KERKELIJKE RONDSCHOUW
WAT WIL MEN NU EIGENLIJK?
»De Vaandrager«, orgaan van den Bond van Ned. Herv. Jongelingsvereenigingen op Gereform. grondslag — oprichter en eere-voorzitter is ds. M. van Grieken, te Rotterdam — is er den laatsten tijd mee begonnen, om, inplaats van de advertentie in het belang van „De Waarheidsvriend" een andere advertentie te zetten, en wel in het belang van het „Geref. Weekblad".
Nu willen we deze zaak niet dadelijk al te ernstig en al te diep nemen, 't Gebeurt misschien „bij vergissing" of „zonder bepaald opzet" en dus eigenlijk louter willekeurig. Misschien wel door den drukker-uitgever-eigenaar van het „Geref. Weekblad", die ook „De Vaandrager" drukt en het een mooie gelegenheid vindt om voor zijn eigen uitgave propaganda te voeren. Maar we zouden toch wei graag willen weten, hoe deze zaak — die in het openbaar geschiedt — nu eigenlijk zit.
Wil „men" De Waarheidsvriend er uit werken ? En wil men er ongemerkt een ander blad voor in de plaats schuiven ? Wij meenen, dat „De Waarheidsvriend" er eenigszins recht op heeft, om, vanwege de oude connecties en „de vele gewichtige diensten jaren lang bewezen" (zooals in officieele stukken de terminologie is, als iemand gepensionneerd wordt) door het Orgaan van den Bond van Jongelingsvereenigingen met eenige vriendelijkheid te worden behandeld en dat het heelemaal niet in strijd is met het vijfde gebod, om den Gereformeerden Bond zelfs eenige eere te bewijzen.
Niet, dat men daarom een ander blad onheusch zou moeten behandelen. Dat moeten we in onze christelijke kringen niet doen. Fatsoen en vriendelijkheid behooren óók tot de christelijke en maatschappelijke deugden, die wij niet met de voeten moeten treden. Dat kan niet anders dan ons zelf schade brengen; misschien wel schande straks.
Maar wij zouden toch niet gaarne zien, dat „De Waarheidsvriend" er hèelemaal uitgeduwd werd, om, zoo ongemerkt er een ander blad voor in de plaats te schuiven. We zouden dat ook niet drilden. Want goed is goed, maar ten slotte zijn er grenzen.
We zijn dan ook niet van plan om ons zoo maar, zonder meer, buiten de deur te laten zetten. En daarom zouden we graag weten, wat men onder de leiders van onzen Bond van Ned. Herv. Jongelingsvereenigingen op Geref. grondslag wil. Want we weten, dat tal van Jongelingsvereenigingen niet zouden verdragen, ais men onverhoopt plannen koesterde, om de stukken op het schaakbord stilletjes zoó te schuiven, dat de Gereformeerde Bond er straks buiten komt te staan. Dat zullen we ons zoo maar niet laten aanleunen, waarbij gelukkig velen van de jongeren van gelijke gedachten zijn als wij, gelijk ons herhaalde malen reeds bleek.
Wij willen dan ook in 't openbaar heel vriendelijk vragen — wat we in 't openbaar doen, omdat deze dingen ook in 't openbaar bedreven worden — om dezen weg niet in te slaan. Waarvoor zou 't noodig zijn ? 't Kan alleen maar schade doen aan de zaak, die ons allen lief is. En dat zou vreeselijk jammer zijn. Ook vreeselijk dom en brutaal.
't Zou natuurlijk óok kunnen zijn, dat de drukker-uitgever van „De Vaandrager", die tegelijk eigenaar en financier is van het „Geref. Weekblad", deze willekeurige schikkingen maakt. Maar dan moet het Hoofdbestuur van onzen Jongelingstoond hierop acht geven en we zijn er van verzekerd, dat de drukker-uitgever het zeker niet doen zal, als het Hoofdbestuur het niet wil.
Wat zou het heerlijk zijn, als we in onze christelijke kringen, waar we elkander zoo zeer noodig hebben, eens zoover konden komen, dat we elkander leerden verstaan en dat we elkander ten minste eerlijk en royaal leerden behandelen.
