KERKELIJKE RONDSCHOUW
KERK EN SCHOOL IN DUITSCHLAND.
Het Nationaial-Socialisme in Duitschland — naar welks model de N.-S-B. hier in Nederland werken wil — doet alles om het de belijdeniskerk en de confessioneele school onmogelijk te maken, daardoor het ware christendom uit te roeien en een heidensch christendom onder het volk te brengen.
De Rijksjeugdleider — let op den naam ! — de bekende Baldur von Schirach, voerde onlangs het woord op een vergadering van de leiders der „Hitler-jeugd" (let op den naam !) en zei toen, dat de jeugd door den Leider met God verbonden was en dat men van het confessioneele christendom niets goeds verwachtte voor den Staat. We moeten een jeugd hebben, die in God gelooft —: zei hij, maar in één adem zei hij : „zoo lang ik op dezen post sta, zullen in Duitschland geen confessioneele vereenigingen bestaan!" AI de christelijke jeugdvereenigingen moeten verdwijnen. Er mag en er zal alleen maar een „Hitler-jeugd" zijn in Duitschland. En het streven van de machthebbers is om ook alle bijzondere christelijke scholen te doen verdwijnen en alleen Nationaal-Socialistische scholen over te houden, hetgeen b. v. in Württemberg reeds bijna geheel gelukt is. Zoo werd ook in Württemberg officieel aan den stadspredikant Mörike verbonden godsdienstonderwijs op school te geven ; niet door den Kerkeraad, maar door de Nationaal-Socialistische machthebbers. En waarom werd het hem verboden ? Omdat hij o.a. na een preek op 22 Maart j.l. gezegd heeft: ik bid God, dat Hij den leider, Hitler, de leiding Zijns Geestes niet onthoude, opdat hij door de werking van den Heiligen Geest zich in ootmoed voor Hem buige". Dat was zijn onvergeeflijke zonde; en hem moest de mond gestopt worden.
Aldoor zegt men van Nationaal-Socialistische zijde, dat men zoo graag alles wil doen om de kerkelijke kwestie tot een goede oplossing te brengen, maar de onafwijsbare voorwaarde is dan altijd : geen confessioneel christendom, omdat daardoor het volk verdeeld wordt en de Staat in gevaar gebracht wordt.
Wat die goede bedoelingen inhouden, blijkt ook wel uit het volgende. In Württemberg werd door de kerkelijke autoriteit de predikant Schneider afgezet, omdat hij radicaal afweek van de belijdenis der Kerk en de ziel geworden was van de Volkskerkbeweging der Duitsche christenen, die het christendom van „bloed, ras en bodem" voorstaan. Maar wat gebeurt ? Die Duitsche christenen (Nationaal-Socialisten met hun heidensche godsdienst) vragen aan de Overheid een kerkgebouw (voor hun godsdienst) en 15 Oct. j.l. gaf het Württembergsche Staatsministerie een kerkgebouw, dat aan de belijdeniskerk ontnomen werd en nu voor den afgezetten predikant Schneider ten gebruike werd gegeven ! Bovendien werd óók nog de Evang. Garnizoenskerk aan den predikant, die door de Kerk afgezet was, ter beschikking gesteld !
Nóg iets. Sedert Maart 1935 werd er een proces gevoerd door de Evangelische landskerk tegen den Württembergschen Staat over de vermindering van geldelijke bijdragen voor het tractement der Evangelische predikanten. Onlangs heeft het Württembergsche gerechtshof de bezwaren van den Opperkerkeraad tegen deze vermindering onderzocht en ongegrond verklaard ! Bij de motiveering van deze uitspraak werd uitgesproken, dat de landskerk geen recht op staatsbijdragen kon laten gelden. Noch in de vorige regeling, door de Regeering gemaakt (in 1806), noch in de regelingen van den lateren tijd (de regeling van 1819 en 1919) wordt er gesproken van eigendomsrecht op kerkegoed, noch van recht op staatsbijdragen.
