De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

VRAGEN BUS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

VRAGEN BUS

5 minuten leestijd

Vraag : Als iemand verloren gaat, mag en kan hij (zij) dan zeggen : dat is omdat ik niet uitverkoren ben en dat is niet mijn schuld, maar Gods schuld ?
Antwoord : Aanstonds na den zondeval is de mensch Adam begonnen de schuld van zich zelf af te schuiven en de schuld op God te werpen. Volgens Adam was Eva de schuldige, en Eva was de vrouw, die God hem gegeven had. Dus eigenlijk was God de schuldige — volgens deze redeneering. Maar de Heere legt de schuld op den mensch, geheel en al. Of is de mensch niet goed geschapen door den Heere en is de Heere hem niet liefderijk voorgekomen met het eeuwige leven, in een weg, die niet moeilijk was voor den mensch ?
Zoo hebben wij ons ook nü voor de schuldvraag te stellen.
Is de mensch niet de schuld, dat hij een zondaar is en spreekt de Heiland niet van de ongehoorzaamheid des menschen ; zegt Hij niet: Jeruzalem, gij hebt niet gewild ?
De mensch wil zich echter zoo gaarne verschansen achter allerlei gewrongen redeneeringen en hij wil zich zoo gaarne verschuilen achter allerlei vijgebladeren !
Ook met het stuk der verkiezing wil de zondige mensch gaan werken, om zich zelf schoon te wasschen en de schuld op God te werpen.
Maar de Schrift, als het geopenbaarde Woord Gods, onderricht ons wel beter! En wee de mensch, die Gods Woord veracht en het heilige wil gaan misbruiken in den dienst van ongehoorzaamheid en ongerechtigheid. Hij zal met vele slagen geslagen worden ! Of weten wij niet uit de Heilige Schrift, dat God het boek des levens verzegeld heeft en dat het stuk der verkiezing behoort tot de verborgene dingen, in zooverre het gaat om de namen, die er in geschreven staan ? Dat houdt God, de Heere, voor Zich Zelf en dat voornemen Gods stelt Hij nooit tot een regel voor óns. Zelf kent Hij degenen, die de Zijnen zijn ; die Hij Zich geëigend heeft en eigenen zal als Zijn eigendom, als Zijn volk en erfdeel. „Het vaste fundament Gods staat, hebbende dezen zegel, de Heere kent degenen, die de Zijnen zijn" (2 Tim. 2 vers 19). Maar dat eeuwig voornemen of besluit stelt de Heere nooit tot een regel voor óns. De wil des bevels is de regel voor ons en voor onze kinderen. In Zijn geopenbaarden wil heeft Hij ons bekend gemaakt wat Hij van den zondaar, van u en van mij, eischt. En daarom : vraag toch niet: „ben ik al of niet uitverkoren ? ", maar laat dat uwe bede zijn of worden : „wat moet ik doen, opdat ik zalig worde ? " Laat de poging niet zijn, om ons er af te maken, door te gaan spreken en twisten over 't geen des Heeren is, maar laten onze zonden en onze ongerechtigheden ons zwaar mogen wegen, om met een verbroken hart en verslagen geest tot den Heere te vluchten, niets ander wetende, dan onze zonden en schulden voor den Heere uit te klagen. Onze zonden, ónze zonden moeten het eerste en het voornaamste zijn of worden ! En als dat een harte zaak bij ons geworden is, dan zullen op 's Heeren tijd de zegels van het gesloten boek worden opengebroken en de Heilige Geest zal komen met de vertroostingen van Gods eeuwige liefde. Laat dan de Wet de tuchtmeester mogen zijn of worden tot Christus, om als een verloren zondaar te mogen proeven en smaken, dat er bij den Heere vergeving is, altijd geweest.
Zeg dan niet allereerst: „ik weet niet of ik een gegevene des Vaders ben en een gekende des Heeren". Vraag daar nu niet naar, dat zal de Heere u op Zijn eigenen tijd ontdekken, maar zie er wel naar uit, of gij reeds een arme van geest geworden zijt, een hongerige en dorstige naar de gerechtigheid, een bedroefde naar God. Want dezulken wil Hij zalig spreken !
En dan wordt gij openbaar als een, die van den Vader aan den Zoon zijt gegeven, van wien de Zoon gezegd heeft: „die tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen".
Laat ons dan alle drogredeneeringen nalaten en alle vijgebladeren afwerpen, om op genade te mogen leeren pleiten en op genade alleen.
Dan wordt de eeuwige liefde Gods over een arm zondaarsvolk, dat Hij van eeuwigheid gekend heeft, zoo groot, zoo wonderlijk, zoo heerlijk!
Twist dan niet met den Heere, maar leer uw Rechter om genade smeeken.
Weet ge wat Calvijn zegt bij zijn uitlegging van Matth. 10 vers 9—15, als hij het heeft over het verwerpen van het Evangelie en het afstooten van de predikers van de blijde boodschap ? Als hij gekomen is aan vers 15 : „Voorwaar Ik zeg u, het zal den lande van Sodom en Gomorra verdragelijker zijn in den dag des oordeels dan die stad" — dan zegt Calvijn : „Overigens leert ons deze plaats (n.l. vers 14), op hoe grooten prijs de Heere Zijn Evangelie stelt: en aangezien het een onvergelijkelijke schat is, is het ongetwijfeld een allersnoodste ondankbaarheid, het af te wijzen, wanneer het aangeboden wordt". En dan bij vers 15 : „Want wanneer de mensch zijn Maker en Formeerder gehoorzaamheid ontzegt, en zich niet verwaardigt naar Hem te hooren, ja zelfs Hem afwijst wanneer Hij hem vriendelijk roept, en geloof weigert wanneer Hij hem alles mildelijk toezegt, dan is deze snoodheid als het ware het uiterste toppunt van alle andere gruwelen".
Laat ons daaraan eens denken, om daarmee waarlijk te leeren werkzaam worden voor den Heere. Want Calvijn zegt verder : „En als nu op de verwerping van deze nog onvolledige prediking zulk een strenge wraak gevolgd is, welke verschrikkelijke straf blijft dan voor hen over, die Christus verwerpen, nu Hij met luider stem tot hen spreekt ? "
Van ons, aan wie veel gegeven is, zal ook veel geëischt worden. Laat ons daarom niet redetwisten over de dingen, die ons verborgen zijn, maar laat ons mogen staan naar de droefheid naar God, welke een onberouwelijke bekeering werkt tot zaligheid
 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 oktober 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

VRAGEN BUS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 oktober 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's