Wij twijfelen soms wel eens of 't mogelijk is. Maar we mogen toch niet aflaten er naar te staan en elkander er toe óp te wekken. 't Geldt ook hier: bouwen en niet breken !
WEER EEN DICTATOR MEER!
In Oostenrijk zijn de moeilijkheden groot en de verwikkelingen vele. In het Kabinet was men het niet altijd eens met elkaar. Starhemberg en het Kabinet konden het niet zoo goed samen vinden ten opzichte van den „Heimatschutz", een militaire organisatie, waarmee de een weer iets anders wilde dan de ander. Bondskanselier Schuschnigg heeft getracht de moeilijkheden te omzeilen — maar in een langdurige nachtzitting heeft de Ministerraad besloten, dat alle z.g.n. militaire formaties zouden ontbonden worden, óok de „Heimatschutz", en nu is men zóóver, dat Schuschnigg dictator van Oostenrijk is geworden, beschikkende over vrijwel onbeperkte bevoegdheden. De Ministers mogen allen blijven, maar al de leden van het Kabinet moeten een eed van trouw aan den persoon van den dictator afleggen !
Zoo hebben we dus weer een dictator méér in Europa. Italië met Mussolini — waar nog wel een Koning is, maar die slechts de functie van figurant vervullen mag. Duitschland met Hitler — waar de Rijksdag even bij elkaar mag komen om de .boodschap van den dictator aan te hooren en te bezegelen met „heil Hitler"; die door velen, ook ten onzent, als een tweede Christus, de Heiland van Duitschland, wordt geacht te zijn. Waarbij, ook ten onzent, de toestanden in Duitschland, zelfs de toestand der Kerk, geprezen wordt als veel, véél beter te zijn dan in Holland, waar „de gehate Colijn regeert". En nu is er ook Oostenrijk met een dictator — aan wiens persoon allen een eed van trouw moeten afleggen !
De stem van één geldt ook daar als de stem van allen !
Maar de stem van den Eénen en Eénigen God, Die ons Zijn Woord heeft gegeven, wordt hoe langer hoe meer veracht en de rechten en vrijheden des volks, ook de vrijheid van ge weten en vrijheid van godsdienst, wordt verkracht.
En dat zou men óók over Nederland willen brengen !
Nederland met Mussert, naast Duitschland met Hitler, en Italië met Mussolini en Oostenrijk met Schuschnigg.
De Heere beware ons land en volk, ons Vaderland en ons Vorstenhuis genadiglijk! Hij doe alle booze plannen en beraadslagingen mislukken ! En Hij snoere allen, die Zijn Naam wenschen te belijden naar Zijn Woord, saam, en brenge bijeen wat bij elkaar behoort, om rondom den troon van Oranje op te komen voor de nationale goederen van Nederland en te strijden voor de christelijke grondslagen van ons volksleven !
Hier hebben de christelijke politieke partijen een taak. Vooral nu.
DE VIJF DIERBARE NIETEN
„De vijf dierbare nieten" van Schorting-huis: ik wil niet - ik kan niet - ik weet niet - ik heb niet - ik deug niet, voorkomend in zijn hoek: „Het innige Christendom", zijn bekend geworden overal. Vooral in Gereformeerde kringen sprak men er dikwijls van en spreekt men er nóg wel over, vooral in bepaalde streken van ons land.
Jammer, dat deze „vijf nieten" zoo dikwijls misbruikt zijn geworden en nóg verkeerd worden toegepast.
Wat Schortinghuis hiermede heeft willen uitdrukken - prof. Van der Schuit, van Apeldoorn, docent aan de Theologische School der Chr. Geref. Kerk, herinnert er aan in „De Wekker" - was geen andere waarheid, dan die wij in de Heilige Schrift en in onze belijdenisschriften vinden, aangaande de algeheele verdorvenheid des menschen. „Zijn wij" - zoo vraagt onze Catechismus" - „dan alzóó verdorven, dat wij ganschelijk onbekwaam zijn tot eenig goed, en geneigd tot alle kwaad" ? - en het antwoord luidt: „Ja wij, tenzij wij door den Geest Gods wedergeboren worden". (Catechismus Zondag 3).
