UIT DE AFDEELINGEN
GOUDA, 14 October 1936. Verslag van de 2de Cursus voor de Afdeeling Gouda van den Gereformeerden Bond, waarvoor als spreker optrad de WelEerw. heer ds. Van Griethuizen, van Lopikerkapel, met het onderwerp : „De ontwikkeling der Katholieke (Christelijke) Kerk tot de middeleeuwen".
Ds. B. van Ginkel opent deze druk bezochte vergadering na het doen zingen van Psalmgezang met voorlezing van de Geloofsbelijdenis van Nicea, met gebed, en roept de talrijk opgekomenen een hartelijk welkom toe, alsmede den spreker voor zijn bereidwilligheid om aan onze uitnoodiging gehoor te geven, en geeft daarna aan hem het woord.
Spreker zegt, dat hij het onderwerp van de Kerkgeschiedenis over 4 eeuwen zal behandelen, wat geen kleinigheid is voor één avond. Als we bijvoorbeeld zien en nagaan wat er geschied is in ons Vaderland met de Kerk, zal het ons blijken, dat dit een machtig onderwerp is, we zullen dan ook alleen bespreken de hoofdzaken om een indruk te krijgen van den strijd, moeiten en zegeningen in de oude Kerk. Het was een tijd van het geloof van allerlei goden ; men stelde : de goden leefden als menschen, goede en booze, en daartoe werkte veel mede, ook het verkeer met andere natiën. In het Oosten waren er godsdiensten die velen bekoorden, men zocht vrede door inwijdingen en zelfkastijdingen. De Romeinen voelden daar veel voor. In het Oosten werd gediend de God Mithra, de god der waarheid, en reinheid. Dan was er de godsdienst der Keizervereering, men offerde den keizer. Later werd dit de Staatsgodsdienst, en, wie geen offer bracht, was een landverrader en moest gedood worden, waardoor de Christenen getroffen werden.
De Godsdienst der hoogere standen was de Stoa (Epicuristen), in de lagere het geloof aan geesten en daemonen, steeds maar offeren zonder vrede te krijgen. Veel godsdienst, maar geen vreeze Gods. (Hand. 17).
Dat was dus de wereld waarin de Christelijke Kerk stond. Zwaar, zeer zwaar was haar strijd, doch zij streed met geestelijke wapens en dat was haar kracht. De Christelijke Kerk was in 't jaar 100 al zeer verspreid geworden, waren zeer kleine gemeenten, als 't gemeenten waren, en bestond uit eenvoudige lieden. Onder keizer Trajanus begon door den laster van ontucht de vervolging, doch het zuurdeeg des Woords werkte door. De grootste gemeenten waren Antiochië, Efeze, Rome en Alexandrië. De Christenen zwegen tegen dezen laster niet, er kwamen mannen die daar tegen schreven, de Apologeten (verdedigers), zooals Aristides. Deze schreef aan keizer Antonius Puïs. Verdere verdedigers waren Justinus en Martijn, welke gedood werden, Tatianus en Tertulianus. De Christenen stonden aan de wreedste martelingen en den dood bloot. Dit was het gevaar van buiten de Kerk. Doch binnen de Kerk zou óók strijd komen. De Gnostiek kwam op, dit is een vermenging van de heidensche en Christelijke leer, waar tegen de Apostel Paulus de gemeente van Colosse al waarschuwde : heidensche filosofie.
Gnossis beteekent : (inzicht, kennis, dieper inzicht in Goddelijke zaken. Men zeide, de hoogste God staat boven de wereld, geen schepper, en tegen Hem de macht der duisternis, de stof, dit is het kwade. Allerlei goddelijke wezens, zonen genaamd. Jezus was een gewoon mensch, Hij stierf niet om zondaren te redden, dit moest men zelf doen. Deze leer trok velen aan, gevaarlijker voor de Kerk nog dan de vervolgingen.
