De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

Nimmer het doel hier bereikt en toch vol van goeden moed

9 minuten leestijd

Niet dat ik het alreede gekregen heb of aireede volmaakt ben, maar ik jaag er naar, of ik hef ook grijpen mocht, waartoe ik van Christus Jezus ook gegrepen ben. Filipp. 3 vers 12.

Nimmer het doel hier bereikt en toch vol van goeden moed
(Slot.)
Als een christen telkens struikelt, bewaart dit hem voor moedeloosheid, dat hij terugvallende, terecht komt bij wat God heeft gedaan.
Hier ligt een van de redenen, waarom God de Zijnen de zonde niet onmiddellijk doet afsterven. In den strijd tegen de zonde leeren zij, dat zij ook na ontvangene genade niet in zich zelf kunnen roemen. Van de vrucht der genade moeten zij gedurig terug tot de genade zelf. Wat hebt ge, dat ge niet hebt ontvangen ?
Van zich zelf zijn ze nog hoogmoedig genoeg om dit te vergeten. Maar telkens struikelende leeren zij Gods genade steeds beter kennen als den eenigen grond hunner zaligheid. Op deze genade, hun bewezen, rust heel het nieuwe leven van de geloovigen. Daarom is het goed, dat zij steeds weer struikelen, opdat zij steeds hechter op dit fundament gefundeerd worden.
Op dit fundament van het leven der heiligmaking wijst Paulus, als hij zegt : Ik. jaag er naar, ", .of ik het ook grijpen mocht, waartoe ik van Christus Jezus ook gegrepen bén.
Twee waarheden worden hier onderstreept. De eerste is, dat een christen naar de volmaaktheid jaagt, wijl Christus hem gegrepen heeft. De tweede, dat hij de heiligheid des levens zoekt, omdat Christus hem gegrepen heeft met het doel hem tot de volmaaktheid te brengen.
Het gansche leven der heiligmaking wordt hier verklaard uit Christus' werk.
De christen zou geen christen zijn en zich niet aan Gods wet verbonden gevoelen, indien Christus hem niet gegrepen had en hem uit de ellende der zonde had uitgetrokken.
Om deze reden kan een christen zich nooit op zijn liefde tot de heiligheid des levens beroemen. Niettegenstaande een leven van toewijding aan den dienst des Heeren, blijft hij nederig. Wij hebben Hem lief — zegt de apostel, en hij zegt dit zonder aarzeling — omdat Hij ons eerst heeft liefgehad.
Het is dus niet zoo, dat God den christen liefheeft, omdat hij de heiligheid des levens najaagt. Het is juist andersom. Wijl God hem heeft liefgehad en deze liefde Gods is doorgebroken in zijn leven, daarom kan hij de zonde niet meer dienen.
Het is ook niet zoo, dat Christus den christen liefheeft, wijl deze een ander leven begeerde te leiden, maar de christen leidt een ander leven, omdat Christus hem heeft liefgehad, toen hij nog een zondaar was.
Het ware christelijke leven is niet het werk van den christen. Het komt enkel en alleen op uit het werk van Christus. Daarop blijft het rusten tot den einde toe. Daaruit ontvangt het alle levenskracht.
De liefde van Christus brengt tot een nieuw leven, maar ook tot een nieuwe hoop, tot een nieuwe blijdschap, tot een nieuwe verwachting. Daarom hindert het niet, of een christen telkens struikelt; hij kan daardoor zijn hoop, zijn verwachting, zijn blijdschap niet verliezen. Mogelijk, dat hij zelf een oogenblik meent, dat door hernieuwde zonde alles verloren is, maar zich verootmoedigende, komt hij opnieuw terecht bij Gods genade in Christus en vindt daar zijn hoop, zijn verwachting, zijn blijdschap terug. Want des Heeren werk wankelt niet.
In de tweede plaats moet het leven der heiligmaking verklaard worden uit het doel, waartoe Christus de Zijnen gegrepen heeft.
Immers als de Heere een zondaar als een brandhout uit het vuur rukt, dan is dat niet alleen om hem te verlossen van het rechtvaardig verdiende oordeel, maar bovenal om hem te verlossen uit de macht der zonde.
Gij zult zijn naam heeten Jezus, want Hij zal Zijn volk verlossen van hunne zonden.
Die zich zelf voor ons gegeven heeft, opdat Hij ons verlossen zou van alle ongerechtigheid en zich zelf een eigen volk zou reinigen, ijverig in goede werken.
Trouwens het doel der verlossing is geen ander dan om te herstellen, wat de zonde verdorven heeft. Christus' werk bedoelt daarom de Zijnen te brengen tot de gemeenschap Gods en de rechtvaardigheid des levens, uit welke zij zijn uitgevallen.
Is het dan wonder, dat een christen de heiligmaking najaagt ? En duidelijk is, dat wij hierin geen eigenwillig werk hebben te zien, maar dat de genade een christen daartoe drijft.
Het water in Rijn en Maas en Waal staat nimmer stil; onophoudelijk stroomt het verder ; het kan niet stilstaan; er zit een kracht achter dat water, waardoor het voort moet.
Zoo is het ook in het leven van den christen. Achter zijn liefde tot een leven in Godes dienst, werkt een kracht-, waardoor stilstand of terugkeer niet mogelijk is. Christus heeft hem gegrepen en houdt hem vast met vaste hand en laat niet toe, dat hij zich zelf weer in de zonde verderft. Hij leidt hem tot het doel, waartoe Hij hem gegrepen heeft.
Gelijk een christen niet op zekeren dag besloten heeft met de zonde te breken, maar genade hem te machtig werd, zoodat hij moest opstaan en wederkeeren, zoo is het ook niet mogelijk, dat hij op zekeren dag zou besluiten, wijl hij gedurig feilt en zijn weg telkens verderft, niet meer in Gods inzettingen te wandelen. Diezelfde genade, die zijn voeten op den weg des levens gezet heeft, zal hem op dien weg doen voortgaan.