En Gods Woord zelve spreekt: Psalm 81 vers 12. „Maar mijn volk heeft mijne stemme niet gehoord, en Israël heeft mijner niet gewild. Jeruzalem, Jeruzalem, hoe menigmaal heb ik uwe 'kinderen bijeen willen vergaderen, gelijk een hen hare kiekens onder hare vleugelen vergadert, maar gij hebt niet gewild (ik wil niet). Joh. 15 vers 5. Zonder Mij kunt gij niets doen (ik kan niet).
Spreuken 30 vers 2. Voorwaar, ik ben onvernuftiger dan iemand, en ik heb geen menschenverstand. Of dat andere woord : Wij zijn van gisteren en weten niets (ik weet niet). Psalm 102 vers 18. Zich gewend zal hebben tot het gebed desgenen, die gansch ontbloot is. Of het woord uit de Openbaring : Gij zegt ik toen rijk en verrijkt, en heb geens dings gebrek, en gij weet niet, dat gij zijt ellendig, en jammerlijk en arm en blind en naakt (ik heb niet).
Rom. 7 vers 18. Want ik weet, dat in mij, dat is in mijn vleesch, geen goed woont (ik deug niet).
Daar heeft men dus met vijf Schriftuurplaatsen „de vijf nieten". En hier wordt een streep gehaald door heel onze rekening van vrome inkomsten en uitgaven, een streep door heel ons vroomheidsregister, waarover ook mannen als Kohlbrugge den staf gebroken hebben. Waar dan ook de ware godsvrucht komt bij het ontdekkend licht van Gods genade-Geest — Veni Cerator Spiritus: Kom, Schepper, Geest! — daar leert men deze dingen bevindelijk kennen, om dan van den christen gebracht te mogen worden tot den Christus, den eenigen en algenoegzamen Zaligmaker, den zoo zéér gewilligen en zoo juist gepasten Borg en Verbondsmiddelaar.
De vleeschelijke vroomheid is echter nergens méér afkeeriger van dan ontdekt te warden aan onze algeheele verlorenheid. Men wil zich zelf zoo graag op de been houden, tegenover God en de menschen. Daarom dreigt er ook bij deze leer van „de vijf nieten" een groot gevaar. En het is goed, dat prof. Van der Schuit er nog eens de aandacht op vestigt, als hij schrijft:
»Wie Schortinghuis goed leest in dit stuk, zal niet komen tot een ziekelijk, lijdelijk christendom. Wie het „wil niet" in zijn diepte doorleeft, schuilt nimmer achter zijn „kan niet" weg. Wie Schortinghuis dan ook goed leest in dit stuk, zal tot de slotsom komen, dat hij niet staat aan de zijde van hen, die het altijd over hun „onmacht" hebben, maar dat hij den vollen nadruk er op legt, dat deze onmacht in den onwil is gegrond. Het is daarom zeer opmerkelijk, dat Schortinghuis in zijn stellen van de „vijf nieten" niet is begonnen met „ik kan niet", maar dat hij hier aanving met „i k wil niet". Dat is de juiste orde in den gang van het ontdekkend leven, dat een zondaarsziel in zijn onwil, d.i. in zijn vijandschap tegenover God, komt te staan.
En nu is het wel opmerkelijk, dat sommige menschen zoo vroom zijn en schijnbaar zoo rechtzinnig, dat de onmachtsleer een cachet voor hun bekeering moet zijn.
Zij hebben het altijd over de „onmacht" en ge hoort zelden of nooit over hun „onwil". Dat is geen gezond teeken, en hier hapert wat in het zieleleven, dat op een droggrond wijst. Wanneer wij Gods waarheid op vrome wijze beginnen te misbruiken, zijn wij op zulk een gevaarlijk pad terecht gekomen. Wat kunnen wij tal van vrome betuigingen hooren als deze : „een mensch kan er maar niets aan doen. Het moet hem alles uit den hemel gegeven worden. Ik kan mij zelf toch niet bekeeren".
Het ontzettende is nu, dat dit allemaal waar is, maar dat wij hier tegelijk een aanwijzing hebben, dat waarheid, die niet door klaarheid van den hemel is ontdekt, leidt tot naarheid, zooals de duivel elke waarheid in naarheid verkeert.
