MEDITATIE
DE KLOPPENDE HEILAND
Zie, Ik sta aan de deur en Ik klop. Openbaring 3 vers 20a.
Zie, Ik sta aan de deur en Ik klop. Wij weten, tot wie deze woorden gericht zijn, tot de lauwe gemeente te Laodicéa, tot een gemeente, die geestelijk dood, geestelijk bevroren was. Onverschillig en koel stond deze gemeente tegenover haar Heiland en Zijn boodschap. Ze leefde onbekommerd daarhenen, geen ernst makend met de prediking van Christus en daarbij nog, en dat was het ergste, levende in de gedachte, dat ze rijk was, maar ze zag niet, dat ze was blind en arm en ellendig en naakt. Maar — hoe lauwer de gemeente werd, hoe vuriger de Heiland. Was de gemeente onverschillig geworden voor het Woord des Heeren, de Heere was niet onverschillig geworden tegenover haar, maar hoe meer de gemeente zich van Christus afkeerde, hoe meer Christus zich naar de gemeente toewendde. Hoe meer de gemeente het voorstelt en voorgeeft: we hebben Christus en Zijn genade toch eigenlijk niet noodig, hoe meer de Heiland Zijn genade als het ware opdringt. Met alle klem en nadruk geeft de Heere aan de gemeente de raad, om van Hem goud, beproefd komende uit het vuur, te koopen en witte wisselkleederen. Waarom ? Omdat de Heere de gemeente van Laodicéa noodig had ? Geen sprake van; de Heere had Laodicéa niet noodig, geen oogenblik ; maar dat Hij toch blijft aandringen, ja, hoe langer hoe meer gaat aandringen, naarmate de gemeente lauwer wordt, 't is enkel liefde, om den zondaar van 't verderf te redden. De Heiland kan het niet aanzien, hoe een gemeente met open oogen haar verderf tegengaat.
Maar de Heiland, in Zijn groote liefde, is niet alleen gekomen met een raad, maar Zijn liefde is nog verder gegaan, nog duidelijker wil Hij laten zien, hoe Hij alles er op zet de gemeente te redden. Zie — zegt de Heiland, zie — dat was noodig om dat erbij te zeggen, in de eerste plaats om op het geweldige te wijzen, wat komen gaat, maar vooral ook om de aandacht van de gemeente te trekken. Zie — de gemeente was immers blind voor Christus, had alleen maar oog voor haar eigen dingen en daarom moet zij wakker geschud worden uit haar doodsslaap met het woord: Zie. De gemeente heeft er in haar blindheid niets van bespeurd, dat de Heiland aan de deur staat te kloppen en daarom moet ze acht geven: Zie.
Welk een opzoekende genade van Christus. Als de gemeente geen behoefte meer heeft om den Heiland op te zoeken en tot Hem de toevlucht te nemen, dan laat de Heiland de gemeente niet in de steek. Wat lag echter meer voor de hand. Reeds zoo menigmaal had Christus haar Zijn boodschap verkondigd; daarom had de Heiland ook met recht kunnen zeggen : Zie, ja, zie, Ik heb al zooveel gedaan om u te redden, zie, ja, zie, nu geef Ik u over aan 't verderf. Maar neen. Zie, Ik sta aan de deur en Ik klop. Als gij niet meer tot Mij komt en uw geestelijk leven verkoeld is, zie, ja, zie, dan verlaat Ik Mijne heerlijkheid aan de rechterhand Mijns Vaders, en dan daal Ik als pelgrim neder om u op te zoeken. Als gij het niet meer noodig acht bij Mij aan te kloppen om hulp en redding, dan klop Ik bij u aan, want anders gaat gij verloren. En omdat Ik dat niet zien kan, omdat Ik u zoo gaarne redden wil, daarom, zie, heb Ik Mijn troon in den hemel een oogenblik ledig gelaten om u weer tot Mij te trekken. Zie, Ik sta aan de deur en Ik klop.
Als we het letterlijk willen vertalen, kunnen we ook zeggen: Zie, Ik ben gaan staan, heb post gevat bij de deur en Ik ben maar steeds bezig te kloppen. Dat wijst ons er op, dat de Heiland niet zoo gemakkelijk van plan is henen te gaan. Hij heeft post gevat bij de deur en Hij klopt maar steeds door. Het is niet eventjes aanbellen en als Hij niet aanstonds gehoor krijgt, dan gaat Hij weer heen; neen. Hij is voor de deur gaan staan en klopt maar steeds door om te kennen te geven: Zie, Ik zal tot schamens toe blijven kloppen. De Heiland drukt met die woorden : Ik ben gaan staan en Ik klop maar steeds door. Zijn onverzettelijke wil uit, om de gemeente te redden. Ja, in de woorden : Zie, Ik sta aan de deur, zit nog een rijke gedachte. De Heiland staat aan de deur om er op te wijzen, zie, niet zoodra wordt de deur geopend, of Ik stap reeds binnen, want Ik sta. Ik zit niet. Ik heb geen gemakkelijke houding aangenomen, neen, Ik sta, om onmiddellijk binnen te treden, als de deur opengaat. Ziehier de groote liefde van Christus tot den zondigen mensch, die Hem de rug toegekeerd heeft.