In 't jaar 140 kwam te Rome zekere Marcion, deze leerde : er zijn 2 Goden : de Schepper der wereld, die Zijn Zoon op de wereld heeft gezonden, doch die door de Joden is gedood, . Wat moest de Kerk hiertegen doen, daar zij nog zoo klein en verspreid was ? Doch de tijd stond niet stil, men naderde 't jaar 180. De kleine Kerk wordt trots alles grooter, er kwam eenheid en toestuur en bisschoppen, waarvan de bisschop van Rome 't grootste gezag had. Nu kon de Kerk kettersche leeringen bestrijden en de leeraren uit hun ambt ontzetten, hetwelk ook geschiedde. Doch ook de wereld zat niet stil, zoodat er weer verslapping kwam. Dan kwam Montanus, een valsche profeet met 2 valsche vrouwen profetessen. Langen tijd heeft die secte bestaan : de Montanisten.
Nu naderen we tot 't jaar 250. Veel strijd van buiten en binnen is er geweest, doch de Kerk groeide. De oogen gingen open, 't werd een macht, een staat in den staat. Doch dit konden de heidenen niet verdragen.
Onder keizer Decius kwamen er weer zware vervolgingen, doch zij bleef staande, daar zorgde de Heere voor. Irenaeus, Hippolitus en Tertullianus hebben veel voor de Kerk gedaan, alsmede Clemens en Origenes. Dan krijgen we het Neoplatonisme, een heidensche wijsbegeerte met als godsdienst een Algeest. Dan weer 't Manicheïsme van den Pers Mani; een groot gevaar weer voor de Kerk. In 't jaar 303 begon keizer Deocletianus weer een zware vervolging, doch in 312 kwam de ommekeer, toen regeerde keizer Constantijn de Groote. Hij ontving een gezicht en hoorde de woorden „in dit teeken zult ge overwinnen", waardoor het kruis als een teeken in het vaandel kwam. Voor de Kerk werd dit vrijheid van Godsdienst. Onder keizer Theodotius de Groote werd het Staatsgodsdienst, een groote overwinning dus. Doch toen ging de Staat zich met den godsdienst bemoeien. In 320—380 leefde Arius, deze Arius leerde : Christus was niet waarachtig God, Hij is slechts het eerste en hoogste schepsel, uit niets geschapen. Toen Hij op aarde kwam nam Hij het menschelijk lichaam aan, doch geen menschelijke ziel. Keizer Constantijn riep de Kerk samen (Synode) in 't jaar 325 te Nicea, waaraan wij te danken hebben de Geloofsbelijdenis van Nicea, die achter in ons kerkboek staat als een van onze algemeene geloofsbelijdenissen.
Deze belijdenis werd bevestigd in de Synode te Konstantinopel, in 't jaar 381. De Algemeene Katholieke (Christelijke) Kerk was er nu. Als bestuurswijze was er nu een Rijles-en Provinciale Synode.
In de groote steden waren er Bisschoppen, met Rome de machtigste, waaruit ontstaan is „Roomsch Katholiek".
De Kerk werd machtig en rijk. Jammer echter, men ging nu de heidenen vervolgen, waardoor vele heidenen tot schade van de Kerk christenen werden. Wereldschgezindheid stak het hoofd weer op. Hier werd wel tegen geprotesteerd. Personen onttrokken zich en gingen eenzaam als kluizenaars leven, waaruit het monnikendom voortkwam. De heiden-christenen konden hun godsdienst niet vergeten, 't Hart was niet bij 't christelijk geloof, doch de Kerk kwam hun tegemoet met het instellen van aanschouwelijke voorstellingen, wat oorzaak werd tot eerbetooningen aan gestorven heiligen, martelaren ; men stelde de reliquieën in en beeldenvereering, waartegen wel veel verzet kwam, doch in de 5e en 6e eeuw was het al vrij algemeen in de Kerk ingevoerd. Pelgrimstochten naar Palestina kwamen in gebruik, waarvan veel gebruik werd gemaakt, om vergeving van zonden en ook wel burgerlijke rechten. Groot en machtig was: de Kerk geworden, doch arm in geloof.
