De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

FINANCIËN

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

FINANCIËN

10 minuten leestijd

Het leven is een leerschool. Uitgeleerd raakt ge daarin nimmer. Wat meer ge leest, wat duidelijker het u zal worden, dat ge nog maar een beginneling zijt. Weet ge hoe ik het eens door een van mijn leermeesters zag aangeduid ?
Wanneer ge in dat gebouw u een deur ziet opengedaan, zóo blijkt het dat ge aan het begin u bevindt van een gang, 'waarvan ge de deuren niet weet te tellen. En wanneer u een van die deuren wordt ontsloten, zoo komt ge weer voor hetzelfde te staan wat ge zooeven opmerktet. 't Is weer een eindelooze gang met deuren, niet minder in tal, dan die ge voor de eerste keer voor u zaagt.
Zoo is het in werkelijkheid. Vandaar dat ware wetenschap den waarlijk leergierige de hoogste bescheidenheid inprent. Deze zal immer weer moeten belijden : „ik weet in waarheid slechts o zoo weinig".
Dat had ook de man geleerd, wiens wijze woorden werden opgeteekend in het boek van den wijzen koning.
Weet ge wat hij zegt: Voorwaar, ik ben onvernuftiger dan iemand, m.a.w.: ik weet minder dan ieder ander. Hij laat daarom er ook dadelijk op volgen : „ik heb geen menschenverstand". Ik heb geene wijsheid geleerd, noch de wetenschap der heiligen gekend".
Zulk eene bekentenis wekt vertrouwen, dat hij op de leerbanken heeft gezeten van Hem, Die alle dingen weet.
Nu, dat blijkt ten duidelijkste uit wat ge hier in Spreuken ziet saamgevat.
Om maar uit de volheid één greep te doen. Zijn oog is in boeien gelegd door wat hij opmerkt als hij bladert in het boek der natuur. Daar ziet hij, wat nauwelijks een ander opvalt, n.l. een mier. Wat is het nu, dat dit diertje hem te zeggen heeft ? Ge zegt : ik weet 't al. Dit dier staat bekend vanwege haar ijver. Immers staat daar het woord voor u in heldere beteekenis : „ga tot de mieren, gij luiaard, en word wijs".
Hieraan mag menigeen een voorbeeld nemen. Wat is dat volkje altijd vol ijver. Wat teekent zich een haast af in haar gangen.
Toch dachten wij aan dit woord nu niet uitsluitend. Immers, wat ge leest in Spreuken 30, heeft nog een veel verder reikende strekking. Een mier is niet alleen vol ijver, maar zij heeft over een wijsheid in haar doen te beschikken, welke de menschheid in haar geheel als hoogste voorbeeld kan dienen. Zij heeft slechts over heele kleine krachten te beschikken. Zij wordt hier aangeduid met den naam „onsterk". En toen weet dat onsterke volk een werk tot stand te brengen, waardoor zonder eenige zorg de komende tijd, waarin het werk moet worden stilgezet, d.i. de winter, kan worden tegemoet gezien.
Getuigt dat niet van een wonderlijke wijsheid? Zoo is het nu gelegen met het redeloos gedierte.
Gaat dit niet de zoogenaamde wijsheid van den mensch te boven ? Is dat niet vol beschaming voor ons ? Of is niet het typeerende van onzen tijd, dat men er vaak maar op los leeft. Het heden vraagt alleen maar hun aandacht. Wat morgen zal leveren, zullen wij wel eens zien. Dit redt zich ook wel. Ziehier de gang geteekend van duizenden.
Dat dit noodzakelijke zorgen zal baren, staat vast. De mieren geven hier het meest gezonde levenstype aan. Vandaar dat ieder gelukkig mag worden geprezen, die zich aan deze gang mag spiegelen. En voor het natuurlijke èn voor het geestelijke heeft de mensch zich te houden aan wat Gods hoogste wijsheid hem in het Woord voorhoudt. Om bij het eerste maar te 'blijven : welk een blij gevoel wordt er wakker geroepen bij den landman, die in den zomer heeft bijeenvergaderd wat in den winter de voorraad is voor zijn vee. Wanneer de weiden kaal zijn geschoren en daarbuiten niets meer wordt gevonden, zoo is daar niet de minste vreeze. De stallen nooden immers, daar de schelven tot den nok zijn gevuld.
'k Vermeen niet, dat iemand een woord van protest hiertegen zal inbrengen. Evenwel onder één beding : de stallen en de schelven moeten met elkander in goede verhouding zich bevinden. Zijn de laatste minder voorzien dan de eerste vragen, zoo komt tenslotte nog gebrek zich melden. Dit dient te worden voorkomen.