Deze woorden : Zie, Ik sta aan de deur en Ik klop, gelden ook ieder gemeentelid in onze dagen, dat nog lauw staat tegenover het Woord van Christus. Bij een ieder van ons, die nog niet de volle toevlucht tot Christus genomen heeft, die zijn weg nog meent buiten Hem te kunnen gaan, zonder dat hij ziet dat deze weg op het verderf uitloopt, bij een ieder van dezulken staat de Heiland aan de levensdeur en zegt Hij : Zie, Ik sta. aan de deur en Ik klop.
Zie, ja, zie, dat zegt de Heiland er bij. Let er op, misschien merkt ge er niets van, misschien zijt ge er blind voor, maar zie. Ik sta aan de deur en Ik klop. Daar zijn er echter zoovelen, die aan onze deur kloppen, die we duidelijk hooren kloppen en die een gretig gehoor bij ons vinden, die we aanstonds opmerken, wanneer ze aan de deur kloppen. De zonde, het zoeken van onszelf, van eer en aardsche rijkdom, dit alles hooren we onmiddellijk als ze aankloppen en omdat die zoo gretig bij ons aankloppen en omdat we zoo gretig naar ze luisteren, daarom moet de Heiland er extra bijvoegen: Zie, ook Ik sta aan de deur en Ik klop. We hooren meestal allen kloppen, behalve Hem. En toch heeft Hij in Zijn groote liefde om u te redden, ook post gevat aan de deur van uw levenshuis en Hij klopt, klopt steeds maar door. Hij, ofschoon aan des Vaders rechterhand. Hij is toch ook nog op aarde en staat voor uw levensdeur, Hij heeft geen rust in den hemel, omdat Hij u ook wil redden. Zijn liefde dringt Hem. Hij kan u niet zien ondergaan en daarom staat Hij daar buiten aan de deur te kloppen en Hij is niet van plan spoedig heen te gaan, want Hij heeft post gevat bij de deur en Hij laat steeds maar Zijn klop op de deur hooren. De klop op de deur, dat kan van Christus gezegd worden. Onvermoeid klopt Hij door de prediking elke Zondag weer, is dat soms geen onvermoeid aankloppen ?
Zijn Woord, dat ge in huis hebt en leest, is dat ook soms geen voortdurend kloppen van Hem ? Een plotseling sterfgeval in u\v naaste omgeving : Zie Ik sta aan de deur en Ik klop.
En hoe klopt Christus ook in de nood der tijden aan de deur van menig lauw en koud gemeentelid. Nu we zien, hoe de wereld met al haar begeerlijkheden voorbijgaat, nu we zien en kunnen zien, hoe alles, meer dan ooit, wankel is op deze aarde, nu is het alsof Christus nog dringender gaat kloppen. Waarom? Omdat Hij u noodig heeft ? Geenszins, maar alleen omdat Hij weet, dat gij Hem noodig hebt, al probeert gij u aan Hem te onttrekken, omdat Hij weet, hoe gij buiten Hem in het eeuwig donker staat. Omdat Hij ziet, wat gij niet ziet, omdat Hij ziet, dat de nacht des doods zijn schaduwen reeds over u laat vallen, daarom gaat Hij kloppen, kloppen, dringender dan ooit, bij u, lauwe en koude Christen, om die nacht, waarin gij u bevindt, te verdrijven door Zichzelf, die het Licht der wereld is. Ziehier, de liefde van den kloppenden Heiland aan de deur van uw levenshuis ; aan de deur van uw hart.
Wat doet gij nu ? Ge ziet Hem misschien niet eens staan aan uw deur en hoort Hem misschien niet kloppen ? Ach, bid dan om oogenzalf, opdat ge Hem zien moogt, en bid om een geopend oor, opdat ge Hem hoort.
Maar als ge Hem nog laat kloppen, dank zij Gods genade, wat doet ge dan ? Zult ge u verder blijven verzetten en uw hart verharden ? Denk er wel om, de Heiland blijft lang staan kloppen, doch eindelijk gaat Hij heen, u, evenals Pharao, overgevend aan de koudheid van uw hart. En dan is het te laat; dan kan het zijn, dat ge misschien nog eens zult hongeren, maar dan geen verzadiging meer zult vinden, een honger, waarover Amos spreekt.
Nu klopt de Heiland; o, val Hem dan ook nu met een verbrijzeld hart te voet en zeg: Heere, Gij zijt mij in Uw liefde te sterk gev/orden. Laat Hem toe in uw hart en uw leven, want dan zal hij Avondmaal houden met u, dat wil zeggen, dan zal Hij innige zielsgemeenschap met u oefenen, u al de volheid van Zijn liefde schenken en dan zal Hij als Gastheer ook uw beschermer zijn in dit leven en in het uur van uw dood.
S.
W. B.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 oktober 1936
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 oktober 1936
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's