De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

UIT DE AFDEELINGEN

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

UIT DE AFDEELINGEN

14 minuten leestijd

APELDOORN. 15 October mocht onze afdeeling haar 1ste jaarvergadering houden. De voorzitter opende op de gebruikelijke wijze en wijst daarna op hetgeen in 't afgeloopen jaar is geschied.
Met dankbaarheid wordt geconstateerd, dat het ledental stationair gebleven is. De aftredende bestuursleden werden opnieuw gekozen, terwijl tevens een nieuw bestuurslid werd gekozen en wel Adr. Ooms, die, daar de secretaris inmiddels heeft bedankt, op de laatst gehouden bestuursvergadering benoemd is als secretaris. Het verslag van den penningmeester deed ons zien, dat de financieele moeilijkheden ook voor onze afdeeling groot zijn. Wij missen hier wat andere afdeelingen vaak wel hebben, n.l. medewerking van kerkelijke bladen of gratis gebruik van de consistoriekamer.
Getracht zal worden in de wintermaanden verschillende predikanten te laten optreden, welke hiertoe inmiddels zijn uitgenoodigd.
De opkomst van deze vergadering was als jaarvergadering slecht te noemen. Vrienden, wat is hiervan de oorzaak ? Het gaat niet altijd op, te zeggen geen convocatie te hebben gehad. Is het gebrek aan belangstelling in het werk van de af'deeling ? Laat het dit jaar eens anders mogen wezen. Niet de arbeid voor een enkeling, neen vrienden, ieder lid een propagandist. Ook onze damesleden missen we den laatsten tijd. Zusters, wekt elkander op en komt gezamenlijk en brengt anderen mede. Zijn er op de pl.m. 40.000 Hervormden slechts een dertigtal die de Gereformeerde Waarheid voorstaan ? Dit kan haast niet waar zijn. Daarom : voorwaarts, de hand aan de ploeg en het oog naar omhoog. Geve de Heere ons te doen wat onze hand vindt om te doen en moge onze arbeid onder den zegen des Heeren wezen tot versterking van onzen Bond en uitbreiding van Zijn Koninkrijk. De Secretaris,
Bloemheuvellaan 53
ADR. OOMS.

HOOGEVEEN. Vrijdag 23 October hield de afdeeling haar eerste vergadering van dezen winter. De voorzitter, ds. Van Nie, heette na de opening al de aanwezigen welkom, inzonderheid, ds. Vroegindewey en de leden van de onderafdeeling „Noord". Na het lezen der notulen hield ds. van Nie een inleiding over de eerste vraag en antwoord van den catechismus. Eenige vragen naar aanleiding hiervan werden naar genoegen door den inleider beantwoord. Na de pauze kwam de aanstaande wintercampagne aan de orde. De data der vergaderingen voor Hoogeveen en Noord werden vastgesteld en afgesproken werd dat beurtelings ds. van Nie en ds. Vroegindewey zullen leiden. De propaganda voor „De Waarheidsvriend" zal intens worden beoefend. Nadat nog een paar vragen van practischen aard waren beantwoord, sluit op verzoek van ds. van Nie ds. Vroegindewey de goed bezochte vergaderlng met dankzegging.

GOUDA. Programma van de cursusvergaderingen te houden in het gebouw, „Daniël" op de hieronder aangegeven data, aanvang 8 uur.
11 November: De Hervorming; Synode te Dordrecht; Strijd tusschen Remonstranten en contra-Remonstranten, ds. Damsté van Sluipwijk.

28 November : De Hervorming, ds. v. d. Linden van Kootwijk.
9 December: Het Reveil, ds. v. d. Linde van Lopik.
20 Januari : De Afscheiding, ds. Schipper, van Kockengen.
3 Februari. De Ledeboerianen, ds. Hiensch, van Bleiswijk.
17 Februari: De Chr. Gereformeerde Kerk, ds. V. d. Hee, van Polsbroek.
3 Maart: De Doleantie, ds. Bouw, van Benschop.
17 Maart: Pogingen tot herstel der Kerk! ds. Van Ginkel, van Gouda.
31 Maart: De beteekenis van den Gereform. Bond voor de Ned. Hervormde Kerk. Ds. Van Dijk, van Rijnsaterwoude. Na de behandeling van het onderwerp is er gelegenheid tot het stellen van vragen.
DE SECRETARIS.
Wij spreken onze groote ingenomenheid en blijdschap gaarne uit bij het inzien van dit programma ! Prachtig !
De Heere zegene al dat werk !
M. V. G.