Dat komt dus hierop neer : dat aan de Kerk haar goed ontnomen en onthouden wordt. De Overheid — zoo zegt men — droeg een tijdlang bij voor het brood der Kerk, maar zij is daarom niet rechtens verplicht die bijdragen bij voortduring te geven !
Men begrijpt dus wel, uit welken hoek de wind waait. Het Nationaal-Socialisme, dat de jeugd en de kerk, de school en de vereenigingen wil binden aan den Leider, wil slechts weten van het moderne (heidensch) christendom, dat liever van Walhalla, dan van hemel spreekt, en heeft het er op gezet, dat de belijdeniskerk, de confessioneele school en de christelijke jeugdbeweging zal verdwijnen.
Hierbij worde ook nog even vermeld, wat dezer dagen in de couranten stond aangaande den gewezen Rijksbisschop Muller, die met „groot verlof" is, maar die zich blijkbaar zelf nog altijd beschouwt als de Rijksbisschop. In een persgesprek vertelde hij, dat hij „terugziend op de geschiedenis der laatste jaren, moet bekennen, dat veel van de ellende der Duitsche Evangelische Kerk aan zijn eigen fouten is. te wijten, maar dat deze geschiedenis voor hem zelf als vrucht heeft nagelaten, dat hij sinds 1933 (toen hij als Rijksbisschop optrad) van theologisch standpunt is veranderd. Vroeger geloofde hij, dat de geheele Bijbel Gods Woord is en als door God geïnspireerd moest beschouwd worden, maar dat hij thans, dank zij de geschiedenis van de laatste jaren, op het standpunt staat, dat de Bijbelcritiek gelijk heeft en dat de belijdenis der Kerk niet meer, zooals zij daar ligt, is te aanvaarden. Het rechtzinnige en confessioneele standpunt verklaarde hij verlaten te hebben. En dat was nu — zoo zei hij — de voornaamste slagboom tusschen hem en de confessioneele rijkscommissie, die voor drie kwart orthodox is, welker voorzitter dr. W. Zoellner, een confessioneel man van grooten invloed is.
Ligt hierin misschien een verklaring, dat hij vroeger niet veel anders gedaan heeft, dan de Confessioneele predikanten bemoeilijken; en vooral de rechtzinnige predikanten heeft vervolgd ; en de belijdeniskerk zooveel ellende heeft bezorgd ? Want wat hij nu zeer geprononceerd is, zal hij wellicht vroeger al heimelijk geweest zijn : een vijand van de Schriftuurlijke waarheid en de belijdenis der orthodox-Evangelische Kerk.
Onze broeders in de belijdenis-kerk van Duitschland hebben het wel heel moeilijk. Want het Nationaal-Socialisme bedoelt niet anders dan de confessioneele beweging zooveel mogelijk tegen te werken, ja, zoo mogelijk, uit te roeien. Schending van de rechten der Kerk is aan de orde van den dag en het recht van de ouders in zake de opvoeding en het onderwijs van hunne kinderen wordt overal geweld aangedaan.
OOK SPANJE ZIJ TOT WAARSCHUWING.
