NATUUR EN GENADE
XIV.
Tot ons onderwerp behooren m. i. niet de kwesties, die samenhangen met de openbaring Gods, welke volgens onze geloofsbelijdenis tot ons komt door natuur en Schriftuur.
Immers het gaat daar om twee middelen, door welke God de Heere zich zelf aan ons openbaren wil. De genade Gods nu is geen middel, maar bron. Daarom is alle openbaring Gods aan zondige menschenkinderen vrucht van genade, zoowel de openbaring Gods door de natuur als Gods openbaring in de Schrift.
Het duidelijkst wordt dat, als wij bedenken, dat Gods openbaring eerst compleet is, wanneer ons in en met die openbaring verlichte oogen des verstands worden gegeven om het goddelijke licht op te vangen en ontsloten ooren om het Woord des Heeren te hooren en in onze harten te ontvangen. Immers wie van openbaring spreekt, veronderstelt een schepsel, dat die openbaring ontvangt, tot hetwelk in elk geval die openbaring gericht is. En nu ontkennen wij niet, dat Gods Woord ook uitgaat tot hen, die dat Woord in ongeloof verwerpen, gelijk van de heidenen gezegd wordt, dat hetgeen van God kennelijk is, in hen openbaar is, en gelijk van Manasse geschreven staat: God sprak wel tot Manasse, maar Manasse merkte daar niet op. Zelfs wordt hun oordeel daardoor ten uiterste verzwaard, dat zij het hun geschonken licht hebben verworpen en den Geest des Heeren hebben weerstaan. Dit neemt echter niet weg, dat de openbaring Gods eerst ten volle openbaring voor ons is, indien wij het licht der openbaring in ons hart ontvangen en daardoor komen tot de kennisse Gods.
Welnu, deze ontsluiting des harten voor Gods Woord is enkel vrucht der genade, vrucht van de krachtige werking des Heiligen Geestes, die uit genade ons gegeven wordt. Daardoor wordt het echter duidelijk, dat de openbaring Gods door middel van de natuur evenzeer uit genade is als de openbaring Gods in de Schrift. De inhoud der openbaring moge een andere zijn, wijl de openbaring Gods door de natuur ons niet spreekt van den weg ter behoudenis in Christus Jezus, maar beide komen op uit de bron der genade en beide hebben ten doel den christen te brengen tot de ware kennisse en vreeze Gods.
Het is, in verband met het zooeven gezegde, goed, er wel op te letten, dat de spreekwijze, dat de natuur ons God of iets van God openbaart, minder juist is. De natuur openbaart niet, wie God is. Alle openbaring Gods is zelfopenbaring. God zelf openbaart zich, treedt uit de verborgenheid van Zijn wezen, waarin geen schepsel vermag door te dringen, te voorschijn, om eenigermate voor ons te ontsluiten wie hij is. Reeds als zodanig is alle openbaring een daad van Gods nederbuigende goedheid, een getuigenis van Zijn wondere bemoeienissen met Zijn schepsel. Maar nu God voortgaat, niettegenstaande onzen val, Zijn bemoeienissen in dit opzicht de menschenkinderen te bewijzen, nu Hij voortgaat zich tot Zijn schepsel neer te buigen om Zijn heerlijkheid hem te openbaren, nu is deze daad van Gods nederbuigende goedheid een daad van bizondere genade geworden. Dat wordt verstaan door allen, die God vreezen, en daarom buigen zij zich in den diepsten ootmoed neer, als God zich in de natuur in Zijn grootheid openbaart en zij worden gansch vernederd en verteederd, als de wondere goedheid Gods hen uit Zijn werken en leidingen tegenkomt. Dan maken zij geen scheiding tusschen genade en genade, gelijk zij evenmin scheiding maken tusschen de sprake Gods in de natuur en in de Schriftuur, want zij weten, dat het de sprake is van den zelfden God, den Vader van onzen Heere Jezus Christus, en dat dezelfde goedheid Gods, die zij in de overgave Zijns Zoons hebben leeren aanbidden, uit de geschapen dingen hun tegenkomt.
We kunnen, om de dingen recht te verstaan, niet zonder allerlei onderscheidingen, maar wij zullen er immer goed aan doen om het gevaar, dat ten allen tijde aan deze onderscheidingen kleeft, in het oog te houden; anders scheiden wij, wat slechts onderscheiden is en komen wij tot een dualisme in onze beschouwingen en in onze levenshouding, die fataal is.
De God der natuur, die alles geschapen heeft, is geen ander God dan de God en Vader van onzen Heere Jezus Christus. Hij, die in deze wereld alle dingen regeert, is geen ander God dan die God, die in den Zoon Zijner eeuwige liefde ons al onze zonden vergeeft. In de Apostolische geloofsbelijdenis is de groote beteekenis van deze waarheid reeds gevoeld. Daarom belijdt de christen te gelooven in God den Vader, den Almachtige, Schepper van hemel en aarde. Onvergelijkelijk schoon is het in onzen catechismus vertolkt: „Dat de eeuwige Vader van onzen Heere Jezus Christus, die hemel en aarde met al wat daarin is, uit niet heeft geschapen, die ook door Zijn eeuwigen raad en voorzienigheid ze nog onderhoudt en regeert, om Zijns Zoons Christus wille mijn God en mijn Vader is". Juist daarin bestaat de troost van den christen, niet dat hij een God in den hemel heeft, maar dat de God van hemel en aarde, de God, die hier regeert, zijn God is.
Daarom mogen wij onderscheid maken tusschen de openbaring Gods in de natuur en in de Schriftuur, maar voor den christen is er geen onderscheid tusschen den God der natuur en der Schriftuur. Het is dezelfde God, die hem in beide tegentreedt.