De Bisschop van Rome kreeg steeds meer macht, wat tenslotte leidde tot den paus (pausdom). Doch de Heere waakt over Zijn gemeente. Dan in dezen tijd leefde er een man in de Kerk, waarbij wij nu stilstaan. Dat was Augustinus, — die in 354 te Tagasta in N.-Afrika uit den heidenschen officier Patricius en een vrome christin (iMonica) geboren werd. Veel verdriet heeft zijn moeder van hem gehad, doch zij vertrouwde op den God van haar leven. Als kind opgevoed in de leer der Godzaligheid had hij vroeg indrukten. En de begeerte welke zijn moeder voor hem had, was een eervolle positie en de vreeze Gods. Op 17-jarigen leeftijd ging hij naar 't lichtzinnige en onzedelijke Carthago, bestudeerde de welsprekendheid en leerde Cicero kennen ; hij verlangt naar waarheid, maar breekt met de zonde niet. Hij werd een hoorder onder de Manicheën, doch bleef lichtzinnig, en dat wel negen jaar. Hij bad om losmaking, maar tegelijk „nu nog niet". Dan trekt hij naar Rome
Zijn moeder blijft voor hem den Heere vragen ; iemand komt tot haar en zegt: „een kind van zooveel gebeden kan niet verloren gaan". Dan gaat Augustinus naar Milaan. Ambrosius is daar, Augustinus hoort hem, is vol bewondering, elken Zondag is hij in de kerk om „Amhrosius" te hooren. Nu 'komen er roerselen en vragen in zijn hart, niet: waarom is Ambrosius zoo rustig en ik niet ? Maar christen worden wil hij niet, wel veel strijd en lijden voor hem. Doch nu is het Gods tijd. Augustinus gaat naar den tuin, worstelt met zijn zonden en hoort — wat hoort hij ? een kind zingt: tolle—lege —, neem en lees Dan snelt hij naar huis, neemt den bijbel en leest Rom. 13 vers 13.
Dit was het woord, der redding, vrede Gods daalde in zijn hart. Nu sprak hij met zijn moeder, en kort voor haar dood mocht zijn moeder thans weder ervaren, dat de Heere een hoorder en verhoorder des gebeds is.
Dan gaat hij weer naar Afrika, wordt bisschop van Hippo en bleef dit tot zijn dood, 430.
In dezen tijd valt de Pelagiaansche strijd, 411 —431. Pelagius te Rome leerde „de vrije wil". Als een kampvechter werpt Augustinus zich tegen deze leer in den strijd. Hij sprak uit ervaring, dat de mensch niets is, kan en wil, maar dat God almachtig was en is dezen mensch om te zetten, te wederbaren en te bekeeren en uit de duisternis te trekken en over te zetten in het Koninkrijk van den Zoon Zijner liefde, tot de heerlijkheid der kinderen Gods, door de zoenen kruisverdlensten van Christus, uit loutere genade.
Zoo was dan de prediking van Augustinus in den tijd van de verwarring der Kerk, hij preekte veel, maar ook schreef hij veel, o.a. 22 boeken over „De Staat Gods en de staat van satan ; de val des menschen met zijn schrikkelijke gevolgen".
Maar God zal Zijn Kerk bewaren. In de Kerk van Christus is de wereld ingedrongen, doch in den dag van Christus dan zal de ware scheiding daar zijn. Dan komt de volkomen rust voor Gods volk, dan geen verdrukking, vervolging en valsche leeraars meer, dan zal het zijn één lofaccoord, want God zal dan zijn alles in allen. Zij ook dit ons aller deel.
Als dat de prediking blijft der Kerk — aldus de spreker — dan zal het blijken dat de Kerk van Christus is een stad boven op den berg, van verre zichtbaar, het zout der aarde, dat alles doortrekt.
Ds. Van Ginkel stelt nu de gelegenheid open voor het stellen van vragen. Hiervan maken een zestal aanwezigen gebruik, waarna ds. Van Griethuizen van antwoord dient.
Ds. Van Ginkel dankt daarna ds. Van Griethuizen voor zijn kostelijke en leerrijke voordracht en verzoekt, na Psalmgezang, den spreker met dankgebed te sluiten.
