KERKELIJKE RONDSCHOUW
HANDHAVING VAN DE BELIJDENIS EN LEERTUCHT.
De Kerk van Christus heeft haar eigensoortige belijdenis. „Wie zegt gij dat Ik ben ? " vraagt de Heiland van de Zijnen. En Zijn Gemeente moet antwoorden op Zijn vraag. Zij moet zelve weten wat zij gelooft. Zij moet haar geloof uitdragen onder alle creaturen. En zij moet voor die belijdenis opkomen, om haar als een dierbaar pand te bewaren en als een zalig goed te verdedigen. In 't midden van Gods bondsvolk was het vermaan des Heeren van ouds en telkens weer : „leg dan deze Mijne woorden in uw hart en in uwe ziel" — want het moet „gelooven met het hart" zijn — maar ook : „bindt ze tot een teeken op uwe hand en dat zij tot voorhoofdspanselen zijn tusschen uwe oogen" (want het moest in daden worden omgezet, met de hand, en het moest al de denkarbeid beheerschen, met al het verstand) — en dan : „leer ze uwen kinderen, daarvan sprekende als gij in uw huis zit en als gij op den weg gaat, en als gij nederzit en als gij opstaat" (Deut. 11 vers 18—19).
Voor valsche profeten en leeraars moest men zich wachten, men moest er voor waken en tegen strijden, dat men niet van het gezonde geloof werd afgevoerd en niet tot allerlei leugenachtig belijden kwam ! „Gij zult naar de woorden van dien (valschen) Profeet niet hooren ; want de HEERE uw God verzocht ulieden, om te weten of gij den HEERE uwen God liefhebt met uw gansche hart en met uw gansche ziel" (Deut. 13 vers 3).
Het behoort mee tot de verzoekingen, tot de beproevingen, welke de gemeente Gods moet doormaken, om in diepe afhankelijkheid te leven en den strijd des geloofs in gehoorzaamheid te strijden — dat er altijd weer valsche leeraars opstaan, om de geloovigen te verleiden en de Gemeente des Heeren, zoo mogelijk, tot afval te brengen.
En daarom moet er worden gewaakt, gebeden en gestreden.
„En de HEERE zeide tot mij : die Profeten profeteeren valsch in Mijnen naam. Ik heb ze niet gezonden, noch htm bevel gegeven, noch tot hen gesproken : zij profeteeren ulieden een valsch gezicht " (Jer. 14 vers 14). Wat mee hiertoe moet dienen, dat het volk en de leidslieden des volks — de ware leiders des volks — zullen opwaken, om tegen de valsche profeten te waarschuwen en te strijden en het volk terug te roepen tot den dienst des Heeren in waarheid en gerechtigheid, (vers 20, 21).
In de hooggeroemde Bergrede — door velen zoo hopeloos misverstaan — zegt de Heiland Zelf : „Maar wacht u van de valsche profeten, dewelke in schaapskleeren tot u komen, maar van binnen zijn zij grijpende wolven" (Matth. 7 vers 15). Wat heel iets anders is dan : verzet u niet — laat alles maar groeien zooals 't groeit — wees maar weerloos en lijdelijk — en verbeeldt u maar niet, dat gij de waarheid kent en dat 't geen wat anderen leeren, leugen en dwaling is
Noch onder het Oude Verbond, noch voor de Nieuw Testamentische gemeente geldt: „laat Gods water maar over Gods akker loopen". Nooit is het: „niemand weet wat waarheid is en daarom moet alle leer gelijk geacht worden". Van de opstanding van de dooden wist Paulus en de anderen niet alles; er was zooveel, dat boven het begrip ging. Maar toch stond hun geloof, door Gods Geest gewerkt en zijnde naar de Schriften, vast. En als er „sommigen onder hen zijn, die zeggen, dat er geen opstanding der dooden is" (1 Cor. 15) dan laat Paulus dat maar niet over z'n kant gaan, maar hij waarschuwt de gemeente voor de besmetting met de leugen ; welke leugen heel het werk der zaligheid in gevaar brengt. Het is voor den apostel maar niet „een interessante kwestie voor een samenspreking of een belangrijk onderwerp voor een studieboek", maar het gaat om het welzijn van de Gemeente, ja, het is voor hem, den man des Geestes en der kracht, die God en de Gemeente zoo lief heeft, een kwestie van zijn of niet-zijn.