Niet, dat de begeerte naar de vleeschpotten van Egypte nooit weer in 't hart van een christen opkomt; juist dat kan hem voor een oogenblik moedeloos maken, dat de zonde vaak veel krachtiger in hem werkt dan hij vermoed had en in den loop van den strijd, dien hij heeft te strijden, wordt hij er van verzekerd, dat als de Heere thans na ontvangene genade Zijn hand van hem aftrok, hij zich zeker weer in de zonde verderven zou. Daardoor krijgt niet alleen de genade, die hem midden in den dienst der zonde gegrepen heeft, groote heerlijkheid in zijn oogen, maar is ook zijn oog vol verwachting geslagen op het doel, waartoe Christus hem greep. Het begin en het einde van den weg des levens, de eerste bekeering en de volkomen verlossing van zonde, liggen in Christus' hand. Het verzekert den christen, dat Hij, die een goed werk in hem begonnen is, dat ook voleindigen zal tot op den dag, waarop hij altijd bij den Heere zal inwonen.
Hoe dwaas wordt in dit licht de zelfverheffing der antinominianen, die het zoeken van de heiligheid des levens bij een christen veroordeelen, meenende in hun onkunde, dat daardoor te kort zou worden gedaan aan den roem van Christus' werk. De Schrift laat ons zien, dat het mijden en vlieden der zonde, dat het wandelen met een teer geweten in Gods inzettingen, bij een christen geen eigen werk is, maar dat het Christus' werk is in de Zijnen, waardoor Hij ze voert naar het doel, waartoe Hij hen greep. Zoo doet het aan den roem van Christus' werk niet te kort, maar bevestigt dien ten volle, wijl Hij zich immers een eigen volk reinigt, ijverig in goede werken.
Aan deze waarheid toetse een ieder zich zelf. Wie in vrede met de zonde leeft, kan geen discipel van Christus zijn. Het leven van een nieuw leven in Godes dienst is een vast kenmerk van de verlossende kracht der genade.
Men bedenke daarbij, dat onze verhouding tegenover de zonde niet gekend wordt uit een veroordeeling van de zonden en een afkeer van de zonden, die wij bij een ander merken. Zij wordt alleen helder gekend uit de veroordeeling van die zonden, die wij bij ons zelf ontdekt hebben en uit het mishagen, dat wij daardoor aan ons zelf hebben gekregen.
De naam-christen kenmerkt zich immer door een hard oordeel over anderen, terwijl hij zijn eigen zonden verontschuldigt. De ware christen ziet zooveel kwaad bij zich zelf, dat bij een ander nooit gezien kan worden, dat hij bijwijlen vreest, dat de Heere nooit een knecht of dienstmaagd heeft gehad, met wie Hij zooveel moeite had.
Een innige droefheid over de zonde is de keerzijde van een Godgewijd leven. Wie nimmer heete tranen schreit over zijn afwijkingen, nooit in diepe verootmoediging zich neerbuigt voor God als één, die het onwaardig is, dat God de Heere zich met hem bemoeien zou, is ook nooit opgestaan tot een nieuw leven. Hij is van Christus niet gegrepen en heeft nimmer in oprechtheid gegrepen en gejaagd naar de kroon des levens. Geen deel hebben dezulken aan Christus, maar dat zij bedenken, dat zij niet door hun wegblijven van het Avondmaal gerechtvaardigd zijn, want wie erkend heeft buiten Christus te staan en niet in den weg eener waarachtige bekeering naar de genade van Christus heilbegeerig zoekt, heeft zijn eigen veroordeeling onderteekend.
Men meene ook niet, dat een waar christen van zijn gedurige struikelingen gewaagt, omdat het vroom staat daarvan te spreken. Dergelijke hypocrieten komt men gedurig tegen, die de verdorvenheid van hun hart breed uitmeten; zij hebben een afkeer van die menschen, die er zoo licht over heengaan; vijanden van Christus zijnde, zoeken zij zich een eigengerechtigheid op te richten door hun belijdenis en in hun getrouwheid aan de belijdenis ; zij klagen maar om te klagen en zich daardoor van anderen te onderscheiden.
Daarom is het een kenmerk van den waren christen, dat hij niet met groote woorden van de bedorvenheid van zijn hart spreekt, maar dat hij met des te meer droefheid daarover is aangedaan. De vernedering, waarmede hij zich in de binnenkamer voor zijn God heeft vernederd, bewijst, dat zijn belijdenis onder de menschen aangaande zijn vele struikelingen oprecht is.
Als hij niettegenstaande de zonde, die hem aankleeft, toch tot het Avondmaal toetreedt, dan is dat, wijl hij eenerzijds mede door zijn zonde des te beter leert Verstaan, dat hij alleen van genade leven kan en hij door zijn Avondmaalsviering alleen in Christus wenscht te roemen, anderzijds in Christus de kracht zoekt, daardoor hij meer en meer der zonde kan sterven en in een nieuw godzalig leven kan wandelen. Gij, die God vreest, verheugt u met beving in Gods wondere genade, waardoor u Christus werd gegeven tot rechtvaardigheid en heiligmaking, tot een volkomen verlossing.
(Schets van een nabetrachtingspreek).

O. a/d IJ.
Woelderink

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 oktober 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 oktober 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's