De invloed van Rusland in Spanje is verderfelijk geworden voor land en volk. Verscheurd is nu het volk en het land is vol van rampen en leed. Het Bolsjewisme heeft zich weten te nestelen in Spanje, gelijk het ook bezig is Frankrijk te veroveren en ten val te brengen. Overal worden cellen gevormd en vindt men broeinesten van de verschrikkelijke leeringen van het communisme. Ook de Vereeniging „De Dageraad" in ons land heeft zich nu meer openlijk uitgesproken in denzelfden geest. Meer dan te voren zal de strijd „tegen geloof en bijgeloof" worden aangebonden ; „tegen het geloof, belichaamd in de leer der honderd en één kerkgenootschappen, tegen het bijgeloof in den vorm van allerlei religieuze secten, die met de exacte wetenschap op gespannen voet leven". De Dageraad ziet overal „in de officieele Kerken de rem van lederen vooruitgang, zoowel op geestelijk als op maatschappelijk gebied". Deze Vereeniging is van plan grootere activiteit te gaan ontwikkelen. Er is een soort „volksfront" tot stand gekomen : Sociaal-democratische en communistische vrijdenkers organisaties hebben zich vereenlgd. Als haar gemeenschappelijke taak zien zij : „het menschdom in te enten tegen de gevaren van het cultuurbarbarisme, dat fascisme heet". En daarmee hoopt ze velen mee op sleeptouw te kunnen nemen, met het bolsjewisme, het anarchisme, het Russisch Communisme als motor ! Zoo is „De Dageraad" gereorganiseerd ook ten onzent, en het Bolsjewisme heeft de overhand en de leiding nu !
Wat dat brengen zal laat Spanje ons zien. Juist vijf en twintig jaar geleden, op 15 September 1911, werd in Spanje de grondslag gelegd voor de huidige schrikkelijke gebeurtenissen. Op dien datum namelijk hief het Kabinet-Canalejas de religieuze opvoedinig der jeugd op. Dit Kabinet vaardigde een verordening uit, waardoor het godsdienstonderwijs buitengewoon werd bemoeilijkt, zóó zelfs, dat het met opheffing gelijk stond. De godsdienst is immers opium voor 't volk en staat immers alle „vooruitgang" in den weg, is immers de rem van iedere gezonde volksontwikkeling !
Art. 8 van de Regeeringsverordening bepaalde, dat de scholieren, die nog wenschten onderricht te worden in „moraal en religie", een extra belasting moesten betalen boven het gewone schoolgeld en aan het einde van het schooljaar een extra examen moesten afleggen, want de godsdienst was immers gewoonlijk oorzaak, dat de mensch dommer wordt en achter komt te staan bij anderen ! Daarom zou er een extra onderzoek moeten plaats hebben bij de scholieren, die godsdienstonderricht (tegen extra betaling) ontvingen.
Het godsdienstonderwijs werd tot twee uren in de week beperkt en mocht alleen gegeven worden in de middaguren, dus in die uren, dat in Spanje het grootste gedeelte van het jaar het werk rust en — volgens een Spaansch spreekwoord — „alleen honden en vreemdelingen op straat loopen".
Het bleek toen, dat van de 255.000 schoolkinderen 175.000 te arm waren, om de extra belasting te betalen. De Vrijmetselarij, die de wet-Canalejas had doorgedreven, gebruikte nu alle middelen om godsdienstloos onderwijs overal door te zetten en heel de „Vrije Opvoedingsbeweging" geraakte in atheïstisch vaarwater.
Op deze wijze werd het mogelijk, dat het Bolsjewisme de laatste jaren in Spanje een massa vond, die op het gebied van wereldbeschouwing tegen Kerk en religie stond en dus overrijp was voor den rooden greep. Zéér, zeer velen uit de generaties, die sedert 1911 door de staatsschoden zijn gegaan, strijden thans voor het Sovjet-communisme in Spanje — welk land nu zoo ellendig er aan toe is, zichzelf verterend in een bloedigen burgeroorlog.
Laat Spanje ons tot waarschuwing zijn ! Temeer, waar Communisme, Anarchisme, Socialisme in den grond der zaak het ééns zijn op dit belangrijke punt: de godsdienst moet wèg. Geen God en geen meester. Vrijheid, gelijkheid en broederschap, — ook ten koste van de dierbaarste goederen van land en volk, ten koste van moraal en religie, ten koste van het bloed van ons en onze kinderen !
De vijand ligt voor de poort.