Men kan lang en kort praten over wat dezelfde apostel schrijft aan Titus, den opziener der Gemeente (Titus 3 : 10), maar het is Paulus die hier aan het woord is, dezelfde Paulus van Gal. 1 vers 8—9.
Dat is geen „ketterjacht". Dat is ook geen zacht, vriendelijk, ethisch praten, met honig en fluweel in de mond. Dat is de man Gods, de man des Geestes, die van den Heere geleerd heeft wat voor den mensch tot dood en verdoemenis, maar óok wat voor den zondaar tot leven en zaligheid is ! Hij is door „donder en bliksem" heengeleid, heeft op de zeeën gezworven, in de gevangenissen gezucht, heeft Jood en heiden bezworen in Gods Naam : „Gelooft in den Heere Jezus Christus en gij zult zalig worden". En die apostel van geloof en kracht, van ijzer en staal, zegt: „indien iemand u een ander Evangelie verkondigt, buiten hetgeen gij ontvangen hebt, die zij vervloekt — ai was hij zoo lief als een engel uit den hemel (Gal. 1). Diezelfde apostel schrijft ook aan zijn medehelper Titus : „Verwerp een ketterschen mensch, na de eerste en tweede vermaning, wetende dat de zoodanige verkeerd is en zondigt, zijnde bij zichzelven veroordeeld" (Titus 3 vers 10).
Gewetenstucht is goed.
Laat het iemand maar aan z'n geweten gelegd worden, dat hij dwaalt en vei^keerd leert, wat zonde is — maar dan mogen en moeten de Gemeente, de Kerk des Heeren, de opzieners, die aan den opbouw der gemeente en de volmaking der heiligen, verder alles maar niet „blauw blauw laten" en rustig laten voortwoekeren, gelijk het onkruid doet.
De Apostel der liefde, Johannes de vrome dienstknecht van Jezus Christus spreekt en schrijft niet anders, dan de Heere geleerd heeft onder het Oude Testament en aan de Nieuw-Testamentische Kerk heeft geopenbaard. Als er opstaan in de gemeente, die filosofisch willen gaan spreken over Christus en loochenen, dat Hij waarachtig God is, ééns wezens met den Vader, aan heet de Apostel Johannes hen leuge naars en dienstknechten en handlangers van den vader der leugen, ja, van den anti-christ.
Even goed, als wanneer men heel geestelijk en vroom loochent, dat Jezus waarachtig mensch is, dat Hij, Gods eeniggeboren Zoon, vleesch en bloed heeft aangenomen uit de maagd Maria. Dan roept hij weer, zoodat ieder het hooren kan: „wie is de leugenaar, die dat loochent dat Jezus is de Christus — dat Hij waarlijk Gods Zoon is ; dat Hij, die van eeuwigheid God is, mensch geworden is ?
Leugenaars. Dienstknechten van den vader der leugen.
En dan moet in de Gemeente des Heeren er voor gewaakt, voor gebeden en gestreden worden : dat de werken des boozen mogen worden verhinderd of verbroken worden — en dat de Heere regeere over Zijn Kerk door Zijn Woord en Geest. (Heid. Cat. 48). Booze aanslagen zijn, die tegen Gods heilig Woord bedacht worden !
De Kerk heeft op te komen voor de zuiverheid der leer ! Geen andere leer, dan die naar Gods Woord is. En de Geest zegt duidelijk, dat in de laatste tijden sommigen zullen afvallen van het geloof (1 Tim. 4:1). „Verraders die alleen een gedaante van godzaligheid hebben". (2 Tim. 3 : 1—7). Heb ook een afkeer van dezen!
