De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MANKE MURK

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MANKE MURK

EEN VERHAAL UIT HET FRIESCHE VOLKSLEVEN

6 minuten leestijd

Met toestemming: uitgever J. H. Kok te Kampen
Pleuntje had nog nooit nagedacht over het leven en over de gebeurtenissen van het leven en over de toekomst. God was voor haar vér af. Zij dacht nooit aan Hem, omdat zij Hem niet kende. Alles wat plaats greep, kwam vanzelf of omdat het zoo moest, en daarmee uit. In 't voorjaar kwam het nieuwe leven uit den winterslaap, en in den zomer gaf de bloesem vrucht, en in den herfst werd de late oogst binnengehaald en in den winter had de aarde rust, om op nieuwe kracht te komen. Zóó ging het daarbuiten in de natuur, en het eene jaar gaf meer regen of zonneschijn, meer voorspoed en geluk dan het andere jaar, maar overigens kwam alles altijd vrij gelijk met elkander overeen. Zoo ging het ook — naar zij dacht — in het leven der menschen. Komen en gaan, geboren worden en sterven, wisselden elkander geregeld af, en dat moest ook, want anders zouden er te veel menschen komen. En dat de zwakken en de ouden van dagen heen gingen, was óók goed, anders zou de wereld op 't laatst een invalidenhuis worden, waar de een met den ander verlegen werd.
Maar ook hierbij had zij nooit verder nagedacht dan tot zóóver, als met de zintuigen was waar te nemen. Zij dacht, het ging er juist mee als in den appelhof. Als in 't voorjaar de lentezon het leven ontwaken deed, leek het daar wel een bruiloft. Dan was de heele hof vol lieflijke geur van de reuzenbouquetten, waarmede de vruchtboomen getooid waren. Trossen bloesems in zacht rose, bekoorden het oog en lokten de bijtjes, om honig te puren, maar het duurde niet lang of die heerlijkheid was weg en bij elke huivering zelfs van het zachtste koeltje vielen ze bij honderdtallen neer, de teere vruchtbeginsels, die voor het leven niet bestand bleken te zijn.
Daar had Pleuntje wel eens bij stil gestaan en over nagedacht. Herinnerde haar de kortstondige pracht van de lente weelde niet altijd aan die jonge kindertjes, die pas gekomen, aanstonds óók weer heengingen, zooals in het gezin van een harer getrouwde zusters, waar men al meermalen in de blijde verwachting werd teleurgesteld en de bloesem verwelkte, nog eer de knop zich zetten ging ?
En dan verder. Ook van hetgeen in den aanvang nog bleef, ging later zooveel verloren. Wat waren er niet een vijanden, die dat pas ontwaakte en opgroeiende leven gingen bedreigen. Nachtvorst en hagelslag, wind en regen, honigdauw en zonnebrand, te veel om op te noemen, was oorzaak dat geregeld de onrijpe vrucht werd afgerukt en ter aarde viel, nog vóór het de tijd van oogsten was. En dan nog, — wat gebeurde het dikwijls, dat de vrucht o zoo schoon leek, en buitengewoon snel zich ontwikkelde en begeerig was voor het oog, maar dat ze toch niet deugde, omdat een rups of een ander insect reeds heel vroeg naar binnen was gedrongen, al dieper inborend in het leven tot het hart van de vrucht, vanwaar de uitgangen des levens zijn, was bereikt en haar dan te doen vallen, van buiten schoon, maar van binnen aangetast.
Zoo ging het óók met menschen, — zoo was 't ook met Elske gegaan. Aan den buitenkant was dat zoo niet te zien, maar van binnen deugde het niet. Daar knaagde dan een worm aan den levenswortel, waardoor niet bereikt werd de volheid van het leven, welke in den aanvang werd verwacht. Zóó ging het in de natuur met het blad en de bloem en de vrucht, zoo ging het met alles, tot zelfs met de menschen toe. Pleuntje kon dat wel niet precies zoo in woorden brengen, doch dit was haar beschouwing over het komen en gaan. Alleen vond zij het verschrikkelijk heen te gaan vóór den tijd, waarmede zij dan bedoelde, vóór dat men oud en des levens zat was.
In dien geest sprak zij tot Murk, en hij liet haar uitpraten. Was dit niet de levensbeschouwing van talloos velen, als zij gingen nadenken over het leven, en had hij zelf voorheen niet precies zóó gedacht, zonder zich verder te bekommeren over wat dan kwam, wanneer 't einde van het leven gekomen zou zijn ?
„Maar hoe moet het nu verder, Pleuntje ? " vroeg Murk, toen zij zoo vertrouwelijk hem gezegd had, hoe zij over het bestaan van alles dacht.
„Hoe bedoel je dat ? "
„Ja, zie eens, wij zijn nu eenmaal geen appel en geen veldvrucht. 't Leven, dat wij hebben, is zooveel hooger en meer, en dat worden wij ook aanstonds gewaar, als wij slechts even nadenken. Een appel denkt niet. Hij weet zijn leven niet bedreigd, zooals wij, en als hij komt te vallen, heeft hij geen pijn. 't Is met die vrucht afgeloopen. Wij eten haar op of werpen haar waardeloos weg en bekommeren ons daar verder niet over. Maar wij weten, wat lijden is, en wat sterven is en wij huiveren voor den dood".
„Juist, ik ben bang voor hem en moet er niet aan denken, als Elske te moeten sterven".
„Hoe komt dat zoo, Pleuntje ? "
„Ik weet het niet, maar de gedachte alleen maakt mij zoo angstig".
„Dat komt, omdat wij met God te doen krijgen, Pleuntje. Het Is den mensch gezet te sterven en daarna het oordeel. En als wij nu niet met God verzoend zijn door onzen Heere Jezus Christus, dan gaan wij voor eeuwig verloren".
„Wat is dat, verloren gaan, en hóé is dat dan ? " „'t Wil zeggen, dat wij niet komen, waar wij behooren te zijn, in de gemeenschap met God. En de Bijbel noemt dat een gaan in de buitenste duisternis, waar weening zal zijn en knersing der tanden en waar de worm niet sterft en het vuur niet wordt uitgebluscht".
„En ben je daar niet bang voor. Murk ? 'k Vind, dat alles te weten, maakt je nog ongelukkiger".
„Dat zou zoo wezen, als ik niet méér wist dan dat. Maar nu zegt de Heilige Schrift ons, dat de Heere Jezus in de wereld gekomen is, om zondaren zalig te maken, en dat Hij door Zijn bitter lijden en sterven de schuld betaald en de zonden verzoend heeft voor allen, die in Hem gelooven, waardoor zij nu mogen weten, dat voor hen iets anders is weggelegd".
„Wat dan ? "
(Wordt vervolgd.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 oktober 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

MANKE MURK

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 oktober 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's