FINANCIËN
POSTGIRO 138431. Nog net vier weken, en mijn heele boekjaar is weer voorbij gevlogen.
„Gevlogen". Zoudt ge mij wel een omschrijving aan de hand kunnen doen, die met meer juistheid weergeeft welke de gewaarwording is, die op het moment bij ons is wakker geroepen ? Het vliegt, dus ook ons leven is daarmee in overeenstemminig. Vóór wij het recht weten, treden we weer in een nieuw tijdperk in.
Nu is het een veel voorkomend verschijnsel, voornamelijk in onzen tijd, dat men daaraan geen verdere gedachten verbindt, „'t Is één keer zoo. Ons leven vliegt voorbij. Daaraan is nu niet veel te veranderen. Wij staan met al het onze in het teeken van snelverkeer".
Is deze ontboezeming nu niet, wat ge telkens weer opnieuw kunt beluisteren ? Men heeft daarmee volkomen vrede gesloten. De gedachten gaan nu eenmaal bij een zeer groot deel van de menschieid niet verder. Men leeft als bij den dag. Wat die van morgen zal brengen, zal de tijd zelf wel leeren. Daaromtrent zich druk te maken, vinden velen al te dwaas.
'k Geloof, dat ik mij niet behoef bang te maken op tegenspraak uwerzijds te stuiten, wanneer ik zeg, dat gij u bij deze zienswijze en handelwijze niet kunt vinden. Gij vindt dit niet alleen dwaas, maar niet minder gevaarlijk. Eten mensch 'behoort zijn oogen wel degelijk te gebruiken. Als hij dit niet doet, wordt dat snelverkeer voor hem juist noodlottig. Naar rechts en links zal uw blik zich telkens moeten wenden. En omzien vanwaar ge komt, en vooruitzien in de richting, waarheen ge denkt te gaan. Zoo behoort het, zoo doen wij dagelijks.
Geldt dit nu in ons gewone dagelijksche leven, in reëelen zin, in 't figuurlijke mag niet anders worden gehandeld. Wij moeten telkens 't hoofd eens om-wenden, een terugblik werpen naar de stee vanwaar we gekomen zijn. Om daarna weer onzen weg met geopend oog en nuchteren zin te vervolgen.
Mij dunkt, dat ik nu al zoo eenigszins heb aangeduid, wat ik bij het bemerken dat mij nog maar vier weken resten, onmiddellijk heb gedaan, 'k. Heb een terugblik geworpen, 'k Heb eens mij de cijfers voor oogen gesteld' van een vorig boekjaar. De verschillende rubrieken liet ik mij passeeren, om daarna dadelijk het hoofd te wenden, naar het punt waarop ik nu sta.
Ge zijt waarschijnlijk evenzeer belust evenals ik het was, om eens te weten hoe deze vergelijking viel.
Is de weg veilig of niet ? Zoo is toch uw belangstellende vraag, niet waar?
Laat mij, voor en aleer u precies mijn indruk weer te geven, dit opmerken, dat de tijdsomstandigheden niet alleen verslechterd, maar evenzeer de verwarring in het algemeen niet weinig is toegenomen. Met de grootste voorzichtigheid dient alzoo iedereen te handelen. De inkomsten van vele gezinnen, zijn zoodanig beknot, dat elke uitgave van te voren dient te worden overwogen. Zoo laat zich als vanzelf sprekend verstaan, dat vergeleken met een vorig boekjaar, onze inkomsten wel niet of wat zijn verminderd.
Daar zijn rubrieken bij, die op een achterstand wijzen, die met eenigen goeden wil voor een groot gedeelte, zoo niet geheel, is te achterhalen. Ik bedoel de contributies. De Afdeelingen, die hierin hun taak nog niet 'hebben volbracht, wil ik bij dezen allervriendelijkst vragen of zij geen zorg willen dragen, dat deze in de enkele weken, die nog resten voor ons boekjaar wordt afgesloten, mij worden toegezonden.
