De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJKE RONDSCHOUW

9 minuten leestijd

ONZE PROPAGANDA-MAAND
Neen, we gaan nu niet vele woorden gebruiken om de propaganda voor „De Waarheidsvriend" nog eens te bepleiten.
Onze bedoeling is nu alleen het woord Propaganda nog eens onder de oogen van al onze lezers te brengen.
En dan is dat ééne woord Propaganda immers genoeg ?
We zijn allen aan 't werk. Of we gaan allen aan 't werk.
En we zoeken lezers, we zoeken abonnees voor ons Bondsblad. Wanneer er hier en daar zijn, die als agent of vertegenwoordiger van „De Waarheidsvriend" willen optreden — men behoeft al 't werk niet gratis te doen — dan hoort de Administratie te Maassluis of de Secretaris van de Propaganda-Commissie, de heer Maarleveld te Vlaardinger-Ambacht, dat gaarne zoo spoedig mogelijk.
November is onze propaganda-maand, omdat met December weer een nieuwe jaargang begint. Wie helpt ons ? We wachten.

DE KERK VOLGENS DE VRIJZINNIGEN (4)
Nadat prof. Lindeboom van Groningen geschreven heeft over „De Kerk: haar begin", geeft hij ook nog een artikel over „De Kerk : haar beginsel". Het is goed dat één en dezelfde persoon deze twee onderwerpen, begin en beginsel, behandelt.
„Het beginsel is wat anders en wat méér dan het begin"' lezen we op blz. 29. Wel is in het begin iets van het beginsel te onderkennen, want In het begin (als een mogelijkheid) komt het beginsel in werking en tot werkelijkheid. Het begin is uit het beginsel.
Als beginsel van de Kerk moeten we niet blijven staan bij „een vereeniging van gelijkgezinden". Want zóó komen we er niet. Dat is de Kerk ook eigenlijk nooit geweest. Wel de secte stelde dat als beginsel (anders is zij onbestaanbaar) maar de Kerk is toch nog iets anders, met meer variatie en speelruimte in de werkelijkheid. Daarom kan men bij de Kerk beter spreken van gezin, dan van vereeniging; want het gezin staat anders en hooger dan de vereeniging. Het gezin heeft een element van blijvende waarde, uitgaande boven wisselingen van tijd en lot; en dat heeft ook de Kerk. Een „vereeniging" is voor een bepaalde tijd, de Kerk is boventijdelijk. Natuurlijk moeten motief, doel en middelen van de vereeniging wel een rol spelen in de Kerk (zie het artikel van dr. Bleeker), maar de Kerk is meer en richt zich naar „het lichaam van Christus" en naar wat, meer practisch uitgewerkt, heet: de onzichtbare Kerk der ware Christgeloovigen, De uitdrukking „het lichaam van Christus" blijve hier echter ideel-beeldspraak. Want een Kerk die zich zelve zonder meer het lichaam van Christus acht, dreigt verwijderd te raken van de aanbidding in geest en waarheid. Toch mag die „hemelsche" Kerk niet als een „memorie-post" worden beschouwd. Zij blijve voor ons normatief en richtinggevend, uitdrukkend den zin der Kerk.