Namens de Afdeeling Gouda :
C. J. REVET, 2de Secretaris.
ALKMAAR. 29 October j.l. hield onze Afdeeling haar 1ste wintervergadering. De heer Bastmeijer, waarn. voorzitter, opende haar met gebed en sprak na voorlezing van Hebr. 12 een hartelijk woord van welkom tot onzen nieuwen herder en leeraar, ds. C. van Dop, vooral de aandacht vestigend op de wonderlijke leiding des Heeren in dezen weg.
Ook gedacht hij hierbij het zoo betrekkelijk spoedig vertrek van ds. Terlouw, thans te Garderen, hem vanaf deze plaats nog hartelijk dank zeggende voor het vele goede, ook voor Alkmaar gedaan.
Onze nieuwe leeraar aanvaardde het hem aangeboden voorzitterschap en vertoond zich in hartelijke bewoordingen aan onze Afdeeling. Verschillende besprekingen werden gevoerd over de te volgen werkwijze. Voortaan zal om de zes weken worden vergaderd.
Na het houden van een bijbelinleiding door een der leden, beloofde onze voorzitter iedere vergadering een gedeelte te behandelen van ons Doopformulier, waarmee de aanwezigen van harte instemden.
Verder stelde ds. Van Dop voor, D.V. in Februari a.s. een onzer Geref. Bondspredikanten te verzoeken een lezing te houden over het onderwerp „De Voorzienigheid Gods", ten bate van de fondsen van den Gereform. Bond. Allen waren het hiermede eens en zou het toestuur deze zaak verder regelen.
Na nog enkele besprekingen en rondvraag, sloot de voorzitter deze leerrijke en aangename vergadering met dankgebed. Dat de Heere de arbeid ook van onze Afdeeling met Zijn zegen, moge bekronen.
DE SECRETARIS.
AMSTERDAM. Woensdag 28 October kwam onze Afdeeling in ledenvergadering bijeen in het Oranjehuis. Wegens verhindering van onzen voorzitter, ds. Remme, opende vr. Van der Linde op gebruikelijke wijze, en na afdoening van eenige huishoudelijke zaken, kon tot de werkzaamheden van dien avond worden overgegaan.
De inleider van het Bijbelsch onderwerp, vr. Van Gorkum, was verhinderd dit te doen ; in diens plaats hield de secretaris een inleiding over 1 Kon. 22, waarna vr. Van Erk gelegenheid kreeg tot het houden van zijn onderwerp „De bekeering". Met onderscheidene Schriftuurplaatsen toonde de inleider aan de verlorenheid van den mensch, de noodzaak en den weg der bekeering. Een uitvoerige, leerzame bespreking volgde hierop, waaraan door vele aanwezigen werd deelgenomen en den avond maakte tot een avond van leering en stichting, zoodat de wegblijvers veel hebben gemist.
De datum der volgende vergadering werd bepaald op 25 November, terwijl de vrienden Kalf en Sirach, beiden theol. Candidaat, zich
Nog maken wij de leden opmerkzaam op onze eerste openbare samenkomst in het Oranjehuis, D. V. Dinsdag 10 November, alwaar voor ons hoopt voor te gaan ds. J. Vermaas, uit Huizen.
Namens het Bestuur :
Hudsonstraat 32 hs.
A. J. SCHOEN.
UTRECHT. D.V. Ledenvergadering op Vrijdag 13 November a.s., des avonds 8 uur in het Wijkgebouw, Kromme Nieuwe Gracht 82.
Agenda : 1. Opening ; 2. Notulen; 3. Ingekomen stukken ; 4. Inleiding door den voorzitter. Onderwerp: De Kerk in nood" ; 5. Bespreking ; 6. Rondvraag ; 7. Sluiting.
Wij mogen zeker alle leden, en vele belangstellenden verwachten ? Onze winteractie, begonnen met de openbare vergadering van 13 October j.L, waarin ds. Fokkema van Amstelveen tot ons sprak over „de Sacramenten", willen wij voortzetten. Wij hebben besloten, evenals vorige jaren, maandelijks saam te komen tot het houden van zes ledenvergaderingen.
Mannen en vrouwen, toont uw medeleven en komt!
HET BESTUUR.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 november 1936
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 november 1936
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's