De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

UIT DE AFDEELINGEN

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

UIT DE AFDEELINGEN

9 minuten leestijd

GOUDA. Verslag van de eerste spreekbeurt, uitgaande van de Afd. van den Gereform. Bond, waarin als spreker voor ons optrad de W.Eerw. heer ds. Brouwer, van Wilnis, met 't onderwerp:
»De geschiedenis der eerste Christelijke Kerk tot en met de derde eeuw na Christus.
Onze eere-voorzitter, ds. B. van Ginkel, opende deze vergadering na Psalmgezang en Schriftlezing met gebed, met een kort inleidend woord, zijn blijdschap uitsprekende dat zoovelen opgekomen waren om deze rede te hooren, waarna hij het woord gaf aan ds. Brouwer.
Z.Eerw. begon na een korte inleiding aan zijn onderwerp aldus : Er zijn twee mogelijkheden, n.i. de eerste is een onderzoek van de geschiedenis uit wijsgeerig oogpunt, en het tweede om meer licht uit de geschiedenis voor het heden, teneinde de leiding des Heeren met Zijn Kerk te zien tot vertroosting en opwekking.
Spreker ging dan na hoe het stond met het geloofsleven kort na de uitstorting van den H. Geest. In ruime mate ging het goed, de gevolgen van de Geestesgave waren in ruime mate zichtbaar ; het was één hart en één zin ; de H. Geest werkte in alles mede, ook in het gebeuren van Ananias en Saffira ; vreeze kwam over allen, met Petrus in en uit de gevangenis, enz. Zie ook het treffende in Paulus staande houden op den weg naar Damascus, en ook Paulus was in ruime mate bedeeld van den Geest van Pinksteren, wat spoedig bleek.
De eenheid onder de apostelen zou echter niet van langen duur zijn, daar Petrus nogal Joodsch gezind en Paulus de heiden-apostel was, en uit die oorzaak Paulus zich ook niet ontzag Petrus te bestraffen. Doch wat de Heiland ondervonden had van de tweeslachtige menschen, daar zouden ook de apostelen niet van verschoond blijven. Waren de discipelen met den doop des H. Geestes bedeeld, spoedig zouden de afwijkingen en valsche voorstellingen en ceremoniën er voor in de plaats komen en daar dan den grond van zaligheid in vastleggen. En dat, niettegenstaande zuliks nooit door de apostelen is geleerd. Want deze hebben zich steeds gehouden aan het bevel des Heeren zeggende : „Gaat dan henen, onderwijst alle den volke, dezelve do opende in den naam des Vaders, en des Zoons, en des Heiligen Geestes, ieerende hen onderhouden alles wat Ik u bevolen heb". Al spoedig ging men over om den grond der zaligheid in den doop te leggen en te zeggen dat dit de doop des H. Geestes was en de gedoopte daardoor dan veranderd en vernieuwd was. En waar het geloof een gave des H. Geestes was, moesten we ook den doop des Geestes ontvangen. De doop als Sacrament is goed, maar men veruitwendigde weldra deze zaken, zie maar naar Simon, de toovenaar, waarom Petrus hem dan ook bestrafte. Hij, de H. Geest, is een gave Gods, en waar deze valt, daar valt alles naar Gods raad, hetgeen wij duidelijk zien in de apostelen, hoe zij geleid werden door den H. Geest.
Bleef die eenheid zoo onder de apostelen ? Geenszins. Wat uit het reeds gezegde is gebleken tusschen Petrus en Paulus. Bij Petrus en Jacobus geraakte zelfs in hun prediking en in hun brieven de Geestesdoop geheel op den achtergrond, waardoor zij zelf waren omgezet tot een nieuw schepsel, vervuld met goddelijke (kracht, en zij de geloovigen aanspraken als heiligen en de geloovigen aanspoorden om staande te blijven in de verzoeking en de zonde te wederstaan, waarom de geleerden hebben gezegd, dat Jacobus' brief achter de brieven van Paulus moest gezet worden, omdat de schrijver er van niet iemand was die met den Geestesdoop gedoopt was. Petrus en Jacobus beroepen zich ook niet op den Geestesdoop, maar op de verantwoordelijkheid des menschen, en dit is juist de Joodsche geest die in hen spreekt ook door een heenwijzing naar het eind der dagen door het Pinkstergebeuren, waardoor het verborgene zal geopenbaard worden. De Jood kan niet gelooven, dat God tastbaar kan worden vóór en gebonden dóór het schepsel.
Alleen in het verbond is een band, maar die band is er, als er gehoorzaamheid is. De mensch op zichzelf kan nooit een heilige, noch een nieuw schepsel worden.
Hoe geheel anders is dan de Griek, die zegt, dat elk mensch het goddelijke in zich draagt. Er zit weliswaar een dikke bolster omheen van verderf en dwaling, maar zijn ondergrond is : wij zijn van Gods geslacht, en dat is voor den Jood een onvergeeflijke godslastering. Vóór Christus' geboorte werkte die geest al onder de Grieken, waarom zij dan ook ingewijd werden in allerlei ceremoniën, nacht en duisternis, en met tafereelen en lichteffect aan hun eigen goddelijkheid, om dan eindelijk met een doophandeling, hetzij door onderdompeling of door onder bloedstrooming van een geslacht beest doorgegaan te zijn, waarna zij dan een wit kleed aan kregen als symbool van de goddelijke natuur, deze deelachtig zijn geworden, 't Werd voor hen als was het alles, nieuw. Vandaar ook de verschillende gedachten tusschen Joodsche-, Grieksche-of heidensche Christenen. De Joodsche bleven zich aan de wet houden en beriepen zich op de wet, de heidensche niet, welke zich op de vrijheid in Christus beriepen. Petrus en Jacobus waren de leidsiieden der Joodsche-en Paulus der heidensche Christenen, en zoo komt het, dat Paulus de tweeslachtige was; want hij was den Joden een Jood en den Grieken een Griek, hoewel hij het meest zich wendde tot de Grieken, maar als 't moet, springt de Jood Paulus op de ketting in zijn eerste Corinthebrief.