Christus is de verbindende gemeenschap tusschen de zichtbare en de onzichtbare Kerk; Christus „die gisteren en heden dezelfde is en in der eeuwigheid" (Hebr. 13:8). Maar het is óók waar, dat Christus telkens is geopenbaard in een andere gedaante — zegt prof. L. en haalt Mare. 16:12 aan. „Daarom is volgens de vrijzinnig protestantsche opvatting het beginsel der Kerk niet star, maar uitgesproken bewegend, niet statisch maar dynamisch" (blz. 31).
Met minder kan de Kerk niet dan met het hoogste, dat is : Christus te belijden. In de belijdenis van Christus als heer spreekt de Kerk haar beginsel uit" Matth. 16 : 16 kan en mag en moet hier aangehaald worden : het fundament der Kerk de belijdenis van den Christus, den Zoon des levenden Gods. Ook in zake Kerkbegrip is het christologische, de verhouding tot Christus, ten slotte alles beheerschend. En „Christus houdt Zijn Kerk in stand".
Ph. R. Hugenholtz, die de Vrije Gemeente heeft opgericht (een geforceerde daad), heeft indertijd gezegd : „in een moderne geloofs-en godsdienstleer is voor een christologie, hoe ook uit-of aangekleed, geen plaats meer".
Maar in de Vrije Gemeente is ook het Kerkbegrip volkomen en bewust losgelaten, zy is bloot: vereeniging. Met de Kerk heeft zij Christus losgelaten ; wat natuurlijk niet zeggen wil, dat zij voor Jezus van Nazareth als een der heroën der menschheid niet grooten eerbied, zou kunnen hebben ; maar deze Jezus van Nazareth is dan volkomen vermenschelijkt en niets anders dan een navolgenswaardig voorbeeld; waarbij niet het geloof spreekt, maar het slechts postulaat van rationeel vergelijken en denken is.
Voor „bevordering van zedelijk en godsdienstig leven heb je geen Kerk noodig". En hier moeten we dan ook onderscheiden : Kerk of vereeniging. De Kerk, die Christus' Kerk is, is de draagster van eeuwigheidswaarden. En nu kan misschien een Vereeniging op een bepaald tijdstip meer invloed hebben op de
godsdienstige menschen dan de Kerk, toch zal dit niet bestendigd blijven, al hangt hier veel af van de individueele neigingen, die psychologisch en sociologisch zijn bepaald. „Maar het geloof" — aldus besluit prof. L. — „dat God belijdt, en Jezus Christus, dien Hij ons gezonden heeft, zal boven die individueele neiging altijd weer geleid worden naar de Kerk. Want het vreet „dat deze heilige Kerk van God wordt bewaard of staande gehouden tegen het woeden der geheele wereld, hoewel zij een tijdlang zeer klein en als tot niet schijnt gekomen te zijn in de oogen der menschen" (Art. 27 Ned. Geloofsbelijdenis)".
(Wordt voortgezet).