Wat bedoeling schuilt toch achter heel dit vroom vertoon van de onmacht ? Wel, men as bewust of meer onbewust bezig God de schuld te geven van ons verloren gaan. Men zegt feitelijk dit er mede : Als God nu maar zoo gewillig was als ik. Ik wil wel, maar God wil niet.
Dat is nu satans vroom bedrog, dat is nu dogmatisme, dat de dood in de pot brengt. Dat zijn nu woorden, vrome woorden, maar die, gewogen op Gods schalen, toch heele leelijke woorden zijn.
Gods schalen — ja, daar is toch eigenlijk de maatstaf, waar het „gewogen, gewogen, maar te licht bevonden" al dergelijke vrome practijken veroordeelt.
Wie bij eigen bevinding dit „ik wil niet" doorleeft, en wie dan bij Geesteslicht al dieper in deze goddelooze natuur inblikt, vindt hoe langer hoe meer gruwelen van onwil tegen den Heere en Zijn leiding. Daaraan had ongetwijfeld de dichter kennis, toen hij het zoo diep afhankelijk afsmeekte :
Neig mijn hart en voeg het saam Tot de vrees van Uwen Naam.
Zoolang als een mensch nog zelf de weegschaal in zijn zak draagt, en zich, al redeneerend, afvraagt: of hij kan of niet kan, wil of niet wil, zoolang is hij nog niet in contact geweest met een rechtvaardig en heilig God. Wie waarlijk in Gods oordeel komt, heeft wel wat anders te doen dan te redeneeren langs de strakke lijn der rechtzinnigheid om te weten, hoe de onmacht en hoe de onwil moet geplaatst worden in het stuk onzer zaligheid. Zulk een redeneert niet meer over wat hij kan of niet kan, maar deze zal ervaren, wat van den Heere staat geschreven, „Hij zal den nooddruftige redden, die daar roept, mitsgaders den ellendige, en die geen helper heeft. Hij zal de armen en nooddruftigen verschoonen en de zielen der nooddruftigen verlossen".
Wie zulk een God mag ontmoeten, ziet van zelf alle redeneering wegsmelten en elke afgod van eigen kracht wegvallen. Ja, deze ontdekking noem ik met Schortinghuis een „dierbare", wanneer zoo sterk onze nietige nietigheid in het licht van Gods glorie wordt gesteld, dat wij, gelijk ons Avondmaalsformulier zoo ernstig ons voorhoudt, ons zelf mishagen vanwege zulk een staat des doods«.
„Ik stem toe", zoo besluit prof. Van der Schuit, „dat dit een vreeselijk oordeel is, dat hier over den zondaar wordt geveld. Maar meent nu niet, dat de nieuwere filosofie zooveel lichter en zooveel beter over den mensch oordeelt. In deze nieuwe school wordt stellig niet malsch over den mensch gesproken, als onomwonden wordt geleeraard, dat de mensch van de dieren afkomstig is, en hij in den grond een dier blijft, door egoïstische instincten geleid.
Menschen, zoo zegt een Duitsch wijsgeer, zijn gemuilkorfde wilde beesten en de crimineele processen laten ons zien, wat de mensch naar zijn diepste neiging is. Wanneer men zulke uitspraken van moderne denkers leest, dan behoeven wij waarlijk niet te zeggen, dat alleen de ouderwetsche bijbel en de ouderwetsohe Catechismus zulk een hard oordeel over den mensch spreken.
Dr. Bavinck heeft het eens terecht gezegd, het zijn de menschen, die over menschen het hardste spreken, en het strengste oordeel vellen.
Het is altijd hier nog beter in de handen des Heeren dan in de handen der menschen te vallen. Gods barmhartigheden zijn vele, en Hij vergeeft menigvuldiglijk. Gods genade in Christus gaat nog dieper dan onze zondestaat. Zoo hoog Zijn troon moog' boven d'aarde wezen Zoo groot is ook voor allen, die Hem vreezen, De igunst, waarmee Hij hen wil gadeslaan. Zoo ver het West verwijderd is van 't Oosten, Zoo ver heeft Hij om onze ziel te troosten Van ons de schuld en zonden weggedaan.
DE KERK VOLGENS DE VRIJZINNIGEN (2)
Het eerste opstel gaat over De Kerk als religieuze Gemeenschap en is van de hand van dr. C. J. Bleeker.