En neen, dan moeten we niet de valsche tegenstelling maken : óf het Bolsjewisme óf het Fascisme. We willen noch het eene, noch het andere, daar het in wezen precies gelijk is. Ook het Fascisme wil van de autoriteit Gods, van de autoriteit van Gods Woord en Wet niet weten. Ook het Fascisme spaart de belijdende Kerk van Christus niet, noch duldt de christelijke opvoeding van onze kinderen naar Gods Woord. Beiden hebben zich een anderen god gemaakt, voor wien alles moet bukken en voor wien allen moeten buigen. Het gouden beeld, dat moet worden aangebeden !
Daarom een andere keuze, een andere weg : God — Nederland en Oranje. We moeten het verbond vernieuwen met den Potentaat der potentaten. Rondom dat vaandel allen schouder aan schouder.
Laat Spanje ons tot waarschuwing zijn. 't Is nog niet te laat.
DE KERK VOLGENS DE VRIJZINNIGEN (5)
Ds. V. d. Poel, van Den Helder, schrijft, nadat over het begin en het beginsel der Kerk is gehandeld, over de Kerk en de traditie als volgt:
De vrijzinnigen zoeken het wezen van hun vrijzinnig geloof veel te veel in een soort van subjectiviteit, die een te wankele bodem is, om er met beide voeten op te staan. Het objectieve, het gegevene, de schat van Gods gaven, door de Kerk van geslacht op geslacht overgeleverd, worden veel te weinig gekend en gewaardeerd. De vrijzinnigen denken dikwijls ook veel te veel, dat zij de Kerk vormen, en vergeten, dat veeleer de Kerk ons vormt. Het objectieve, de schat der Kerk te verwaarloozen of te miskennen, kan niet anders dan tot groote schade zijn.
De traditie is er om ons die schat over te leveren en die schat onder ons te bewaren en te ontwikkelen, te vernieuwen. Het objectieve moet zoo tot eigen bezit worden gemaakt. Het dynamisch karakter van ons geloof moet daarbij uitkomen. Wat als statisch, vast-omlijnd, tot ons komt, moet vloeiend, levend gemaakt worden voor ons en in ons. Dan wordt het een kracht-centrale, waaruit ons innerlijk leven wordt gevoed en gesterkt.
De Kerk is méér dan een gewone vereeniging van gelijkgezinden; zij is méér dan wat haar leden er op een bepaald oogenblik met elkaar van kunnen maken. Achter de empirische Kerk, het feitelijk gegevene, staat de metaphysische, onzichtbare, hemelsche Kerk, waaruit het verborgen wezen der Kerk, als lichaam van Christus, zich realiseert in de empirische, zichtbare, feitelijk gegevene Kerk.
Nu neemt in het kerkelijk-godsdienstige leven de traditie een belangrijke plaats in. Naast het gegevene, wat de Kerk biedt in belijdenis en liturgie, komt ook de traditie In allerlei vorm tot ons. Dat is óok een onderscheid tusschen Kerk en gewone vereeniging !
De jonge, wordende Kerk, heeft geheel geleefd uit de traditie. Zij dankt haar ontstaan aan de levende prediking der Evangeliën, het getuigenis omtrent Jezus Christus. Wat van hem getuigd werd, de heilsleer, had geen andere bron, dan hetgeen als traditie van de eerste getuigen werd overgedragen op een volgend geslacht. Toen de authentieke getuigen gestorven waren, ontstond de behoefte aan het geschreven getuigenis; dat werd grootendeels vastleggen van 't geen de traditie had verkondigd. Lucas beschrijft wat degenen „die van den toeginne zelve aanschouwers en dienaars des Woords zijn geweest, ons overgeleverd hebben". Theophilus, een zijner vrienden, zal er hem wel om gevraagd hebben. De brieven van Paulus aan de Corinthiërs zijn geschreven naar aanleiding van bepaalde gebeurtenissen. De Romeinen-brief wil Joden-christenen en heiden-christenen, zoo mogelijk, tot elkaar torengen. Als toewijs hoe de traditie het geschrevene overtreft, wordt dan aangehaald Joh. 21 vers 25. Er zijn zoo vele andere dingen nog, die niet zijn opgeteekend. „Wat in het N. Testament gegeven is, is dus over 't algemeen minder, dan wat door de oudste christelijke traditie werd bewaard", (blz. 38)
De traditie is niet anders dan het mondeling dóórgeven van de boodschap des heils, en blijft bestaan óók als al hetgeen ter zaligheid noodig geacht wordt, schriftelijk gedocumenteerd is. En bij Rome wordt dan de traditie of overlevering een macht met autoriteit en bron van waarheid ; voornamelijk zich bepalend tot de velerlei gebruiken in eeredienst en kerkelijke tucht (meer dan bij de dogma's) — zegt ds. v. d. Poel. (bladz. 39).
