MANKE MURK
EEN VERHAAL UIT HET FRIESCHE VOLKSLEVEN
Met toestemming: uitgever J. H. Kok te Kampen
„Mag ik, als ik weer kom, een Bijbeltje voor je meebrengen, Pleuntje ? " „'t Is zoo'n dik boek en ik lees haast nooit; 'k heb geen tijd om te lezen en houd er ook niet van. Wanneer ik 's avonds al eens in de krant kijk, val ik gewoonlijk in slaap".
„Maar dit is een Testament, waarin van je erfenis gesproken wordt". „Zou ik het wel begrijpen kunnen ? Ik ben zoo dom".
„Je moet dat Boek biddend, lezen, Pleuntje, en dan komt Gods Geest, om het je duidelijk te maken. Van mij zelf begrijp ik het ook niet en niemand, want het is een Goddelijk Boek, maar als God Zelf het ons verklaart, leeren wij het verstaan".
„Ik kan niet bidden, Murk; anders niet dan het „Onze Vader". „Bid dat dan maar, en ik zal ook voor je bidden".
Zoo eindigde hun gesprek, 't Was al laat geworden. Daar buiten schenen de sterren. Over de velden lag de nachtelijke dauw als een wazig kleed, waarin het vee rustig sluimerde. Geen stem verstoorde de stilte. Leunend tegen den deurpost, luisterde Pleuntje naar den steeds zwakker wordenden voetstap van Murk, toen hij huiswaarts keerde en de afstand tusschen hen steeds grooter werd. Manke Murk had haar lief, en zij — hèm, dat voelde zij. Maar dan dat andere. Met een zucht sloot zij de deur op het nachtslot en ging naar binnen.
Zesde Hoofdstuk.
Van slapen kwam dien nacht echter niet. Vreemd was het. Andere avonden, zoodra haar hoofd het kussen raakte, sliep zij dadelijk in, om gewoonlijk niet eerder te ontwaken dan in het vroege morgenuur, wanneer de arbeid weer riep » en de koeien moesten gemolken. Nu lag zij daar in de donkere bedstee zoo klaar wakker alsof 't midden op den dag was. Daar ging haar zooveel door het hoofd en het hart. 't Was haar, of de stem van Murk nog in haar oor klonk en hij het had over de heerlijkheden van den hemel, dien hij zijn toekomstig vaderland noemde. Nog nooit had zij over zulke dingen hooren spreken en de boer en de boerin zeker ook niet. Wat die morgen wel zeggen zouden. Want dat zij de taal van Murk ook niet verstonden, was duidelijk. Wat sprak hij rustig over den dood en het heengaan van hier. Haast net, als een zich neerleggen tot slapen, zooals zij nu gedaan had, maar zonder de rust te kunnen vinden.
Als het zoo met het sterven ook maar niet ging. D'r stond wel op de grafsteenen te lezen: „Rustplaats van die en die", maar zou het wel zoo zijn ? Murk had ook nog iets anders gezegd, over een buitenste duisternis, waar het vreeselijk was voor allen, die daarin verkeerden. Een rilling ging haar over de rug, als zij daaraan dacht, 't Was de eerste nacht, dat Elske weg was. Haar koude lijk lag daar nog op „Bornia State", maar waar was zij zelf ? Zou Elske nu ook rusten ? „Niet oordeelen" — had Murk gezegd. Zoo was hij ; bang van iemand iets kwaads te zeggen of te denken. Maar zij wist wel, dat Elske zich nooit om God en godsdienst bekommerde. Een vroolijk Fransje was zij, die, als de meeste meisjes, graag pleizier maakte en de jongens na liep, net zoo lang tot zij een vrijer kreeg en, met hem verloofd werd. Op een volgend jaar zouden zij trouwen. „Eerst nog wat sparen voor de meubeltjes" — had zij haar nog kort geleden gezegd — „en dan gaan wij de blauwe trappen op". Maar 't was er niet aan toe gekomen. De dood had aan alles een einde gemaakt. En nu was zij weg. Voor altijd weg ? Waarheen ? Niemand, die het wist, maar als het waar was, wat Murk geloofde, dan was het om te huiveren. Ook met het oog op haar zelf.
Wat was die Murk veranderd, en hoe verstond zij van hem laf. Zij had gemeend heel dicht bij hem te zijn, dichter dan eenig mensch, en nu scheen het haar plotseling alsof hij mijlen ver van haar verwijderd was. Hoe zou zij met hem kunnen samen gaan ! Zij had het zich zoo geheel anders voorgesteld. Niet om, gelijk andere jongelui dat deden, overal met hem heen te gaan en pret te maken. Vooreerst waren zij beiden niet meer op dien leeftijd, en dan was zoo iets nooit haar begeerte geweest. Zij bleef het liefst thuis, in haar gewone doen. Doch wel had zij zich gelukkig gevoeld bij de gedachte voor het eerst van haar leven door liefdezorg te worden omringd, zoo dat de menschen het zouden zien, om haar daar mede te plagen tot het zoo ver kwam, dat zij, natuurlijk in allen eenvoud, haar eigen huishouding kreeg in haar eigen huis. Niet meer behoeven te dienen, maar vrij zijn — het lachte haar tegen.
Hoe was zij vanavond ontnuchterd! Ja, Murk was goed voor haar, zooals niemand anders, doch daarbij kwam iets, wat zij nooit geweten had en dat haar hinderde, oneindig meer dan zijn manke been. Murk leek haar wel een heilige. Zoo vroom als die sprak, had zij het nog nimmer van iemand gehoord. Dat hij godsdienstig was, wist zij wel, doch dit was al heel iets anders, 't Leek haar alsof hij uit een andere wereld kwam. Hoe zou zij zich daar aan kunnen gewennen. En toch scheen het hem gelukkig te maken, en zou het haar wel begeerlijk lijken, hetzelfde te bezitten. Hij zou haar een Bijbel meebrengen als hij weer kwam en dan moest zij bidden, had hij gezegd. Het „Onze Vader", als zij anders niet wist. Wat zou zij zeggen, als zij uit zich zelf tot God spreken zou ! Als zij met vreemde menschen, die een weinig meer waren dan zij, in aanraking kwam, was zij spoedig verlegen en kon gewoonlijk geen woorden vinden, laat staan, dat zij den moed zou hebben iets tegen God te zeggen.
Hoe durfde Murk toch ! Hij was óók maar een arme jongen, tot voor kort slechts bij weinigen in tel. Maar het kwam, omdat hij heel anders was dan zij. Zij kon wel eens boos zijn en luimig, vooral 's morgens voor de thee. Dan behoefde men niet veel tegen haar te zeggen, omdat zij kort aangebonden was. Bepaalde vijanden had zij niet, anders niet dan dien akeligen slagersjongen, die haar altijd uitschold en eens een harden sneeuwbal in 't gelaat had geworpen. En dan óók nog de vorige meld van „Bornia State", die eens iets heel leelijks van haar verteld had, waar 'geen woord van waar was, en wat later ook uitkwam. Gelukkig, dat deze zich niet meer in de buurt bevond, zoodat zij haar bijna nooit meer te zien kreeg, want als zij aan deze dacht, begon het van binnen te trillen. Omdat zij haar zulk een kroon op het hoofd had gezet, wier doornen zoo hadden gewond. Die twee waren haar een ergernis, doch voor de rest kon zij met elk overweg.
[Wordt voortgezet.]
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 oktober 1936
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 oktober 1936
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's