De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MANKE MURK

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MANKE MURK

EEN VERHAAL UIT HET FRIESCHE VOLKSLEVEN

6 minuten leestijd

Met toesteming uitgever J. H. Kok te Kampen
Doch met Murk stond het héél anders. Hij had geen enkelen vijand, en als er een was, dan zou hij zeker de eerste zijn, om dezen de hand der verzoening te reiken, ook al had hij zélf geen schuld. Zoo kon zij niet doen. En hoe zou zij nu bij zóó iemand passen !
Toch scheen hij het heel ernstig met haar te meenen. 't Was hem niet om een „grap" te doen, zooals dat bij jonge menschen wel eens plaats greep. Dan had hij vanavond ook wel gezegd, dat hij niet weer bij haar kwam, te meer, waar zij hem dit eigenlijk in den mond had gegeven.
O wee, als hij dat eens gezegd had. Dan zou zij zich toch óók ongelukkig gevoeld hebben. Wat zou dat dan een groote leegte in haar leven brengen, 't Zou zijn, alsof zij dan uit het volle, blijde licht van den dag in de donkerheid van den nacht terugkeerde. Vreemde tegenstrijdigheid toch. Zij voelde het onderscheid tusschen hen beiden, dat een klove scheen te vormen, en zij zou hem dan toch óók niet gaarne weer willen missen. Hoe móést het nu ?
Vervelend, dat zij niet slapen kon. Daar sloeg de klok in de voorkamer één. Dus met een uur of drie moest zij d'r weer uit en nog had zij geen oog dicht gedaan.
En weer werd het kussen gekeerd, om nóg eens te probeeren in te sluimeren. Zij wilde nu ophouden met te denken over Murk. Hij moest eens weten, dat zij hier zoo over hèm lag te tobben en in het bed heen-en-weer woelde. Maar daar dacht hij vast niet aan. (Hij sliep al lang in zijn kamertje aan het eind van de Kerkstraat. Die vrouw Kalma was in de laatste tijden óók heel wat veranderd. Zij hoorde de bolleloopster daar wel eens over. Zoo vroom als appelmoes, had deze eens gezegd, en alles 't werk van Murk. Maar 't zou wel komen, omdat zij hoopte, dat hij haar tot vrouw zou vragen. Zij verschilden wel veel in jaren en in de kinderen had zij een heel blok aan het been, doch dat zou wel wennen en Murk was een goed kostwinner. De handel legde hem geen windeieren. Men kon dat bij de weduwe aan alles wel zien, dat hij een goed bestaan had. Het eene na het andere werd daar opgeknapt, en 't was wel vreemd, maar het scheen, dat Murk geen vaste som als kostgeld betaalde. Een wonderlijke boel, had de bolleloopster gezegd ; het leek wel, dat hij voor de geheele huishouding te zorgen had. En dit beteekende nogal iets, want zijn kostvrouw wist daar van. Zij vond het eigenlijk maar zóó, zóó, dat een vrijgezel en een weduwe onder één dak woonden.
Toen had vrouw Siderius haar echter geweldig de les gelezen. Zij moest geen kwaad van Murk zeggen. Een dóór en dóór beste jongen was hij, die geen mensch kwaad zou doen, en zijn handen niet zou uitsteken naar hetgeen hem niet toekwam, 't Ware beter, dat zij maar eens wat meer op haar eigen kinderen toekeek. Iemand de kroon van het hoofd nemen, ging gemakkelijk genoeg, maar haar er weer op te zetten, dat viel zwaarder. Zoo had de boerin de bolleloopster terecht gezet.
In dit nachtelijk duister, waarin de beelden van het verleden zoo duidelijk aan haar geest voorbij gingen, herinnerde Pleuntje zich dit alles, alsof het gister gebeurd was. Destijds deed het haar al goed, dat de vrouw het zoo voor Murk opnam, hoewel zij er zelf toen geen oogenblik aan dacht, iets bijzonders voor hem te voelen en nog veel minder, dat hij ooit het oog op haar zou slaan. Of zou er toen al onbewust iets in haar geweest zijn, dat naar hem uitging ?
Vervelend toch, dat steeds maar denken ; zij wilde immers niet meer denken; zij wilde slapen. Straks was het weer aanpakken, en goed ook. Eerst zich een, twee, drie gekleed, en het fornuis aan gemaakt voor het theewater. Daarna onder de pomp zich vlug gewasschen, en vervolgens met het juk en de emmers het land in, om de koeien te melken. Er waren er vijf, die op haar wachtten. De „Rood-bont", en de „Muis", en „Brechtje", en „Pietje" en de „Wildeman", die zoo genoemd werd, omdat zij door niemand gemolken wilde worden dan door haar alléén en soms door slooten en over hekken ging als buurmans weide haar beter leek. 't Zou haar wel vreemd wezen, wanneer zij dit werk niet meer behoefde te verrichten.
Maar waar was zij nu weer. Vervelend ! D'r kon immers toch nooit iets van komen, dat Murk en zij een paar werden. Hij was véél te goed voor haar en veel te vroom. Wat de huisgenooten daar straks wel van zeggen zouden ! Want aan de koffietafel zou de boer of de boerin wel over het bezoek van den vorigen avond beginnen en haar plagen van Murk. Dat was immers zoo de gewoonte. En wat moest zij dan zeggen ? Aan den eenen kant zou het wel aardig zijn, wijl zij nooit eerder van haar leven met een vrijer geplaagd werd. Doch aan den anderen kant voelde zij, dit niet te kunnen verdragen, omdat immers straks bekend zou worden, dat er niets tusschen hen beiden bestond, daar het onderscheid tusschen hen te groot was. Had hij haar maar nooit een bezoek gebracht. Dan kende zij ook deze onrust niet. Nu waren verwachtingen opgewekt, die toch nooit in vervulling konden gaan, en dit maakte haar toestand er niet beter op. Wat kon het leven toch zwaar zijn. Elske was nu boven den strijd. Die lag daar als een lijk op „Bornia State" en was uit het leven weg. Maar dat begeerde zij toch óók niet, omdat zij niet bereid was van hier te gaan. Had zij maar die rust van Murk bij de gedachte aan den dood. Zij moest maar bidden, zei hij. Zou haar dat rust geven ? Foei, wat klopte dat hoofd en hoe pijnigden haar die oogen van dat staren in de donkerheid.
Daar sloeg de klok twee. 't Begon al te dagen. Door de reten van het vensterluik viel reeds eenig licht. In de verte klonk hanengekraai. Nu zou wel spoedig meer leven ontwaken. En zij had nog geen oog dicht gedaan. Nog maar éénmaal een koel plekje voor haar heete hoofd gezocht
Toen vouwde Pleuntje de handen en bad: „Onze Vader, die in de hemelen zijt. Uw naam worde geheiligd. Uw Koninkrijk kome, Uw wil geschiede, gelijk in den hemel alzoo ook op aarde
En thans vroeg de natuur haar rechten. Pleuntje viel in een onrustige sluimering. In haar droom zag zij Murk op zich afkomen, die haar vroolijk tegenlachte en wien zij beide handen reikte. Hij sprak haar van zijn liefde en van de toekomstplannen, die hij had, en van hun mooie, vriendelijke woning, waar zij samen gelukkig zouden zijn. Doch opeens betrok zijn gelaat en verkoelde zijn blik. Hij vroeg haar iets, doch zij antwoordde hem niet, omdat zij geen woorden had. Teleurgesteld liet hij haar hand los, om eenige schreden achteruit te gaan..
[Wordt voortgezet.]

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 november 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

MANKE MURK

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 november 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's