ROTTERDAM-KRALINGEN. Onze afdeeling kwam Dinsdag 20 October j.l. in vergadering bijeen. Onze voorzitter ds. M. van Grieken was zoo vriendelijk een bespreking te houden over: Onze Avondmaalsviering. Hij zei ongeveer :
Met onze Avondmaalsviering bedoelen we de Avondmaalsviering zooals we die vinden bij het Gereformeerd Protestantisme. Hiervan is scherp onderscheiden de Roomsche leer en practijk. Daar heeft men dat, door de wijding en zegening van den priester (die daartoe zelf sacramenteel gewijd is en de bovennatuurlijke gave daartoe bij de priesterwijding heeft ontvangen) het brood wezenlijk veranderd in vleesch en de wijn in bloed (trans-substantiatie). Het sacrament heeft dan de genade in zichzelve, zoodat liet kind dat gedoopt wordt door het Sacrament van den Doop zelve de genade der schuldvergeving en der vernieuwing des harten ontvangt (ex opere operato = in en door en tijdens de toediening van het sacrament; dus een magische, sacramenteele werking) en degene, die ter communie gaat (de mis gebruikt) wezenlijk gezegend wordt. De kwestie van geloof, naar de opvatting der Schrift en onze belijdenis, komt hierbij in de Roomsche Kerk niet in aanmerking : die de handeling van eten verricht ontvangt en heeft de genade der Kerk en kan verder gerust zijn (een machinale werking van het Sacrament). Omdat het brood wezenlijk veranderd en overgegaan is in vleesch moet allervoorzichtigst gebruikt worden (het is het vleesch van Christus geworden) en daarom heeft de Roomsche Kerk in de practijk de ouwel, die door den priester in de mond gelegd wordt van degene die communiceert. En omdat de beker dus gevuld is met het wezenlijk bloed van Christus is men uiterst bezorgd voor die beker (met bloed), waarom de priester hem niet uit handen geeft, maar er alléén uit drinkt, dat dan geldt „voor allen" (pro omnibus). Zoo wordt het sacrament, vooral de ouwel, tot een soort god gemaakt (Luther sprak van „de broodgod" van Rome) en zorgvuldig in het hoogaltaar bewaard, waarvoor iedere Roomsche, die een kerk passeert, eerbiedig groet, zelfs als hij b.v. in de tram zit en dan voorbij een Roomsche Kerk gaat. Het wordt bij Rome dan een telkens herhaalde „onbloedige" offerande van Christus, waardoor de éénige en algenoegzame offerande door Slons Borg op Golgotha volbracht wordt gekleineerd en van kracht beroofd. In onzen Heidelbergschen Catechismus wordt de mis van Rome daarom ook genoemd „in den grond der zaak" een vervloekte afgoderij (dit in antwoord en als terugslag op de vervloeking over de reformatorische avondmaalsviering, op het Concilie van Trente met kracht door Rome uitgesproken.
Wij moeten bij „onze" Avondmaalsviering noch van die trans-substantiatie, noch van die magische (tooverachtige) sacramenteele werking van de deelen des Avondmaals iets hebben ! Het is in alles in strijd met Gods Woord. Want dat de Heiland gezegd heeft: „dit is mijn lichaam" loopt evenwijdig met: „Ik ben de ware wijnstok", „Ik ben de weg", „Ik ben de deur« of ook „Christus is de rotssteen" enz. Het is de geestelijke beteekenis van des Heilands persoon en werk, daar Hij zegt: „Ik ben het brood, des levens" — en in verband daarmee : „wie van Mijn vleesch eet en van Mijn bloed drinkt enz.". Het gaat niet om brood, noch om vleesch, maar om Christus in Zijn verzoenend lijden en sterven. Gelooft in den Heere Jezus Christus en gij zult zalig worden. En de vertroosting voor den zondaar is dan bij zon der bij het gebroken brood en den vergoten wijn, om den dood des Heeren te gedenken en geestelijk gesterkt te worden in het geloof, dat God een goddelooze rechtvaardigt, zonder de werken der wet, in Jezus Christus den Heere, onze Gerechtigheid. Hier kunnen de geestelijke dingen slechts geestelijk worden verstaan, waarbij de Heere dan in het Sacrament met de zichtbare teekenen en zegelen Zijn kinderen, die bij Hem de toevlucht zoeken (toevlucht nemend en toeëigenend geloof) wil te hulp komen, omdat wij zulke gebrekkige menschen zijn, die zoo hulpbehoevend zijn en blijven en moeten leeren, om ons te willen laten helpen door den God en Vader van onzen Heere Jezus Christus, Die ons naar Zijn groote barmhartigheid 'heeft wedergeboren tot een levende hope.