Dat is geen Farizeïsme. Neen, dat is geloofsgehoorzaamheid. Dat is liefde tot God en Zijn huis. „Indien iemand tot ulieden komt en deze leer niet brengt, ontvangt hem niet in huis" ; „hebt geen gemeenschap aan zijne booze werken" (2 Joh. : 10, 11).
In die leer zit hun boosheid. In die valsche leer komen openbaar hun booze
werken. En op leer en leven moet de Kerk des Heeren acht geven. „Heb ook een afkeer van dezen!"
Onze Gereformeerde Vaderen hebben van ouds niets willen weten van tuchteloosheid in de Kerk. In de Ned. Geloofsbelijdenis èn in de Dordtsche Kerkorde hebben ze neergeschreven : er moet opzicht en tucht zijn. Waarbij zij niet geschroomd hebben te zeggen, dat er de „excommunicatie" of „de ban" moet zijn, naar den Woorde Gods, met al 't geen daaraan vastzit (Art. 32 Ned. Geloofsbelijdenis; Art. 72 Dordtsche Kerkorde).
Maar ook de Heid. Catechismus spreekt er van in de Afdeeling, die handelt over de sleutelen des hemelrijks (Zondag 31). Die „onder den christelijken naam onchristelijke leer of leven voeren" zullen, als 't moet, „uit de christelijke gemeente gesloten worden".
De Gemeente zelve zal zich telkens moeten onderwerpen aan de tucht van Gods Woord en de bestraffing van Zijn hand.
Maar dan zal de Kerk des Heeren ook, in haar opzieners en vergaderingen, over de leeraars en de leden der gemeente opzicht en zoo noodig tucht moeten oefenen. „Indien uwe kinderen Mijne inzettingen ontheiligen en Mijne geboden niet houden, zoo zal Ik hunne overtreding met de roede bezoeken en hunne ongerechtigheid met plagen". Psalm 89.
Gezond in de leer en van goeden levenswandel moeten de leden der Kerk zijn. Waarvoor Calvijn drieërlei oorzaak en grond opgeeft :
1°. het strekt tot oneer van God, wanneer de Kerk ontheiligd wordt, in strijd met Zijn Woord, door leugen en schandelijkheid; de „rechtsmacht" der Kerk is er voor om er voor te waken;
2°. opdat de goederen door den gedurigen omgang met de boozen niet mochten verdorven worden, gelijk gemeenlijk pleegt te gebeuren. „Want onze geneigdheid om af te wijken is zoo groot, dat wij door niets lichter van den rechten weg des levens worden afgeleid dan door de kwade voorbeelden". „Een weinig zuurdeesem verzuurt het gansche deeg" (1 Cor. 5 vs. 6, 11).
3°. opdat de dwaalleeraars en boosdoeners zelven met schaamte zullen worden aangedaan en berouw mochten krijgen van hunne onreinheid. (2 Thess. 3 vers 14 : „opdat hij beschaamd worde"). Bij 1 Cor. 5 vers 5 teekent Calvijn dan ook aan : „dat is, naar mijn oordeel, dat Paulus hem met eene tijdelijke veroordeeling gestraft heeft, opdat hij mogelijk in de eeuwigheid zalig mocht worden".
[Zie : Calvijn. Institutie. IV—12—4 en 5.]
LEERGESCHILLEN? MEENINGVERSCHILLEN?
In de Gereformeerde Kerken treft men verschillende opvattingen aan inzake enkele leerstukken. Hoe men dat noemen moet, is niet zoo makkelijk te zeggen. Zijn het leergeschillen ? Zijn het meeningverschillen ? Zijn het verschillende opvattingen inzake enkele leerstukken ?
