De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

NATUUR EN GENADE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

NATUUR EN GENADE

9 minuten leestijd

XV.
Het onderscheid tusschen algemeene en bizondere openbaring, de eene tot ons komend door de natuur en de werken van Gods handen, de andere tot ons sprekend door de Schrift en het Woord des evangelies, mag niet leiden tot een tegenstelling of nevenschikking van natuur en genade. Dat de algemeene openbaring door de natuur tot ons komt, beduidt niet, dat zij uit de natuur is en nog minder, dat zij niet uit genade gegeven wordt. Van zulk een tegenstelling tusschen natuur en genade kan alleen op het Roomsche standpunt sprake zijn. Want de Roomsche theologie spreekt van een lumen naturale, een natuurlicht den mensch eigen, waardoor hij in staat is tot een natuurlijke kennis van God op te klimmen; deze kennis is echter niet tot zaligheid. Daarnaast verlicht de genade met een bovennatuurlijk licht om tot de bovennatuurlijke kennis van God te brengen. Het overnemen van deze onderscheiding, die alleen in het Roomsche systeem past, op Protestantsch erf, heeft daar de lijnen telkens scheef doen trekken en tot een scheiding van natuur en genade geleid, waardoor de genade een geestelijk leven voortbracht, dat naast de natuur en het natuurlijke leven stond.
Volgens Schriftuurlijk gegeven staat de genade niet tegenover de natuur, maar tegenover de zonde. De genade stelt zich niet tegenover wat God eens heeft geschapen en in Zijn schepping heeft geordend; zij negeert ook het scheppingswerk Gods niet, maar zij keert zich tegen de zonde en bedoelt Gods werk vrij te maken uit de macht der zonde. Daarom is juist de natuur het voorwerp van Gods genade, de natuur, zooals wij die in den beginne omschreven als den mensch insluitende, wijl de mensch op organische wijze met de geschapen zichtbare en onzichtbare wereld verbonden is en in de verlossing deze band niet te niet gedaan wordt, maar mensch en wereld te zamen behouden worden.
Wanneer wij op dit standpunt vragen naar de betrekking tusschen natuur en genade, komt eigenlijk alleen in behandeling de vraag, welke de vrucht van Gods verlossende genade in dit aardsche leven is op de verschillende terreinen en in de verschillende 'levensverbanden, die hier naar Gods ordinantie zijn.
Immers Gods genade schept niet een nieuwe wereld naast de oude wereld, eens van God geschapen, maar Gods genade is ten opzichte van de schepping, die voltooid was, reinigend, heiligend, verlossend werkzaam.
Daarom mogen wij ook Gods Kerk niet zien als een schepping van Gods genade, die buiten de natuur staat of zelfs tegenover de natuur wordt geplaatst. De Kerk kan alleen een schepping van Gods genade worden genoemd in denzelfden zin, waar­ in de verloste mensch in Christus een nieuw schepsel wordt genoemd. Het nieuwe is niet de mensch, maar is de verlossing van den mensch. De schepping van Gods genade is niet de Kerk, voorzoover zij een vergadering van menschen is, maar voor zoover zij een vergadering van verloste menschen is, van ware Christgeloovigen. De Kerk wordt uit de gevallen menschheid genomen, dat is uit de menschheid, voorzoover zij in den eersten Adam in den beginne geschapen is ; de Kerk is niet dan de verloste menschheid, de herboren menschheid, de nieuwe menschheid, die onder het hoofd, haar van God geschonken in den tweeden Adam, een organisch geheel uitmaakt in onderscheiding van hen, die verloren gaan, de onvruchtbare takken, die de groote Landman afsnijdt en aan het vuur overgeeft.
Zoo genomen, is er dus van een tegenstelling tusschen natuur eji genade, natuur en Kerk, geen sprake, de Kerk is evengoed uit de natuur als uit de genade. Want zooals een beeldhouwer de schoone gestalte van hem of haar, die hij in de herinnering en voor de oogen van het nageslacht wil laten voortleven, niet te voorschijn kanbrengen zonder het marmer, waarin hij deze gestalte aanzijn geeft, kan ook Gods genade de Kerk niet voortbrengen zonder het graniet van de eens geschapen menschheid, waaruit zij haar voortbrengt.
Hier ligt de reden, waarom het leven van Gods Kerk zoo nauw vervlochten is met het natuurlijke leven, zooals dat uit de schepping en de verschillende scheppingsordinantiën opkomt. De genade schept niet een genadeleven naast het natuurlijk leven, maar de genade verlost en heiligt den mensch in al de levensbetrekkingen, waarin hij staat, en waar deze verlossing en heiliging in een leven naar Gods wet tot uiting komt, is de vrucht daarvan een brengen van de natuurlijke levensbetrekkingen onder de band van Gods wet.
De geschiedenis van de Christelijke Kerk laat ons duidelijk zien, dat wij de kracht en de verlossende werking van Gods genade niet beperken mogen tot de verandering des harten en de bekeering van zondaren van den dienst der zonde tot den levenden God. Zoodra Gods genade toch in dezen zin werkzaam is geweest, beginnen de aldus verlosten naar Gods wet en inzetting te leven, niet alleen in het verborgene, maar ook in het openbare leven.
