brengen. Daarom moet hij hier gedurig naar een soort compromis zoeken.
Het verwondert niet, dat bij zulk een gedachtengang het Koninkrijk Gods meer en meer een eschatologisch begrip wordt. Het wordt verschoven naar de verre toekomst. Er is in deze wereld voor Gods Koninkrijk geen plaats. Een christen moet zich eenigermate bij de wereld aanpassen ; zijn christendom bestaat hoofdzakelijk in 't geloof, waardoor hij de komst van Gods Koninkrijk in den dag des Heeren verwacht.
Het is volkomen consequent, als in de Zwitsersche theologie, waarin de esclaclogische gedachte overheerscht, de heiligmaking tot dit geloof wordt teruggebracht. Voor een werkelijke vernieuwing van hart en leven is daar geen plaats. Het geloof is eigenlijk niet dan de erkenning, dat er aan 's menschen zijde noch heiligheid noch heiligmaking gevonden wordt; het geloof is de verwachting van wat de Heere doen zal.
Vooral ten opzichte van de verhouding Staat en Koninkrijk Gods hebben velen
in den loop der laatste eeuwen voor een dualistische zienswijze en een dualistische levenshouding gepleit. De staatkunde wordt dan gezien als van een eigen wettelijkheid te zijn ; de wetten die hier gelden, hebben niets te maken met de zedelijk-godsdienstige wetten, die God aan den mensch als zoodanig gaf. In zijn particuliere leven heeft de christen met de wet der Tien Geboden te rekenen, maar als magistraatspersoon kan hij in zijn regeeringsarbeid zich niet daarnaar richten ; daar kan hij enkel rekening houden met de wetten, die aan de Staatkunde eigen zijn.
Ten gevolge van den soteriologischen inslag der Luthersche theologie, is deze gedachte in Duitschland haast gemeengoed geworden. Voor een christelijke politiek is in de practijk van het leven geen plaats geweest. Een christelijke politiek werd een onmogelijkheid, een onding geacht. Ook Brunner in zijn ethiek staat op dit standpunt. Zoo moet verklaard worden, dat het nationaal-socialisme in Duitschland oppermachtig is geworden. Het is door kerkelijke kringen gesteund, die meenden, dat in de politiek enkel sprake is van een doelstelling, een concrete doelstelling, maar niet van beginselen, die aan Gods Woord moeten getoetst worden.
Ook het liberalisme ten onzent, dat de godsdienst uit 's lands raadszaal naar de binnenkamer verwees, rustte op een dualistische levensvisie en een dualistische levenshouding. In zijn particuliere leven betoonde menig liberaal voorman zich een eerbiedwaardig mensch ; ongodsdienstig konden deze mannen zelden genoemd worden; maar in de Staatkunde rekenden zij met andere beginselen dan die in Gods wet gegeven zijn.
Natuurlijk ontkennen wij niet, dat de politiek een terrein is, waar bizondere verzoekingen liggen voor den mensch en dat weinigen deze verzoekingen weten te weerstaan. Maar onder een christelijke politiek verstaan wij niet, dat 't politieke leven der christenen onberispelijk is en dat de politieke daden van een z. g. n. christelijke partij alle toetsing kunnen doorstaan ; dan zou men met recht van een farizeesch optreden mogen gewagen. Maar onder een christelijke politiek verstaan wij een politiek streven, dat erkent, dat Gods wet norm en richtsnoer is voor het gansche leven. Er is geen levensterrein of levensverband, waar Gods wet geen geldige kracht heeft.
Van een tegenstelling tusschen natuur en genade kan dus nimmer sprake zijn. Want de genade komt niet met een nieuwe wet, maar onderwerpt juist aan de wet des Heeren, die men verlaten heeft. Door de kracht der genade krijgt de wet Gods voor den christen geldigheid op alle levensterrein en hij is verzekerd dat van elk levensverband geldt, dat in het houden van Gods geboden groote loon is. Gelijk het zuurdeesem, in drie maten meels verborgen, het gansche deeg doortrekt, zoo kan evenmin Gods Koninkrijk in de binnenkamer besloten worden ; Gods genade doet het gansche leven opeischen voor den Heere der gansche aarde.
O. a/d IJ.
Woelderink
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 oktober 1936
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 oktober 1936
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's