KOHLBRUGGE HET TWEEDE HUWELIJK VAN KOHLBRUGGE.
Met zijn driejarige jongen Gerrit aan de hand was Kohlbrugge in Elberfeld gekomen; als banneling keerde hij met zijn jongen weer terug naar het land, waar hij nameloos leed gedragen had en waar zijn jongste kind, dat nu een jaar oud was, hem wachtte. Dat werd een ondraaglijke toestand. Kohlbrugge heeft aan de vereenzaming in zijn leven een eind gemaakt door In het jaar 1834 voor de tweede maal in het huwelijk te treden.
In den kring van „tot-leven-gewekte" menschen te Rheden, waar hij meermalen vertoefd had en waar Laatsmann, met wien Kohlbrugge zeer vertrouwelijk omging, den toon aangaf, had Kohlbrugge een adellijke dame leeren kennen, die zich al heel spoedig in zijn bijzondere inzichten wist in te leven : „Ursuline Philippine van Verschuer. Een briefwisseling met de bijna tien jaar oudere dame leidde steeds duidelijker tot een diepgaande overeenstemming van gedachten ; zij verklaarde, dat zij juist in de preek van Kohlbrugge over Romeinen 7 : 14 datgene gevonden had, wat zij noodig had. Bij de vrienden van het „Reveil" stond zij in hoog aanzien en ieder sprak over haar miet de grootste waardeering ; de Clercq, die haar op zijn reis naar het Wupperdal een bezoek gebracht had, zei van haar, dat zij brandt van liefde en ijver voor de zaak des Heeren en dat zij een diep 'Inzicht heeft in de dingen.
Op 31 October 1834 vond geheel onverwacht de huwelijksvoltrekking plaats. De moeder van de bruid, een barones uit een oud-adellijk geslacht in Gelderland, wenschte, dat het huwelijk ook kerkelijk ingezegend, zou worden. En Kohlbrugge beloofde haar ook, dat hij het huwelijk zou laten bevestigen door den predikant, dien zij hem zou aanwijzen.
Er was echter geen enkele predikant te vinden, die bereid was de kerkelijke plechtigheid te leiden. Eindelijk was er een, die zich bereid verklaarde, maar op 't laatste oogenblik trok ook deze predikant zich terug, omdat hij vreesde met het kerkbestuur in conflict te komen. Dus bleef er geen andere mogelijkheid over dan het huwelijk alleen maar burgerlijk te laten voltrekken. De burgemeester sprak een kort gebed uit.
In zijn tweede levensgezellin heeft Kohlbrugge een vrouw gevonden, die hem geestelijk gelijkwaardig was. Zij was hem tot een werkelijke steun in zijn moeilijke strijd. Ze heeft een niet geringe invloed op hem uitgeoefend en veel gedaan tot matiging van zijn vaak hartstochtelijk optreden.
Kohlbrugge vestigde zich opnieuw te Utrecht, waar hij zijn meubelen had laten staan. Nu bezat hij een werkelijk thuis.
Toch leed hij spoedig een smartelijk verlies door den dood van zijn grootmoeder (1836) en zijn moeder (1837). Wij weten, wat hij in het bijzonder aan zijn grootmoeder te danken had. „Met haar gaan de dierbaarste herinneringen van mijn jeugd in het graf".
Zoodra hij van haar hoogst ernstige toestand hoorde, wilde hij op reis gaan, maar een plotselinge ongesteldheid van zijn vrouw kwam tusschenbeide. „Maar de geest in mij heeft niet opgehouden voor haar te zuchten tot den Heere, onze eenige Heiland, die rijk is in barmhartigheid over allen, die Hem aanroepen. Toen ik mijn voeten op de straten van Amsterdam zette, wist ik, dat zij niet meer hier beneden was. En wij zijn ook niet meer hier, hoewel wij nog in het vleesch wandelen. Want de Vader heeft ons overgezet in het Koninkrijk van Zijn lieven Zoon en de hoop der heerlijkheid in ons is Christus "
Als een echte huisvader zorgde hij voor zijn gezin. Voor de opgroeiende kinderen — zijn tweede vrouw schonk hem in 1836 bij zijn twee jongens nog een dochter, die zij Anna Johanna Jakoba Theodora noemden — moet deze tijd, waarin Kohlbrugge voor de publieke wereld als 't ware een uitgestootene was, wel buitengewoon heerlijk geweest zijn. Kohlbrugge kon nu zijn volle aandacht schenken aan de belangen van zijn kinderen. Hij onderwees zijn kinderen zelf In alle mogelijke vakken en bereikte een schitterend reultaat; terwijl Jakob buitengewoon goed leerde rekenen, bracht Gerrit het door het taalonderwijs van zijn vader zoo ver, dat hij reeds op zijn twaalfde jaar Cornelius Nepos vloeiend kon lezen.
Kohlbrugge kreeg dikwijls bezoek. Niet zelden kwam ook zijn broer, Thomas Kohlbrugge, in Utrecht, die nu op en top zeeman was. Maar Kohlbrugge was niet erg op het bezoek van zijn broer gesteld. Hij kon de gedachte maar niet van zich afzetten, dat Thomas zijn beide jongens zoo veel van de zee en van vreemde landen en menschen zou vertellen, dat zij er tenslotte ook naar zouden gaan verlangen om de wijde wereld in te trekken.
Maar, hoe moeilijk het ook voor Kohlbrugge was, die zijn kinderen innig liefhad — op zekeren dag moest hij hen toch loslaten. Gerrit, een zenuwachtige jongen, ging naar een landbouwinstituut bij Zwolle en Jakob, vaders lieveling, kwam, nadat hij de school van Heumen, een vriend van Kohlbrugge, bezocht had, als cadet aan de militaire academie te Breda. Kohlbrugge had hooge verwachtingen van zijn kinderen.

(Wordt voortgezet).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 november 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 november 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's