Wie het wezen der Kerk zuiver theologisch wil bepalen zal allereerst vragen naar haar ideëele grondslag, naar haar herkomst uit het wezen van het Christelijk geloof zelf. Zij vloeit voort uit de Blijde Boodschap, die Jezus verkondigde. Hierin vindt zij haar norm en bestaansrecht.
De menschelijke natuur heeft die behoeften, die het ontstaan der Kerk veroorzaken. Aan die behoeften komt de Kerk dan ook tegemoet en zij vindt bij de menschen bepaalde vormen, waarvan zij gebruik maakt. Anders zou zij ook niet kunnen blijven bestaan, maar gedoemd zijn tot onvruchtbaarheid en verdwijnen. De idee, de ziel der Kerk heeft een aardsch lichaam noodig. En ook hier moet het zijn : een gezonde ziel in een gezond lichaam.
Welke zijn nu de psychologische en sociologische voorwaarden en grondslagen der Kerk ? De mensch heeft behoefte aan eenzaamheid èn aan gemeenschap. Godsdienst in de binnenkamer, maar ook godsdienst met en voor elkander. Godsdienstige menschen zoeken elkaar om in hun geloof te worden gesterkt. De gemeenschap verrijkt ons.
Geloovigen komen dan niet in de eerste plaats samen om hun ervaringen uit te wisselen, maar om samen God te aanbidden. Dat is het wezen van de religie. En de handeling van den godsdienstigen mensch kan dan verschillende kanten uit. Getuigen in de wereld van het heil. Want Gods Koninkrijk moet komen op aarde. Zoo ontstaat de religieuze arbeid tegenover de wereld, die buiten God om leeft. Dat is de actieve kant.
't Kan ook de andere kant uit: Onze eigene verhouding tot God bepalen en beleven. God dwingt daartoe. Dit geschiedt in de cultus, de eeredienst, die méér is dan vereering, het is de omgang met God. Deze eere dienst is steeds een zaak van de groep. Verondersteld is daarbij een gemeenschap, een gemeente, een Kerk.
De Kerk is dus allereerst vereeringsgemeenschap : zij roept de geloovigen op, om God te aanbidden en de rechte verhouding te zoeken tot de eeuwigheid en het behoud van de ziel. En dan gaan de geloovigen tot de wereld uit, met de opdracht om de evangelische eischen van liefde en rechtvaardigheid te volbrengen.
Als gemeenschap vertoont de Kerk trekken van verwantschap met allerlei andere kringen, verbanden, verbonden, vereenigingen, enz. En evenals elke vereeniging heeft de Kerk haar organisatie, wetten, reglementen, gewoonten, besturen, rechtsregelen enz., met boeken, registers, geldelijke behoeften en verplichtingen enz.
Ten onrechte verwaarloost de Kerk vaak deze organisatie. De Kerk behoeft niet de reclamecampagne en de rationalisatie van een modern bedrijf, maar zou toch in deze wel wat meer van de kinderen dezer wereld kunnen leeren.
Vroeger viel de religieuze gemeenschap samen met de familie-of stamgemeenschap. De familievader, het stamhoofd en de koning traden op als priesters. „In dit stadium is er van een Kerk geen sprake".
Er kwamen later religieuze genootschappen waartoe alleen personen werden toegelaten, die aan bepaalde voorwaarden voldeden. „Die hebben den weg tot Kerkvorming voorbereid". En omdat de Kerk voortkomt uit een profetische religie, die berust op persoonlijke overtuiging, omdat de Kerk ook maar een deel van het volk - naar religieuze overtuiging - al heeft de Kerk steeds de strekking om beslag te leggen op het geheele volksleven. Aan de eischen van de religie moet worden voldaan en daarom moeten soms banden doorgesneden worden als er geen religieuze gemeenschap is. „Het overblijfsel" heeft hier een roeping.
„De Kerk is dus een van de natie en andere gemeenschappen onderscheiden cultusgemeenschap, in enger en losser verband met deze levenskringen".
Omidat vooral nu telkens andere eischen en grondslagen voor de Kerk worden gesteld en gelegd ontleend b.v. aan de natuurreligie van bloed en bodem, wordt de positie van de Kerk", sociologisch, steeds moeilijker, maar ook belangrijker als religieuze gemeenschap.