Men voelt, dat maakt nogal verschil. Want dat er in het midden van een groote Kerkengroep meeningverschillen zijn, mag niemand verwonderen. Op een kerkhof is 't stil. Daar hoort men niets. Ook dus geen verschil van meening. Maar onder levende menschen — ook geestelijk levende menschen — is het heel gewoon, dat er meeningverschil is ; dat er verschillende opvattingen bestaan inzake een en ander.
Leergeschillen is iets anders. Dan is men het niet eens inzake een of meer leerstukken, door de Kerk beleden. En dan moeten de Kerken, dan moet de Synode aan deze zaak de volle aandacht schenken. Want meenlngverschil is nog wat, maar leergeschillen kunnen niet blijven zitten.
De Synode der Gereformeerde Kerken, die te Amsterdam vergadert, heeft zich ook bezig gehouden met ja, met wat? Met meeningverschillen of met leergeschillen ? 't Is niet gezegd, althans niet duidelijk. Misschien wel met opzet. Want ook hier is 't zoo moeilijk om precies te zeggen, dat men iets anders leert en belijdt — of dat men een andere meening, een andere opvatting heeft.
Na lang, na héél lang praten (nadat een voorbereidende Commissie veel arbeid in deze verricht had, om de discussie in rechte banen te leiden) is ten slotte een voorstel aangenomen, dat aldus luidt: »dat de Synode, gelet op het feit, dat er in onze Kerken opvattingen worden voorgedragen, welke van de tot nog toe gangbare leeringen afwijken en dat eenerzijds de voorstanders dier opvattingen gelooven en verzekeren, dat zij geheel conform Schrift en belijdenis zijn, terwijl anderzijds door menigeen in onze Kerken de vraag is gesteld of deze voorgedragen opvattingen wel in overeenstemming zijn met Schrift en belijdenis — van oordeel, dat zulk een onzekerheid niet mag worden bestendigd, besluit:
1°. Ten minste 7 deputaten ad hoc te benoemen,
2°. Dezen deputaten op te dragen : a. de bedoelde opvattingen, welke betrekking hebben op de onderwerpen (in alphabetische orde) : algemeene genade,
genadeverbond, onsterfelijkheid der ziel, pluriformiteit der kerk, vereeniging van de beide naturen van Christus, zelfonderzoek, naar haar zakelijke beteekenis te onderzoeken en te toetsen aan Schrift en belijdenis ;
b. daarover op de volgende Synode rapport uit te brengen en haar daarin met advies te dienen.
Men ziet hier dus tegelijk, over welke opvattingen, die afwijken van de tot nog toe gangbare leeringen, het in de Geref. Kerken gaat: algemeene genade - genadeverbond - onsterfelijkheid der ziel - pluriformiteit der Kerk - vereeniging van de beide naturen van Christus - Zelfonderzoek.
Bedoelde opvattingen, door sommigen voorgedragen, zullen nu naar haar zakelijke beteekenis worden onderzocht en getoetst aan Schrift en belijdenis.
Zal men ook een onderzoek instellen naar wat in de Kerk „een gangbare meening" is en welke kerkelijke autoriteit „een gangbare meening" heeft en hebben mag ?
Dat er nog meer kwesties zijn, weet men ; b. V. de verschillende meening aangaande het getuigenis des Heiligen Geestes (testimonium Spiritus Sancti) en de erkenning van den H. Doop buiten eigen Kerkverband.
Bij de behandeling van deze zaak op de Synode der Gereformeerde Kerken heeft het nog al „gerookt", want men liep nogal „warm".
Zoo wilde prof. Schilder vooral ook de meeningen van de N.S.B, en de C.D.U. genoemd zien. »Spr. zou eerst daarover wel een^ een debat in de Synode willen zien gehouden, eer dit voorstel in behandeling kwam«, zegt het verslag.