Toen God de Heere door de kracht Zijner genade in de heidenlanden Zijn Kerk in het aanzijn riep, heeft dat allerwegen tot groote bekering aanleiding gegeven. De brieven van de apostelen melden daar reeds van. De christenen konden b.v. niet langer deelnemen aan de offermaaltijden, wijl zij den dienst der afgoden verlaten hadden. In Efeze wordt een oproer verwekt, wijl de zilversmeden, die veel kleine zilveren tempels van de godin Diana verkochten, vreesden, dat zij in hun beroep van het Christendom schade zouden lijden.
De botsingen van de Christelijke gemeente, waarvan in de brieven van Paulus gewag gemaakt wordt, botsingen met de publieke opinie en het publieke gezag, zijn nog alle plaatselijk, maar aan 't einde der eerste eeuw vertoonen zich reeds de vervolgingen der Christelijke Kerk, die meer en meer een algemeen karakter dragen.
Wij mogen hierbij niet vergeten, dat onder de heidenvolkeren de religie niet naar de binnenkamer verbannen was. Zelfs de heidenen hebben begrepen, dat de religie het meest centrale is in een menschenleven. Vandaar, dat de religie daar alle levensuitingen beheerschte. Geen levenskring was er zonder religieuzen inslag. Het maatschappelijk leven lag evenzeer met de religie vervlochten als het leven van den Staat. De botsing van de Christelijke Kerk met de heidenwereld was dus noodzakelijk en niet te vermijden. Niet omdat de christenen tegen deze verbinding van heel het leven met de religie bezwaar hadden, maar omdat zij het afgodische stempel, dat de heidensche religie op het leven geplaatst had, niet konden aanvaarden. Het is dan ook volkomen begrijpelijk, dat de Romeinsche Staat de Christelijke Kerk als Staatsgevaarlijk heeft gezien, zooals nu nog de Sovjet de Christelijke Kerk als haar grootste vijand beschouwt.
Groot echter is het onderscheid tusschen het staatsgevaarlijke karakter van de Christelijke Kerk in de eerste eeuwen en het staatsgevaarlijke karakter van de secte der Wederdoopers. De Christelijke Kerk ondermijnde niet de Staat en de staatsinstellingen als zoodanig; integendeel, onderworpenheid aan het overheidsgezag werd door haar gepredikt als noodzakelijk voor alle christenen, wijl God het van hen vroeg. Ook de heidensche keizers vonden in de christenen hun meest getrouwe dienaren, gelijk trouwens ook onder de Oude Bedeeling in de ware godvruchtigen; men denke maar aan 't voorbeeld van Daniël. Gansch anders dus als de Wederdoopers, die het gezag der wereldsche Overheid verwierpen, in opstand kwamen tegen het wettige gezag en als een revolutionaire secte alle natuurlijke verhoudingen dreigden om te keeren. Als dus de Christelijke Kerk niettegenstaande dat toch in botsing is gekomen en moest komen met heel het toenmalige leven, ook met het staatsleven, dan is dat, wijl zij dit leven trachtte los te maken van den band met den afgodendienst, om het te brengen onder den band des verbonds, den band aan Gods wet.
Ten opzichte van het huwelijk b.v. brak de Christelijke Kerk met de veelwijverij en de echtscheiding, in het heidensche leven heel gewone verschijnselen. Als goddelijke inzetting werd het huwelijk heilig verklaard en de strijd werd aangebonden tegen alle onzedelijkheid en onkuischheid, die bij de heidenen zelfs in de godenwereld iets heel gewoons waren, hoeveel te meer bij de menschen van vleesch en bloed.
In het maatschappelijk leven werd een gansch andere geest ingebracht. De meester, die vroeger op zijn slaaf neerzag, zag nu in hem een broeder. Zonder zich tegen de slavernij openlijk te keeren, is toch van den aanvang af de slavernij, zooals het heidendom die kende, ondermijnd. De verachting, waarmede het eene volk op het andere neerzag, waarmede de Jood den heiden bejegende, de Romein den Scyth, werd te niet gedaan, wijl de christenen verstonden, dat in Christus noch Jood, noch heiden, noch barbaar, noch Scyth is, ja zelfs noch man, noch vrouw. Dat laatste is vooral van de grootste beteekenis geweest voor een omkeering van heel het maatschappelijk leven, want het heidendom heeft de vrouw immer verlaagd tot een soort minderwaardig wezen en haar positie was zelden te benijden.
Van de verschillende levenskringen, die de Christelijke Kerk onder den band der goddelijke wet trachtte te brengen, kon het staatsleven niet worden uitgezonderd. Men kan van oordeel zijn, dat als in de vierde eeuw na Christus door den Staat het heidendom wordt afgezworen en de christelijke godsdienst de godsdienst van den Staat wordt, de Staat niet altijd de rechte verhouding tot de Kerk heeft weten te vinden, maar vast staat toch wel voor een ieder, dat de Christelijke Kerk zich er niet toe bepalen kon om alleen in het particuliere leven en in het gezinsleven het heidendom te bannen, maar het in den Staat te laten tieren. Heel het leven komt Gode toe, en de Christelijke Kerk moest daarom verlangen, dat Gods wet in alle levensverband geldigheid zou verkrijgen. De hervormende kracht van Gods genade is ten opzichte van het menschelijke leven die van. het zuurdeesem, dat blijft werken, totdat het geheele deeg doorzuurd is geworden.
O. a/d IJ.
W.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 oktober 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

NATUUR EN GENADE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 oktober 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's