Spreken we van „onze" Avondmaalsviering, dan moeten we hier ook onderscheiden de Luthersche opvatting, met de practijken van de Luthersche Kerk. Daar is het wel niet de transsubstantiatie (dat de substantie van brood overgaat in de substantie van vleesch enz.), maar toch wel, naar de leer van Luther zelf, dat in en m e t en onder het brood en den wijn Christus lichamelijk tegenwoordig is, waarbij dus aan de menschelijke natuur van den Heiland (Die nu in den hemel is, zittende aan de rechterhand des Vaders) de Goddelijke eigenschap van 'de alomtegenwoordigheid gegeven wordt. Ook leeft bij de Luthersche Kerk veel sterker de gedachte, dat het Sacrament zelve werkt en genade aanbrengt, wat zoowel bij de Doopsbediening („door den Doop herboren") als bij de Avondmaalsviering (bij de altaartafel, die in de Luthersche Kerk staat) uitkomt.
De moderne opvatting van het Avondmaal, waarbij het verzoenend lijden en sterven van den Heiland geheel weg valt (bij de loochening van de Godheid van Christus) en het alleen maar een soort gemeenschapsmaal is, tot sterking van den onderlingen vriendschapsband, met ook de stichtelijke herdenking van den moed en de trouw van den grooten Martelaar Jezus (als Hij althans nog als een historische persoon genomen wordt en niet geheel vervaagd is tot een onbestemde „figuur") moeten we heelemaal niet hebben. Die moderne opvatting is een humanistisch inkruipsel, dat in het Gereformeerde Protestantisme geheel niet past en m de Hervormde Kerk niet thuis hoort (net zoo min als de „moderne" doopsbediening, wat niets dan een sentimenteele plechtigheid dan is, die men bewaart, omdat het zoo „plechtig" kan zijn voor de menschen en die men in stand houdt, omdat het al zoo'n oude gewoonte is en velen het niet graag willen missen )
Komen we dan op „onze" Avondmaalsviering terug, dan vinden we door alle tijden sinds de Reformiatie, dat aan de Avondmaalsviering altijd de hoogste belangstelling gegeven is, ook in de uitwendige dingen. Dat is óok van belang. Steeds is zorg gedragen voor het beste brood en voor goede wijn, voor het fijnste linnen voor het Avondmaalskleed en voor kostelijk zilveren schalen, bekers en kannen en offerbussen (voor de armen bestemd). Dat er geen pronkerij, maar om het beste wat de Gemeente van den Heere heeft ontvangen, ook met de grootste liefde en met fijne smaak te verzorgen. Het kan — in tijden van nood of vervolging — ook op de meest primitieve wijze, zelfs met een gewoon stuk brood en water (ook op 't oorlogsveld), maar de geordende Gemeente is van ouds gewoon hier 't beste van het beste te geven.
En dan van één brood gezamenlijk eten en uit één beker van één en dezelfde wijn drinken, om èn gemeenschap te oefenen met den Heere Christus, èn om gemeenschap te oefenen onder elkander, gezeten aan één tafel, zijnde de disch des Verbonds. Wel moet, om practische oorzaken, de maaltijd geschieden aan verschillende tafels (na elkaar te houden) en wordt er gedronken uit méér dan één beker (gewoonlijk vier) maar daarbij zit toch de gedachte vóór om het zooveel mogelijk samen te doen aan een gemeenschappelijken maaltijd. Daarom heeft het Gereformeerde Protestantisme ook niet de gewoonte, dat b.v. de
Avondmaalgangers in de kerkbanken blijven zitten, terwijl dan de predikant met diakenen en ouderlingen het brood en de wijn ronddragen en de predikant ronddeelt. Dat vinden we wel in Luthersche kringen, maar niet bij de Gereformeerden.
Hierbij komt ook de kwestie van het al of niet gebruiken van kleine bekertjes, voor ieder persoonlijk één, wat gewoonlijk wordt verlangd om gezondheidsredenen. Van ouds hebben de Gereformeerden wel onder de oogen gezien, dat een lupuslijder b.v. of iemand anders met een besmettelijke ziekte gevaar kan opleveren en zoo noodig kan, met overleg, voor een of meer afzonderlijke bekertjes dan gezorgd worden (wat ook Voetius reeds als een kwestie behandelde bij het beantwoorden van velerlei vragen in dit verband), maar de Gereformeerden hebben als regel gehad en gehouden : zooveel mogelijk gemeenschappelijk eten en gemeenschappelijk drinken, om te laten uitkomen, dat men alles mag genieten uit de heerlijke volheid van den éénen Borg en Middelaar : Hij het Hoofd en wij Zijne leden. Zonde acht de Gereformeerde de kleine bekertjes niet, maar zij voelen er niet veel voor, om, met allerlei redeneeringen zich het gemeenschappelijke te laten rooven, dewijl de Heiland dit mee Zelf alzóó ingesteld heeft: drinkt allen daaruit! Het is Zijn inzetting, die ons heilig is !