Is dit het eerste wat ik heb op te merken, daaraan verbind ik een tweede. De rubriek „giften" blijft in vergelijking met het jaar, dat aan het onze voorafging, een heel groot stuk ten achter. Dat vindt zijn oorzaak mede in de moeizame tijden; toch is onze hoop en verwachting nog niet gedoofd, dat ook bij velen onzer meelevende vrienden een pijnlijke gewaarwording zou worden gevonden, dat tusschen wat wij kregen en wat ons een vorig jaar voor cijfer bood, een zichtbare klove gaapte. Dit moet worden voorkomen. Zou op veler medewerking in dezen niet mogen worden gerekend ?
Ge hebt mij zoo dikwijls blijde verrast, zou dit nu anders zijn ? 'k Weiger het te gelooven. Wij zullen stil afwachten wat gij doen zult.
Een derde punt zou ik liever stilzwijgend zien passeeren, toch zou zwijgen in dezen mij als schuldig te staan kunnen worden aangerekend, n.l. de post, die in mijn boek den naam draagt van aflossingen. Onder onze oud-leerlingen zijn er, die geregeld, mij de meest ondubbelzinnige blijken van hun erkentelijkheid voor genoten hulp en bijstand, metterdaad toonen. Daarvoor betuig ik mijn warmen dank. Ik heb deze post wel eens vergeleken bij het plaatsen van geld op Hypotheek, waarvoor ik een heel billijke rente, al was het maar de helft of nog minder, waarvoor deze gewoonlijk geplaatst worden, mocht ontvangen. Wanneer zoo iets als zeer billijk werd aangevoeld en dan in werkelijkheid tot uitvoering kwam, zoo werd onze arbeid niet weinig vergemakkeliikt.
Mag ik hierop de aandacht alzoo eens in het bizonder vestigen van alle de vrienden, die in dezen hun loopbaan zagen vergemakkelijkt ? Niemand kan het beter weten dan zij, wat steun in dezen beteekent. Helpt ons om anderen de behulpzame hand te bieden. Wij rekenen op uwe medewerking.
Het is lang niet onmogelijk, dat meerderen onder hen de opmerking maken : „Wij willen wel, maar het kunnen ontbreekt". Nu dan wijs ik u den weg : zoekt dan in uwe omgeving, al is het ook in den vorm van het plaatsen van een busje, om in dezen onzen arbeid steun te bieden.
Wat dit laatste betreft en daarmee wil ik eindigen, zijn de uitkomsten vaak verrassend. De post „busjes" maakt waarlijk een heel goed figuur. Gaf het vorig jaar reeds een klimmende lijn aan, het zou mij heelemaal niet verwonderen, of ook thans mag hetzelfde worden tegemoet gezien. Alzoo besluit ik, vóór mijn overzicht te geven, met allen op het hart te binden : helpt ons met uw zedelijken steun, opdat dit ook in het stoffelijke aan den dag treedt. De bijdragen, welke dezer dagen inkwamen, waren niet zooveel In getal, evenwel niet onbelangrijk.
1. De eerste bijdrage was de contributie, welke de heer v. d. W. te Alkmaar mij toezond. Deze bedroeg f 2.50 ƒ 2.50 Wij zeggen hem zeer hartelijk dank en spreken bij dezen ais onze hoop uit, dat Gods .genadige bijstand, die in den loop der dingen te Alkmaar zoo duidelijk bleek, ook in dezen tijd en in de komende jaren mag worden bestendigd. Van deze hulp kan nooit te veel worden verwacht.
2. Van de afdeeling Vaassen kreeg ik niet alleen de contributie-gelden, waaruit mij ten duidelijkste bleek, dat hier de hand aan de ploeg is geslagen, maar ook de wil om iets tot stand te brengen, waardoor onze zaak wordt gesterkt en gesteund. De contributie bedroeg „ 22.50 Wij zijn voor deze blijken van medewerking hoogst erkentelijk.