Het is hierbij verder duidelijk, dat de Protestantsche Kerken, die berusten op de prediking van het Woord, een andere innerlijke bouw moeten hebben dan 'b.v. de Roomsche Kerk, die zich grondt op de goddelijke genadegave, die zij kan uitdeelen.
De Kerk moet een bepaalde, vaste vorm hebben, zooals het lichaam ook aan een bepaalde vorm gehouden is; bouw en vorm moeten blijven, maar zooals het lichaam zich kleedt naar den gang der eeuwen, heeft de Kerk, met behoud van bouw en vorm, op den gang der tijden acht te geven. Zij moet niet denken, dat zij wel functioneeren kan, wanneer haar theologie maar in orde is. Zij moet ook met smaak gekleed zijn !
Tot zoover dr. Bleeker over de Kerk als religieuse gemeenschap - wat wij zoo getrouw mogelijk hebben geëxcerpeerd (getrouw uittreksel) en wat wij zonder commentaar (zonder toelichting, bespreking of critiek) geven.
Ieder vergelijke dat nu maar eens, met wat het Gereformeerd Protestantisme in deze leert, 't Is ons nu alleen maar hierom te doen, dat wij de vrijzinnige heeren theologen eens hooren praten in hun taal.
[Wordt voortgezet.]
DE ROODE BOM
Onder de Vrijzinnig Hervormden zijn er de laatste jaren velen, die voelen en zeggen, dat de belangen van de Kerk gaan boven partijpolitieke-leuzen. En velen willen meewerken tot oplossing van het kerkelijk vraagstuk in samenwerking met de Orthodoxen. Ook op het Congres, pas gehouden, onder leiding van ds. Boonstra, lid van de Synode, kwam het uit, dat men wilde erkennen, dat de Kerk Kerk moet zijn, met een eigen belijdenis, en dat de Kerk niet mag wezen een vrije spreektribune, waarbij bij velen alle kerkelijk besef beneden nul is gedaald. „Als zij nog om de Kerk geven, dan is het als religieuse instelling - zonder eenig Kerkbegrip", getuigt een vrijzinnige; die dan tegelijk het woord van wijlen prof. Boessingh in herinnering brengt: „Er is eigenlijk iets zeer tragisch in het volkomen versplinterd individualisme der moderne theologen, dat onvermijdelijk bij velen afglijdt naar agnosticisme en scepsis". Dat is dus : „we weten eigenlijk niets" en we kennen alleen „twijfel".
Nu is er bij vele Vrijzinnigen, die in den geest van Roessingh zijn opgeleid, neiging om mee te werken tot behoud van de Kerk als belijdende Kerk. Maar - zoo meldt iemand in de N. Rott. Ct. - op het Congres was ook dr. Horreüs de Haas, de vrijzinnige dominé van Zwolle, die bij de S.D.A.P. is aangesloten, en die heeft toen op het laatst een bom in de vergadering geworpen, met de bedoeling een eventueele samenwerking van de Vrijzinnigen te verhinderen.
Wij hadden niet anders van de S. D. A. P.dominé verwacht. Maar wij gelooven niet, dat hij veel succes zal hebben en dat zijn optreden de Vrijzinnig-Hervormde beweging ten goede zal komen.
We zullen maar afwachten.
Intusschen wordt gelukkig het kerkelijk bewustzijn in breeden kring weer levendig.
Kome het onze Hervormde Kerk en ons volk ten goede !
KOHLBRUGGE DE reis naar het Wupperdal. (9)
Daniël en Karl von der Heydt behoorden tot de trouwste vrienden van Kohlbrugge in het Wupperdal. Zij ontdekten in Kohlbrugge een hartstochtelijk strijder voor de vrijheid der KerK, de zelfstandigheid der gemeente en de belijdenis der vaderen. Maar juist de eerlijke overtuiging, waarmede Kohlbrugge zijn standpunt ten opzichte van de Kerk als belijdeniskerk verdedigde, werd zijn noodlot. Allerlei factoren werkten samen, waardoor een nieuwe catastrophe in het leven van Kohlbrugge onvermijdelijk was. In het begin van het jaar 1834 (6 Januari) vroeg de Kerkeraad van Koblenz aan den praeses van de Synode, dr. Greeber, om nadere inlichtingen omtrent Kohlbrugge. De Kerkeraad wilde hem tot het examen , pro ministerio niet toelaten, zonder eerst nadere inlichtingen te hebben ingewonnen omtrent zijn persoon en zijn leer.