Waar het een geestelijke maaltijd is, méér nog dan een gedachtenismaal (Zwingli), om gesterkt en getroost te worden, is en blijft de moeilijkste vraag : wie mogen er wel en wie mogen er niet aangaan ? Een iegelijk beproeve zichzelf ernstig als voor Gods aangezicht en dan zegt het Avondmaalsformulier evengoed als Catechismus en belijdenis, ja ook zeggen de Dordtsche Leerregels, dat het Avondmaal is voor degenen, die geestelijke honger en dorst kennen en als arme zondaren, die het zelf niet hebben en het nooit zelf kunnen werken noch vasthouden, aan de Avondmaalstafel worden genoodigd, om, zelf midden in den dood liggend, alle heil en zaligheid en troost en sterkte te zoeken in den gekruisten Christus, van Wien brood en wijn zoo heerlijk spreken voor een arm zondaarsvolk, dat op Hem mag hopen.
Het is geenszins voor degenen, die alles zoo goed weten en het alles zoo verzekerd bezitten, zelf ; alles bevestigend door allerlei kenmerken. De Heere is zoo goed, dewijl Hij Zijn maaksel kent, om juist dit middel en vooral dit middel te geven, om getroost en gesterkt en bemoedigd te worden, als het van binnen en van buiten soms zoo vol angst en zorg, zoo vol zonde en nood kan zijn. Voor degenen, die moeten bekennen : ik geloof, Heere, kom mijn ongeloof te hulp. Het grondvesten van de zaligheid ligt voor Gods kinderen in Zijn goedheid en trouw, in Jezus Christus en in Hem alleen, en geenszins in hunne gerechtigheden, die alle zijn als een wègwerpelijk kleed. En de geloofsversterking, welke we zoozeer behoeven, ligt in een ijverig gebruik der genademiddelen, waarbij de Heiland altijd weer zegt: „Gij zult den Heere, uwen God, niet verzoeken". Al is het dan — zoo zegt ons Avondmaalsformulier — dat wij nog vele gebreken en ellendigheid in ons bevinden, als namelijk : dat wij geen volkomen geloof hebben en dagelijks met de zwakheid onzes geloofs en de booze lusten onzes vleesches te strijden hebben, nochtans (dat is het „nochtans" des geloofs) zoo zullen wij gewis en zeker zijn, dat God ons, nochtans, in genade wil aannemen en ons alzoo deze hemelsche spijze en drank waardig (daar hebben we het woord „waardig" in goeden en gezonden zin !) en deelachtig maken.
En de Dordtsche Leerregels zeggen, dat zij, die het levend geloof in Christus of het zeker vertrouwen des harten (lees Zondag 7 van onzen Catechismus) nog niet krachtig gevoelen en nochtans (weer dat „nochtans" des geloofs!) de middelen gebruiken, door welke God beloofd heeft deze zaken in ons te werken — vlijtig moeten voortgaan in het waarnemen der middelen en naar den tijd van overvloediger genade vurig moeten verlangen en die met eerbiedigheid en ootmoedigheid verwachten (Dordtsche Leerregels Hoofdstuk I, 16). De Heiland begeert grootelijks — zoo staat er in het Avondmaalsformulier — met de Zijnen het Pascha te eten en zegt daarom : neemt, eet, dat is Mijn lichaam. En dat is : zoo dikwijls gij van dit brood eet en van dezen beker drinkt, zult gij daardoor, als door een gewisse gedachtenis en pand verzekerd worden van deze Mijne hartelijke liefde en trouw, dat Ik uwe hongerige en dorstige zielen met dit Mijn gekruisigd lichaam en vergoten bloed tot het eeuwige leven spijze en lave, zoo zeker als een iegelijk dit brood voor Zijne oogen gebroken en deze beker hem gegeven wordt en gij dezelve tot Mijne gedachtenis met uwen mond eet en drinkt. En hieruit zien we, dat onze Heere Jezus Christus ons geloof en vertrouwen enkel en alleen wil wijzen, als op den eenigen grond en vastigheid onzer zaligheid op Zijn volkomen offerande, die eenmaal aan het kruis geschied is. Daartoe helpe ons de almachtige, barmhartige God en Vader van onzen Heere Jezus Christus, door Zijnen Heiligen Geest. Amen.
Tot zoover ons verslag van de gehouden causerie over „onze Avondmaalsviering" waarbij in de discussies nog over verschillende dingen van principieelen en practischen aard gesproken werd.
Aan 't eind van onze vergadering gekomen kon nog. worden medegedeeld, dat D.V. ds. J. de Bruin voor onze Afdeeling zal spreken Dinsdag 24 November, de heer J. Brinkers van Utrecht Woensdag 9 December, en ds. P. van Toorn Woensdag 24 Maart 1937. Met de predikanten ds. G. A. Pott, ds. van Hof en ds. Bout zal nog worden onderhandeld over een eventueele spreek­ beurt.
HET BESTUUR.
 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 oktober 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

UIT DE AFDEELINGEN

Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 oktober 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's