Uit het begeleidend schrijven bleek me, dat u omtrent het uitschrijven van kwitanties van mij nog eenig nader bericht verwachtte. Dit wordt van u verwacht. Gaarne zal ik het ledenlijstje van u tegemoet zien.
3. De Hoofdstad des lands neemt onder ons een bizondere plaats in. Hier hebben wij vele en warm meelevende vrienden, die hoe moeizaam ook het werk in zoo'n wereld-stad zijn moge, doen wat zij kunnen om de zaak des Heeren te dienen.
Kan het wel duidelijker worden gedemonstreerd dan door het thans volgende lijstje van wat er inkwam door de busjes? No. 1 f 4.25 — no. 2 f 4.16 — no. 3 f 3.—, — no. 4 f 4. no. 5 f 2. no. 6 f 1.50 — no. 7 f 0.50 — no. 8 f 2.50 — no. 9 f 1.75 — no. 10 f 1. no. 11 f 1.45 — no. 12 f 3. no. 13 f 5. ho. 14 f 16. no. 15 f 5. no. 16 f 1.65 — no. 17 f 1.35 — no. 18 f 2.60 — no. 19 f 3.75 — no. 20 f 2.25 — no. 21 f 3. no. 22 f 2.12 — no. 23 f 3.70.
Tezamen geteld bedraagt dit niet minder dan f 75.53.
Hieraan werd nog toegevoegd de contributie met aftrek van wat de plaatselijke afdeeling hiervan toekomt f 34.47.
Wanneer ik dit tezamen voeg heb ik de prachtsom van , 110.-
Voor dit alles zeg ik dee Amsterdamsche vrienden allerhartelijkst dank. De ijverige penningmeester, de heer v. d. Linden, wil ook mijn bizonderen dank wel aanvaarden.
4. Door den heer J. Bot te Peijenoord kreeg ik nog van N. N. een nagift op de Paaschcollecte van 1 gulden „ 1.- Wij zeggen hem en den onbekenden gever zeer vriendelijk dank.
5. Door ds. van Dorp te 's-Gravenhage kreeg ik van dee dames L. voor den Geref. Bond 2 gulden en van N. N. voor de beide fondsen 1 gulden. tezamen 3 gulden „ 3.—
Ds. van Dorp zal ook uit onzen naam deze Haagsche vrienden wel zeer hartelijk dank willen zeggen.
6. De Afdeeling Hoogeveen was zoo goed ons de contributie af te willen dragen. Deze bedroeg niet .minder dan „ 55.90
Wij weten wat het in heeft in onzen tijd, de gelden binnen te krijgen. De penningmeester ziet zich vaak voor een heele taak geplaatst. Wij hopen dat Gods zegen er rijkelijk op ruste. Intusschen onzen welgemeenden dank.
7. De fam. D. alhier heeft een van die busjes, die voortdurend vragen om geledigd te worden. Wij doen dit gewoonlijk aan ons huis, zoodat ik mijn warmen dank reeds heb geuit, 'k Doe het bij dezen nog eens extra. Deze keer bedroeg de inhoud „8.64
8. Door den heer J. K. te Breukelen kreeg ik 2 giften van 1 gulden „ 2.waarvan de eene kwam van den heer W. Wij zeggen voor beide giften zeer vriendelijk dank.
9. Onze goede vriend te Kralingscheveer zorgde voor het sluitstuk. Dit kwam in onder de letters S. H. Hij zond ons een bankbiljet van 10 gulden „
10.— Deze laatste gift heeft voor mij bizondere waarde. Het is niet de eerste keer, dat ik deze gift heb te verantwoorden. Altijd in denzelfden vorm, terwijl ik daaruit
mag aflezen de groote erkentelijkheid aan God den Heere om dit te mogen doen tot eere van Zijn Naam. Wij bidden hem Gods zegen rijkelijk toe.
In zijn geheel tezamen geteld krijgen we een eindsom van
f 215.545
Utrecht.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 oktober 1936
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 oktober 1936
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's