Het antwoord van dr. Greeber bevindt zich in het kerkelijk archief in een document, dat in deze vorm onmogelijk een adres aan den Kerkeraad kan voorstellen; heele zinnen zijn doorgehaald, weer verbeterd en opnieuw ongeldig gemaakt. Hetgeen echter van de hand van dr. Greeber is blijven staan, geeft een weinig gunstig getuigenis over Kohlbrugge. Dr. Greeber deelt in zijn antwoord mede, dat men Kohlbrugge in Amsterdam een aanstelling als predikant in de Luthersche Kerk geweigerd heeft, omdat men vreesde, dat hij nieuwe onrust en scheuring in de gemeenten zou teweeg brengen. Zijn ijver voor de waarheid, zijn uitvallen tegen andersdenkende predikanten en zijn uitlatingen over de toenmalige toestand der Kerk in Holland waren nu en dan zeer hartstochtelijk, waardoor de spanning in niet geringe mate toenam. „Ook in het Wupperdal en omgeving heeft Kohlbrugge door de sterk mystieke inslag van zijn preeken, door zijn scherpe uitdrukkingen over het verderf van den mensch en de onbeperkte genade en waarheid van God veel sensatie teweeg gebracht, zoodat waardige dienaren 'van het Evangelie, die in hun preeken geloofsleer en zedeleer met elkander verbinden, gevaar liepen daarin miskend te worden en het vertrouwen van vele gemeenteleden begonnen te verliezen, " De preek over Romeinen 7 ; 14 bewijst, volgens het oordeel van dr. Graeber, duidelijk, dat de leer van Kohlbrugge onvereenigbaar is met de symbolische boeken, wat de heiligmaking betreft en de vrucht der goede werken. Kohlbrugge kent wel de zedelijke kracht van iiet Evangelie, maar hij gaat lijnrecht in tegen de oprechte ijver in de heiligmaking. Hij blijft bij het offer van Christus staan.
Friedrich Wilhelm Krummacher meende Kohlbrugge van hoogmoed te moeten beschuldigen. De „rijke eerekroon, die hem na al de tegenheden in zijn eigen vaderland door de handen van zijn vrienden in het Wupperdal gevlochten was", was hem langzamerhand tot een verzoeking geworden om het woord van Paulus te vergeten van Hem, Die alleen de wasdom geeft en in Wiens oog noch hij, die plant, noch hij, die nat maakt, iets beteekent. Een der predikanten had er in Koblenz op aangedrongen om Kohlbrugge in Elberfeld te laten blijven. Maar nu kreeg juist deze predikant van zijn beschermeling iets zeer onaangenaams te hooren. Kohlbrugge had een 'van zijn collega's een „dwaalleeraar" genoemd ! En wel omdat deze predikant in zijn preek te veel de nadruk gelegd had op het woord van Jakobus : „Geloof zonder werken is dood".
Door al deze onaangename verwikkelingen was Kohlbrugge ten slotte genoodzaakt weer naar Holland terug te keeren. Op 4 Januari 1834 verliet hij Elberfeld. Eenige tijd later ontving hij uit Koblenz het volgende bericht van het definitieve besluit van den Kerkeraad : „In antwoord op uw verzoek van 7 November deelen wij u mede, dat het Ministerie •voor geestelijke aangelegenheden gemeend .heeft uw verzoek om toegelaten te mogen worden tot het examen pro ministerio te moeten afwijzen en u tevens het prediken in onze provincie te moeten verbieden. Koblenz 14 April 1834."
In zijn antwoord aan het kerkelijk bestuur te Koblenz zegt Kohlbrugge, dat zij er eenmaal op Gods groote dag voor Zijn rechterstoel verantwoording van zullen moeten afleggen, dat zij hem, die door God tot het predikambt geroepen is, daarvan teruggehouden hebben.
Einde van de reis naar het Wupperdal.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 oktober 1936
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 oktober 1936
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's