Wij mogen onderscheid maken tusschen Gods algemeene en bizondere genade. maar voor den christen is de God der algemeene genade dezelfde God, die in Zijn bizondere genade zich een volk ten eigendom verkoren heeft. En de zorg, waarmede God voor alle dingen zorgt en voor alle menschen, doende Zijn zon opgaan over boozen en goeden en regenende over rechtvaardigen en onrechtvaardigen, spreekt hem van dezelfde goedheid Gods, die hij in de verlossing in Christus leerde kennen. Het is dezelfde bron der genade, waaruit de christen zijn dagelijksch brood ontvangt en de vergeving zijner zonden, want het is dezelfde God van genade, die hem met zijn weldadigheden omringt.
Voor het geloofsoog van de vromen des ouden verbonds is dit bizonder duidelijk geweest. De psalmen spreken op zeldzame wijze daarvan. Zoowel Gods heerlijkheid en majesteit als Zijn goedheid en genade zien zij over al Zijne werken verspreid. En treffend is wat wij bij Jesaja lezen. „Neemt ter-ooren en hoort mijn stem, merkt op en hoort mijn rede. Ploegt de ploeger den geheelen dag om te zaaien ? Opent en egt hij zijn land den geheelen dag ? Is het niet alzoo ? wanneer hij het bovenste van hetzelve effen gemaakt heeft, dan strooit hij wikken en spreidt komijn of hij werpt er van de beste tarwe in of uitgelezen gerst of spelt elk aan zijn plaats. En zijn God onderricht hem van de wijze; Hij leert hem."
Verre is het van de Schrift om in den mensch te roemen van wege het inzicht, dat hij bezit en van wege de wijsheid, waarmede hij zijn werk weet te verrichten. Ook het verstand van de natuurlijke dingen is den mensch gegeven. God zelf is hier zijn leermeester. Dezelfde God, die den mensch leert, hoe hij wandelen zal voor Gods aangezicht, die de verborgenheid Zijner genade voor hem ontsluit, leert hem ook, hoe hij het land moet ploegen en bewerken, opdat het rijke vrucht drage. De wijsheid, die Bezaleël en Aholiab ontvingen voor het maken van alle vernuftig werk, is van den zelfden God als de wijsheid, die Mozes gegeven werd om zijn volk te leiden in het rechte spoor.
De Schrift weet niet van een kennis, die den mensch van nature eigen is. Wat hebt ge, dat ge niet hebt ontvangen? Ook de kennis der natuurlijke dingen is van God. En wijl wij Gods bemoeienissen en onderrichting door onze zonden verbeurd hebben, is alles een wondere genadegave Gods. Onderscheidende tusschen algemeene en bizondere openbaring, tusschen Gods openbaring door de natuur en Gods openbaring in de Schriftuur, mogen wij toch nimmer uit het oog verliezen, dat de zelfde God door onderscheiden middelen Zijn bemoeienissen tot ons uitstrekt en dat al deze bemoeienissen van Zijn onuitsprekelijke goedheid en genade getuigen.
Bij het onderscheid tusschen de openbaring Gods in de natuur en in de Schrift, kunnen wij en mogen wij Gods genade niet op zulk een wijze aan de Schrift binden, dat de natuur buiten de genade zou komen te staan. Want dan houdt de openbaring Gods door de natuur op goddelijke openbaring te zijn.
Toen de verloren zoon naar 't vreemde land toog, had hij heel wat goed, uit het vaderlijk huis meegenomen, in dat vreemde land te verteren. Hij beschikte nog een oogenblik daarover, totdat het opgeteerd was. Maar de kennisse Gods uit de natuur is niet een dergelijk goed, waarover de mensch naar hartelust beschikken kan en dat hij uit de natuur put, zooals hij water schept uit de rivier. Wat de mensch uit het paradijs heeft meegenomen, was spoedig opgeteerd. Maar God de Heere heeft de menschheid niettegenstaande haar diepen val, niet aan haar eigen lot overgelaten. Ook buiten Israël heeft Hij bemoeienissen met de heidenvolkeren gehad. Hij heeft hen niet alle onderwijs van Zijnentwege ontnomen. Eenige lichtstralen Zijner goddelijke wijsheid heeft Hij op hun pad doen vallen, sprekende tot hen door de werken Zijner handen, en al hebben zij Hem niet gekend tot zaligheid, toch heeft Hij de duisternis van hun verstand niet zoó groot laten worden, dat zij allen tot een toestand van onkunde en verwildering vervallen zijn als bij enkele zeer laagstaande wilde volken wordt aangetroffen.
Dit onderscheid moet dus niet verklaard worden uit het verschil tusschen het ééne volk en het andere, maar uit de verscheidenheid van Gods bemoeienissen met hen. Het licht van Gods algemeene openbaring is aan het eene volk in meerdere mate gegeven dan aan het andere. Wij hebben hierin een vrucht van Gods genade te zien, die niet allen in gelijke mate omvat.
Maar juist wijl de algemeene openbaring Gods mede uit Gods genade opspruit, zijn algemeene en bizondere openbaring voor den christen één. Het zijn twee lichtstralen uit dezelfde lichtbron. De één ons tegenkomend uit de natuur en de ander ons bereikend door de Schrift, maar dit onderscheid wil nimmer zeggen, dat de ééne lichtstraal uit de natuur is en de andere uit de genade; langs verschillenden weg tot ons komend, zijn beide krachtig door Gods genade en prediken beide ons dezelfde genade van één en denzelfden God.
O. a/d IJ.
Woelderink
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 oktober 1936
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 oktober 1936
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's