Basilllus zegt b.v. als 't gaat over 't Avondmaal : „doch wij laten 't daarbij niet bij de woorden, die de apostel Paulus (1 Cor. 11 vers 23 enz.) en het Evangelie vermelden, maar wij laten er gebeden aan voorafgaan en er op volgen, die wij uit het ongeschreven onderricht hebben". „Wij zegenen het water van den doop en de olie der zalving, en ook den doopeling zelf. Waar staat dit toeschreven ? Dat is immers uit de geheime, onbeschreven overlevering", zóó is Rome.
„De Reformatie heeft de traditie, die in Rome's Kerk als bron van waarheid gold, als zoodanig terzijde geschoven. De Heilige Schrift was haar genoegzame kenbron voor de Christelijke waarheid". De traditie van Rome miste bij haar volstrekt alle gezag.
Toch is de traditie ook in. Protestantsche Kerken blijven leven en bewaart voor versteening — zegt ds. V. d. Poel. Het is een geestelijk en overvloedig bezit.
„Traditie is, dat wij onze kinderen laten doopen, wat nergens in den Bijbel voorgeschreven wordt. Traditie is, dat wij Zondags onze kerkdiensten houden en ons op een. bepaalden tijd als lidmaten bij de Kerk aansluiten. Traditie is het meerendeel van onze liturgie, ons vieren der Christelijke feesten, ons zingen van bepaalde liederen, enz. En in deze traditie kleedt zich een wezenlijk, geestelijk gegeven, iets, wat onmisbaar is voor den groei van ons geloof. Aan ons de taak, ze wezenlijk te doen functioneeren. We moeten daarbij persoonlijk opwassen, groeien in de gemeenschap met hem, die nog altijd het geestelijk hoofd der Kerk is, Jezus Christus. Ook Hij verwierp de traditie niet. Ook Hij ging op den Sabbathdag in de synagoge en op de groote feesten tempelwaarts. Hij wierp de traditioneele vormen niet overboord, maar heiligde ze, door ze met nieuwen inhoud te vullen. Zoo hebben ook wij te doen", (bladz. 42).
(wordt voortgezet.)
KOHLBRUGGE EN DA COSTA
Hoeveel schoons en heerlijks Kohlbrugge ook in zijn stille huiselijk leven in Utrecht mocht beleven, toch was hij nog niet aan het eind van zijn lijdensweg.
Het is eigenaardig, de brieven, die hij schreef, onverschillig of zij aan zijn eigen familieleden of aan vrienden gericht zijn, vormen een bijna onafgebroken lofzang op Gods goedheid en genade, een roemen van de eeuwige barmhartigheid des Heeren. En Kohlbrugge had reden om enkel en alleen de trouw van zijn God te loven. Want hoe langer hoe meer lieten hem nu ook zijn beste vrienden in de steek.
Het stempel, waarmee Kohlbrugge zijn brieven placht te verzegelen, is een afbeelding van de wapenrusting Gods, zooals zij in het zesde hoofdstuk van den brief aan de Efeziërs beschreven wordt, wapens, die rondom de tafelen der Wet geplaatst zijn. Zijn 'kleinzoon heeft aan deze bijzonderheid terecht veel waarde gehecht en daarnaar diegenen verwezen, die Kohlbrugge aanhoudend van verachting van de Wet meenen te kunnen beschuldigen.