Prof. Herp was een verdediger van het voorstel. »Er zijn er die zeggen, dat de Synode niets moet doen. Spr. betwist dat de kerkelijke weg van het afwachten van kerkelijke aanklachten
de beste en de profijtelijkste is. Moet nu werkelijk nog bewezen worden, dat ér onrust is door verschillende aan de orde gestelde vraagstukken ? Hij wees er op, dat die er i s, zoowel op de catechisaties als op de Classicale Vergaderingen bij de examina. Als we de onrust voor onze oogen zien en niet willens en weten inkorten en 'n Commissie komt met 't voorstel deputaten te benoemen, welnu, dan doe de Synode dit! 't Moet gaan over de vraag of er afwijking is van belijdenis, 't Gaat hier absoluut niet om personen en men kan dit ook uit 't huidige voorstel duidelijk lezen, als men wil. Natuurlijk zien we achter sommige leeringen personen en spr. wil dan ook niet zeggen, dat de leeringen niet door personen in de wereld zijn gebracht (vroolijkheid). Maar spr. gelooft van niemand, dat hij als Arminius en Pelagius langs slinksche wegen dwalingen in de Kerk wil inspuiten. Daarom zegt spr. met nadruk : al het persoonlijke moet weg !
De Synode moet toezien op de leer en het beiijdenisaccoord van Kerkgemeenschap.
Het voorstel is door de Synode aangenomen.
Ook is aangenomen een voorstel rakende de bekende kwestie van het Zelfonderzoek. Het voorstel luidde :
De Synode, van oordeel, dat in de prediking de ernstige vermaning tot geloof, bekeering en zelfonderzoek reeds uiteraard geboden is door de verkondiging van Christus als den Eenigen door God gegeven Zaligmaker der wereld ;
en dat de eisch tot haar opgesloten ligt in de belijdenis van de bediening der sleutelmacht in vraag en antwoord 84 van den Held. Catechismus;
en constateerende dat zij reeds van ouds af in onze Gereform. Kerken geschiedde en geschiedt ;
en dat zij ook laatstelijk nog door de Synode van Utrecht in 1905 in haar bekende verklaring (art. 158) uitdrukkelijk aangedrongen is ;
acht het vanwege de ernst der zaak, hierbij betrokken, in eeuwige behoudenis door Christus of eeuwig verderf, hare roeping, nogmaals allen dienaren des Woords op het hart te binden in haar getrouw te zijn.«
Deze conclusies waren onderteekend door de hoogleeraren Greydanus, Kuyper, Hepp, Den Hartogh en de predikanten Meijnen en Douma.
Zonder discussie vereenigde de Synode zich met deze conclusie, waarover de voorzitter zijn blijdschap uitsprak.
KOHLBRUGGE
De reis naar het Wupperdal. (7)
Het zal menigeen onbegrijpelijk schijnen, dat Kohlbrugge deze nieuwe verklaring van Romeinen 7 vers 14 als de blijde boodschap van het Evangelie begroet heeft. Maar wie dieper ziet, zal het begrijpen.
„Verkocht onder de zonde". — Zoo zegt de apostel ook in vers 23 : „Maar in mijn leden zie ik een andere wet, die strijd voert tegen de wet van mijn zedelijk inzicht, en mij tot gevangene maakt van de zondewet, die in mijn leden is". Maar is Paulus hier niet in tegenspraak met zichzelf, als hij in het volgende hoofdstuk zegt: „Want gij hebt niet een geest van slavernij ontvangen, die u wederom doet vreezen ; maar gij hebt ontvangen een geest van zoonschap, op grond waarvan wij roepen : abba, vader" !? — Heelemaal niet; als wij maar goed begrijpen, dat wij vleeschelijk zijn en verkocht onder de zonde. Dan geven wij alle pogingen om onszelf te heiligen op en rusten niet, voordat wij in de gerechtigheid van Christus onze rust en onze vrede gevonden hebben. Dan leeren wij Gods genade prijzen, dat Hij goddeloozen en geen heiligen rechtvaardig maakt en dan zijn wij er dankbaar voor, .dat wij den geest van zoonschap ontvangen hebben. —"
Wanneer wij bij hetgeen hier gebeurde, een historische parallel mogen trekken, dan zouden wij willen herinneren aan het oogenblik, waarop Maarten Luther, reeds lang door onrust voortgejaagd, Romeinen 1 vers 16 en 17 met zoo geheel andere oogen las en nu, als in een brandpunt opgevangen, het reformatorische Evangelie met groote duidelijkheid vóór zich zag. Nu eerst was hij zich van zijn nieuwe, gansch andere inzicht bewust.
