De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MANKE MURK

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MANKE MURK

EEN VERHAAL UIT HET FRIESCHE VOLKSLEVEN

6 minuten leestijd

Met toestemming uitgever J. H. Kok te Kampen
„Eeuwige heerlijkheid en blijdschap en nimmer eindigende vrede in het Vaderhuis, het tweede paradijs, waar de duivel niet meer binnenkomt, om te verwoesten, en waar ook geen dood meer zal zijn, maar een leven zonder einde in stoorloos geluk. Daarom vreezen alle menschen, die dit weten en gelooven, den dood niet. Zij weten, dat hun de zaligheid wacht bij God, waar alle verlosten juichen voor Zijn troon. De dood verloor voor hen zijn verschrikking. Hij brengt hen thuis".
„Maar hoe wéét je dat alles, en hoe weet je, dat het ook alles waar is ? " „'t Staat alles beschreven in den Bijbel, nog veel meer, dan ik er nu van gezegd heb, en ik weet, dat het waar is, omdat ik dat van binnen gevoel. Millioenen menschen zijn in dit geloof gestorven zonder vrees en verschrikkingen. In hun leven gaf het hun de noodige kracht om te dragen en te dulden en te lijden en getrouw te zijn in den arbeid, waartoe de Heere hen riep".
„En als iemand dat nu niet heeft, zooals ik dat niet heb en de boer en de vrouw niet en Bouke niet en zooals Elske dat ook niet gehad heeft, want Elske bemoeide zich ook nooit met den godsdienst, even zoomin als iemand anders op „ornia State" ? "
„Wij mogen niet oordeelen over een ander, maar dit is zeker, dat de Schrift ons zegt hoe de Heere Jezus de eenige weg tot zaligheid is en er buiten Hem geen behoudenis kan zijn".
„Ik heb het nooit geweten. Murk, en als het waar is, wat je hier van avond verteld hebt, dan is het vreeselijk. Ik wil zeggen, voor al die menschen, die zoo zijn, gelijk ik".
„Daar is een tijd in mijn leven geweest, dat ik het ook niet wist, Pleuntje, evenmin als allen hier. Je hebt mij misschien niet gekend, toen ik nog onbekeerd was, maar ik kon er toen wat mee. Maar sinds de Heere mij de oogen geopend heeft, heb ik in Zijn Woord alles gevonden wat ik noodig had, om van mijn zaligheid verzekerd te worden. En dat is óók voor jou en voor anderen te krijgen. God wil, dat alle menschen zalig worden en tot de kennis der waarheid komen".
„Maar ik heb het niet, en zou ook niet weten, hoe dat alles te moeten krijgen".
„In den middellijken weg, door je te stellen onder het Woord en de leiding van den Geest Gods".
„Heb je dat dan óok gedaan. Murk ? "
„Zeker, Niet, dat ik het gezocht heb, maar het is tot mij gekomen en toen liet het mij niet meer los. Het is als een pijl in mijn hart gegaan en heeft mij daar gewond zoó diep en ernstig, dat in de heele wereld geen medicijn te vinden was, om mij weer te genezen, tot diezelfde hand des Heeren, die mij geslagen had, mij ook weer heelde. Toen werd het vrede in mij en vanaf dat oogenblik behoor ik mijzelf niet meer, maar Hem, die voor mij gestorven is. Hij heeft mij verlost, Pleuntje, en nu ben ik in Hem geborgen".
„Ik begrijp het niet; ik begrijp er niets van, Murk, alleen zou ik willen, dat alles óók te mogen bezitten, 't Lijkt me zoo heerlijk toe, dat een mensch zoo gerust kan zijn in dit leven en geen vrees .behoeft te hebben voor den dood".
„Heb je wel een Bijbel, Pleuntje ? "
„Neen. 'k Heb anders niet dan Genoveva en Asschepoetster, hoe die prinses werd. Meer weet ik niet en heb ik niet".
Toen moest Murk even lachen.
„Vindt je dat mooi ? "
„Vroeger, toen ik nog zooveel jonger was kende ik beide geschiedenissen haast van buiten, en vooral dat laatste trok mij zoo aan".
„'t Zijn maar sprookjes, Pleuntje. Maar wat zeg je daar dan van, dat de Bijbel aan allen, die den Heere Jezus toebehooren, onverschillig hoe arm en ellendig en vergeten zij hier op aarde geweest zijn, kronen en tronen belooft en gouden cithers en harpen, en een lang, smetloos wit kleed en groene palmtakken in de handen, nog mooier en fijner dan de dochter van onzen Burgemeester onlangs droeg, toen zij trouwde. En dat zij zullen wonen in een stad, waarvan de poorten van paarlen en de straten van goud zijn, en de rivieren van kristal, en waar een groote, witte troon Is, in welken God woont en waar allen voor neerknielen. En waar het altijd licht is, en nooit meer een nacht komt, en niemand meer zeggen zal : „ik ben ziek", en waar God zelf de tranen van de oogen wischt, die op aarde geschreid werden. En dat niet als een sprookje, maar als werkelijkheid".
„Krijg jij dan ook eenmaal zoo'n kroon, Murk ? " vroeg zij met stijgende verwondering. „Ja, Pleuntje, manke Murk is^een toekomstige kroondrager, zoo waar als de Bijbel Gods Woord is. Daar wordt dat alles beloofd en dit is de erfenis, die mij wacht".
Met een vreemden blik keek zij tot hem op. Nu werd hij haar nog grooter en dierbaarder. Wat hinderde het haar nu, dat hij hinkende langs de straat liep en de menschen wel eens om hem lachten ?
Wat was die Murk gelukkig en wat was hij rijk, en wat had hij in de toekomst veel te wachten. En diezelfde Murk had haar zijn liefde verklaard en niemand anders. Doch meteen kwam óók nog een andere gedachte bij haar boven, 't Was deze : „Pasten Murk en zij wel bij elkaar ? " Nog nooit had zij zóó den afstand gezien, die hen van elkaar scheiden ging. Tot hiertoe had zij hem beschouwd als haars gelijke. Even arm als zij, met dit verschil, dat zij nog een paar ferme handen en gezonde beenen had, om als het moest, van 's morgens tot 's avonds te werken, zonder vermoeienis te kennen, terwijl Murk mank liep en in lichaamskracht lang niet tegen anderen was opgewassen.
Nu scheen er plotseling tusschen hem en haar een groote scheidsmuur te komen. Murk was een koningskind! Bestemd voor den troon, en met zekerheid eener te wachten erfenis in zijn hart, waarbij de bezittingen van boer Siderius niet halen konden. Neen, dat was geen verbeelding van hem en ook geen sprookje. Zij zag het aan zijn gelaat en aan den glans op het aangezicht, die haar den laatsten tijd al zoo bijzonder getroffen had en voorheen nooit bij hem werd gezien, maar die haar nu verklaarbaar werd. Het was de weerschijn van de toekomstige heerlijkheid, die hem wachtte, zooals soms de glans van de zon zich afspiegelde op het voorwerp, dat zij bescheen.
(Wordt vervolgd).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 oktober 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

MANKE MURK

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 oktober 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's