De Grieken maken echter een verkeerd gebruik van den doop, waarin zij de werkelijkheid zagen van de wedergeboorte, en dit keurde Paulus af. Het Joodsche vuur voor de heiligheid Gods doofde steeds meer uit, vandaar ook dat ± 100 jaar de toonaangevende menschen in de Kerk, de heiden-Christenen waren. Clemens, de bisschop van Rome, Ignatius, de bisschop van Antiochië, Pupius, de bisschop van Hydrapolis, deze allen leven in één geestelijk klimaat, maar het duidelijkst is het in Ignatius te zien wat er van de leer van Paulus in de Kerk terecht komt. Deze werd ± 110 jaar na Christus op eigen aandringen vanuit Antiochië vervoerd om te Rome voor de wilde beesten geworpen te worden, zich voordoende Paulus na te volgen, hetgeen Paulus nooit gedaan heeft, noch gezegd. Ook schreef Ignatius brieven aan de zeven gemeenten, dus ook Paulus navolgen, doch niet als Paulus ; de grondwaarheden bij Ignatius waren niet uit het geloof, als gevolg van den Geestesdoop, waarmede Paulus gedoopt was. 't Was van Ignatius bewuste reclame, gebaseerd op de geestesgave, in den doop ontvangen uit de levensbeginselen der oude Grieken; 't is de geest en wilskracht uit hem, die hunkert naar de martelaarsdood, om Gode evengelijk te zijn. Elke gedachte om voor den rechterstoel van Christus gesteld te worden, is hier weg.
Zij waren van Paulus' leer verwijderd en vervlakt, hoewel zij hem vereerden. Hoe was het goud dus spoedig verdonkerd !
Hoe was de Joodsch Christelijke Kerk spoedig als een kaartenhuis in elkaar gevallen en de Heidensche Christelijke werd hoe langer hoe meer een leer van kennis en tevredenheid, zonder eenige innerlijke kracht. Steeds zwakker werd het „uit genade zijt gij zalig geworden" ; het Kruis werd verdrongen ; van zonde sprak men niet meer ; 't werd een menschelijke leer, er ontstond een geslacht van z. g. n. Christelijke wijsgeeren zonder de minste kennis van den Zone Gods. De namen der wijsgeeren waren Justitius Martyr, Gnadratus, Tertianus, Aristides en anderen ; van wedergeboorte en bekeering spreekt niemand hunner.
Hun uitgangspunt is .alleen doop des geestes. Deze doop werd alleen toegediend in de Paaschnacht. De doopeling deed eerst belijdenis van zijn geloof met de woorden van zijn apostolische geloofsbelijdenis, daarna werd hij tegen 't aanbreken van den morgenstond ondergedompeld, liefst in stroomend water, de armen uitgebreid, het hoofd gebogen, om uit te beelden, dat hij met Christus gekruisigd werd. Deze doop duidde een geestelijken dood aan, en als dan de doopeling uit 't water opsteeg en overkleed was geworden met witte kleederen, als dan de eerste stralen van den Paaschmorgen de schemering doorbrak, dan jubelde de geheele gemeente : „Weest gegroet gij eersteling der dagen, morgen der verrijzenis, bij wiens licht de macht der hel verslagen en de dood verslonden is". De gedoopten heetten dan wedergebooren, zij hadden het nieuwe teven; heiligen waren zij, verlosten, van zonden vrij, onbesmet van de wereld. Weinig drong het tot hen .door, dat dit alleen maar symbool was, en, symbolen houden geen stand in 't leven.
De Kerk van Christus had zich aangepast aan het Grieksche denken, maar de kracht des geloofs had ze ingeboet.
Zoo was er dus weinig van den Pinkstergeest in de Kerk van Christus overgebleven.
Als 't waarlijk Pinksterfeest is, dan is het met de Godskennis der glorie Gods, en deze maakt den mensch in zich zelve arm en verlaten om alleen te roemen het kruislijden van Christus. Daar waar 't hart in angst en pijn en zondenood vlucht tot 't kruis van Christus, daar wordt alleen Gods kracht openbaar. En God zij gedankt, daar is de Kerk der eerste eeuwen niet vreemd aan gebleven, omdat zij ten slotte Kerk van Christus was. Telkens verschrikte hen wel vervolging en verdrukking, doch Gods Kerk hield stand, en de huichelaars kwamen openbaar.
Resumé : de zaligheid alleen in 't verbond zonder eenig recht in den doop en daarmede geven Paulus en Petrus en Jacobus elkander de broederhand met „zie het Lam Gods, dat de zonde der wereld wegneemt". Die dit bij ervaring weet en kent, die vraagt: „Kom, Geest van Pinksteren, ook in mijn hart en maak mij een gewillig instrument in Uw hand, opdat het blijke : God geeft Zijn eer aan geen ander".
Ds. van Ginkel dankt ds. Brouwer zeer hartelijk voor zijn leerzame rede, waarna ds. Brouwer in dankgebed eindigt.
Namens de Afdeeling Gouda,
C. J. REVET, 2e Secretaris.
 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 oktober 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

UIT DE AFDEELINGEN

Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 oktober 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's