Ziet, deze levensles schijnen velen over het hoofd te hebben gezien, 't Is al jaren geleden, dat omtrent de Zending in het algemeen door een der vooraanstaanden in deze de opmerking werd gemaakt, dat hier te weinig werd gerekend met mogelijke zorgelijke tijden. Men leefde volgens hem niet nuchter genoeg. Straks - zoo sprak hij - zult ge het zien, moeten stallen worden afgebroken, omdat de schelven te klein bleken te zijn.
Is het niet uitgekomen ?
Als ge daar leest, dat de mannen op de Zendingsvelden nauwelijks of niet eens de helft ontvangen, waarop zij meenden te mogen rekenen, zoo spreekt zulks boekdeelen.
Een nuchtere zin blijkt ook in deze gebiedende eisch.
Wanneer wij dit zeggen, zoo gaan onze gedachten in de richting van het bekende spreekwoord : „Wie zich spiegelt aan een ander, spiegelt zich zacht".
Ook ons doen in dezen zal van een nuchtere zin moeten getuigen. Uitgaven en inkomsten dienen elkander te dekken.
Niet, dat er geen eene week mag zijn, waarin onze uitgaven niet enkele malen die van de inkomsten zouden mogen overtreffen. Neen, daarin schuilt niets verontrustend».
Gaat maar weer uw licht eens opsteken in uw naaste omgeving. Als de herfst daar is en de winter heeft zijn intocht gedaan, zoo worden groote brokken losgestoken in de hooischelven, terwijl er niets bij komt. Dit duurt zelfs weken en maanden achtereen, maar daardoor wordt niet een gedachte van zorg wakker geroepen. 'Zoo is het zelfs bedoeld. De hooischelven mogen ledig zijn, als de zoele lentedagen zijn ingeluid.
Zoo is het ook met onzen arbeid. Wij hebben in deze weken weer heel wat moeten offeren, en nog meer uitgaven staan voor de deur, doch dit wekt, Gode zij dank, nog geen ongewone bezorgdheid. Alleen één ding mag ik er dadelijk wel aan toevoegen : Het stemt zoo blij, als wij mogen merken dat er in onze kringen een warm meeleven wordt gevonden. Het groote doel mag niet uit het oog worden verloren : het Evangelie moet worden uitgedragen van eiken kansel. Wij leven in zorgvolle tijden. De geestelijke ontwrichting is geweldig groot. Vandaar dient met eensgezinde handen en met eensgezinde harten in dezen te worden gearbeid. Weest nuchter en waakt. Onze kleinheid en onze kleine krachten vormen geen beletsel. Denkt maar eens aan het onsterke volk, dat nochtans zorgt voor den komenden winter. In Godes kracht en onder des Hoogsten leiding moge wat komt tegemoet worden gezien.
Hij zal het maken. Mogen wij na deze ontboezeming ons overzicht van deze laatste dagen u voorleggen ?
1. Door ds. Van der Wal te Dirksland werd ons toegezonden een deel van een gift n. 1. voor onze beide fondsen ieder een Rijksdaalder ƒ 5.— Wij zeggen hem hiervoor hartelijk dank.
2. De Penningmeester van de afd. Wageningen zond ons een collecte, gehouden bij een spreekbeurt aldaar, waarbij ds. Timmer van Ermelo voorging.
Deze bedroeg „ 17.— Hiervoor betuigen wij onzen weigemeenden dank.
3. Bij ds. Fokkema was ingekomen voor het Studiefonds „ 6.—
4. Was dit het eerste wat hij zond, daar voegde zich bij een tweede gift, n.l. van Ali Piet, van Aalsmeer. In het laatste half jaar had zij ingezameld voor ons Studiefonds niet minder dan „ 40.—
Dit zegt niet weinig. Hiervoor is noodig een ijver en volharding, die alle eerbied afdwingt. Ieder, die aan dit werk zijn krachten wijdt, weet welk een moeite en zorg daarvoor van noode is. Wij zeggen haar dan ook allerhartelijkst dank voor wat zij ook nu weer heeft gepresteerd. Tevens danken wij evenzoo die hieraan hebben bijgedragen.
5. Thans volgen van een tweetal Afdeelingen de contributies, n.l. van de Afd. Numansdorp en van de Afd. Den Haag. 't Ligt voor de hand, dat de eerste niet zooveel bedragen als vanuit de Residentie. Uit Numansdorp kwam „ 14.80 terwijl de Penningmeester van Den Haag ons afdroeg , 77.10 Wij zijn voor beide uiterst dankbaar.