Zeker, bij Kohlbrugge ging het alleen maar om de ontdekking van een kleinigheid, een komma (die bovendien nog in de oorspronkelijke tekst niet voorkomt), maar deze ontdekking gaf hem de onwankelbare zekerheid, dat datgene, wat hem opgedragen was te verkondigen en wat ook steeds de grondtoon van al zijn preeken geweest was, juist de kern van het Evangelie uitmaakt en dat dit juist van nu aan in het middelpunt van de kerkelijke verkondiging moet staan. Hij knoopte laan bij hetgeen den grooten reformator Maarten Luther eens geschonken was en gaf aan de Evangelische Kerk weer haar kostbaar kleinood terug : de rechtvaardiging van den zondaar door het geloof alleen. Kohlbrugge kon later nog een vriend het bosch bij Elberfeld aanwijzen, waar dit hoofdstuk uit de brief aan de Romeinen plotseling voor hem in een geheel nieuw licht kwam te staan. Deze nieuwe ontdekking maakte hem buitengewoon onrustig — scheen de apostel niet door deze uitspraak aan de Wet afbreuk te doen, de zonde als het ware noodzakelijk te maken en het leven van den wedergeboren mensch te vernietigen ?
Voortdurend bad hij tot God om licht in deze moeilijke vraag. En zie, „plotseling gingen in het bosch zijn oogen open en hij zag het Lam aan de rechterhand van God en hoorde deze woorden : Zijt gij met mijn Lam tevreden ? Dat beteekende voor hem : zijt gij, zooals gij zijt, — en gij zijt vleeschelijk, verkocht onder de zonde —, tevreden met Hem, die ook uw zonden gedragen heeft, die op grond van Zijn volbrachte werk u door Gods heilig gericht heendraagt en u voor eeuwig verzoent met den Vader ? "
Dit oogenblik in het leven van Kohlbrugge is belangrijk genoeg om hem zelf nog eenmaal daarover te hooren. Aan een vriend, wiens naam was Drost, heeft hij de beslissende gebeurtenis in zijn leven beschreven (in Maart 1844).
„Toen ben ik geleid langs een weg, waarover ik mij later dikwijls verwonderd heb, dat ik niet op dien weg ben vergaan. De openbaringen van God en van Christus vermenigvuldigden en herhaalden zich iedere morgen, voordat de nacht voorbijging. Tot tweemaal toe ben ik uit de muil van den Satan gered. De eerste keer door de woorden van Romeinen 7 vers 14, de tweede keer door Jesaja 55 : „Gij zijt om niet verkocht en zonder geld zult gij verlost worden". De eerste keer werd Gods gerechtigheid aan mij geopenbaard, de tweede keer leed al mijn eigengerechtigheid schipbreuk Ik heb het lang volgehouden om met de Wet in de hand tot de volmaaktheid te komen en ten bloede toe te strijden. Ik zonk daarop steeds dieper weg, en toen ik niet dieper zinken kon, toen heb ik, in al mijn verlorenheid en radeloosheid, den Heere ontmoet en heeft Hij tot mij gezegd : zooals gij zijt, zijt gij mij heilig. Ik zag het Lam aan de rechterhand van de heerlijkheid van God — en toen heb ik afstand gedaan van de Wet en van al mijn eigen vroomheid en heiligheid. En nu is dit mijn eenige heil : God is met ons en dat Hij er is, dat is mijn eeuwige, eeuwige vreugde en mijn vrede en blijdschap, dat is mijn Evangelie, mijn Wet en mijn gebod".
[Wordt voortgezet.]
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 oktober 1936
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 oktober 1936
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's