6. Toen wij voor een tijdje een vergadering bijwoonden, waarin de heer Maarleveld, uit Vlaardingen, ook was, werd ons ter hand gesteld de inhoud van een busje van N.'N. Dit leverde op „ 6.11 Wij zeggen den onbekenden vriend, evenals den heer Maarleveld, allerhartelijkst dank.
7. Uit de collectezak van de Julianakerk alhier werd ons afgedragen voor het Studiefonds 1 gld. met letters G. v. B „ 1.— Wij zijn ook hiermee verblijd.
8. Uit IJsselmonde kregen we door den heer N. voor het Studiefonds „ 1.— Hij had deze ontvangen voor het lezen van De Waarheidsvriend van J. S. C. Aan beide vrienden betuigen wij onze groote erkentelijkheid.
9. Mej. K. te Herkingen, die wij het voorrecht hadden bij een bezoek in eigen gemeente te ontmoeten, had mij reeds toegezegd de inhoud van haar busje te zullen zenden, 't Bleek te bevatten „ 3.— Ook hiervoor zeggen we vriendelijk dank.
10. In Ooster-Nijkerk hebben wij oude, trouwe vrienden wonen. Sedert jaren zijn wij dan ook gewoon den naam van onzen vriend Th. A. Faber aan te treffen. Hij zond de inhoud van zijn busje, bedragende ƒ 11.40. Ditmaal liet hij dit gepaard gaan van de contributiegelden van de Afdeeling aldaar, zijnde ƒ 23.—, tezamen , 34.40 Mogen wij hem allerhartelijkst dank zeggen, evenals de vrienden aldaar ?
11. Door ds. Kruishoop te Ermelo kreeg ik van een zuster der gemeente „ 1.— Hij zal onzen warmen dank wel willen overbrengen ?
12. Door ds. Van Nie te Hoogeveen werd ons de collecte toegezonden, welke gehouden werd hij de overkomst van collega Vroegindeweij, aldaar. Deze bedroeg de prachtsom van „ 76.26
Wij hebben in de blijdschap van de gemeente van Hoogeveen gedeeld bij deze vervulling van de vacature. Geve de Heere Zijn rijken zegen over den arbeid, welke hier wordt voortgezet. Tevens spreken wij de hoop uit, dat de gemeente van Zegveld zich ook binnen niet te langen tijd verblijden mag in het bezit van een eigen herder en leeraar.
13. Thans volgen weer een tweetal posten van contributies, ons toegezonden uit de gemeenten van Hazerswoude en van Soest.
In eerstgenoemde gemeente hebben wij sedert vele jaren krachtig meelevende leden van onzen Bond, waarvan de blijken zich het best afspiegelen in wat geregeld van hier ons mag geworden.
Onze vriend Noordam, de ijverige Penningmeester, zond ons als contributie 43.50
Wij zeggen de vrienden aldaar allerhartelijkst dank. Tevens hoop ik zoo spoedig mogelijk een enkele vraag, mij gedaan, te beantwoorden. Thans reeds dit : schenk niet dadelijk geloof aan alles wat ge hoort.
14. In Soest is onze Afdeeling nog vele leden tellende, zoodat de contributie slechts enkele guldens minder telt dan die voorafging. Zij bedroegen, met een gift, door den Penningmeester er bijgevoegd, nog..„40.--
't Deed mij leed, dat enkele vrienden vanwege een geschilpunt, dat wij momentelijk ook nog niet weten op te lossen, zich hebben teruggetrokken. De wensch leeft bij ons, dat dit punt nog weer in het gereede mag komen en alzoo de zaak des Heeren niet worde geschaad.
15. Eindelijk nog een post, waarover ik mijn bizondere erkentelijkheid betuig, n.l. een onzer oud-alummi zond ons , 100.— Gelukkig, dat deze post van tijd tot tijd zich meldt. Ge kunt niet begrijpen, welke aangename gewaarwordingen dit bij mij wakker roept. Dat dit niet zijn oorzaak vindt in de geldsom, behoeft niet eens te worden gezegd. Ik lees er heel iets anders in, n.l. : ik dank u, dat mede door uw helpende hand de mogelijkheid werd geschapen, waardoor ik den moeizamen weg der studie om tot het heerlijk ambt van Bediening des Woords te geraken, mocht afloopen en thans ook anderen mag helpen.
Bij ervaring weet ik, dat 100 gulden voor een gezin vaak heel wat beteekent. Toch is dit een post, welke ik hoop nog menig keer te mogen plaatsen onder mijn verantwoording.
Nogmaals mijn zeer vriendelijken dank. Tezamen geteld, kom ik voor deze keer tot een som van
f 466.17
Utrecht.
 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 oktober 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

FINANCIËN

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 oktober 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's