Inderdaad heeft hem nooit eenig verwijt zoo diep getroffen en gekrenkt dan dit, dat hij een antinomist is, iemand, die ter wille van het geloof de Wet des Heeren terzijde stelt. Hoe dieper hij juist de verhouding van Wet en Evangelie inzag, des te pijnlijker was het voor hem wanneer hij op dit cardinale punt niet begrepen werd en men van zijn opvatting de geheel onjuiste verklaring gaf, dat hij de lichtzinnigheid en de verachting van Gods geboden in de hand werkt. En juist dit groote leed hebben degenen, die tot nu toe zijn beste vrienden waren, hem aangedaan.
Kohlbrugge had drie proefpreeken (over Romeinen 7 : 14, Psalm 65 : 5 en Psalm 45 : 14—16), die hij in het Wupperdal gehouden had, ook aan zijn vrienden in Amsterdam doen toekomen.
Reeds was er eenige verwijdering ontstaan tusschen Kohlbrugge en zijn vrienden, maar nu werd de kloof nog breeder. Zij konden immers geen waardeering hebben voor preeken, die den wedergeboren, vromen en toekeerden Christen evengoed als den zondaar onder het oordeel „vleeschelijk" stellen. Moesten zij zich niet persoonlijk beleedigd gevoelen ? Een van zijn vrienden stuurde onmiddellijk alle exemplaren van zijn preeken terug. Niet alleen droefheid en bezorgdheid, maar ook verontwaardiging maakte zich meester van de „Reveil"-kring : Was het
rechtvaardig, zoo vroeg men, dat hij, die zich zoo lang als martelaar van de gereformeerde Kerk voordeed, nu met" dingen voor den dag kwam, die alles behalve gereformeerd waren ? Daar kwam nog 'bij, dat Albrecht (een gisthandelaar) de preek over Romeinen 7 : 14 zeer onhandig in het Nederlandsch vertaald had, zoodat allerlei misverstand kon ontstaan. Ook gingen er allerlei onzekere geruchten rond uit Elberfeld, dat deze preeken Kohlhrugge van den kansel verjaagd hadden. Ten slotte ging het zoover, dat Kohlbrugge openlijk van antinomisme beschuldigd werd.
Eh wel door den man, dien alle „tot-levengewekte" menschen in Nederland eerden als hun leider. Door da Costa zelf. Nauwelijks had deze de preek ontvangen, of hij zette zich tot het schrijven van een lange brief, die Kohlbrugge nog in Elberfeld ontving en waarover hij slechts verwonderd en bedroefd het hoofd kon schudden. Ook al spreekt da Costa in hartelijke bewoordingen zijn blijdschap uit over de ontvangst van zijn vriend in het Wupperdal, toch is hij niet zuinig met harde woorden, die Kohlbrugge van dwaalleer beschuldigen en hem een ketter noemen.
„Gij staat lijnrecht tegenover Calvijn en Luther en alle trouwe verkondigers van de waarheid ! üw leer van de heiligmaking van den in Christus gerechtvaardigden zondaar, uw uitlatingen over de Wet zijn niet gegrond op Gods onfeilbaar Woord ! Hoe kunt u met dergelijke opvattingen, die zoo lijnrecht in strijd zijn met de leer van de Heidelbergsche Catechismus, nog beweren, dat u de Gereformeerde 'belijdenis lief hebt ? Is de afstand tusschen Oost en West grooter dan die tusschen uw verkondiging en het drievoudig snoer van onze Catechismus van des menschen ellende, verlossing en dankbaarheid ? "
Christus voor ons ? Ja, maar vóór alles: Christus in ons ! Hij brengt in ons het werk der heiligmaking tot stand. De heiligmaking is, ook al is zij nog zoo gering, wezenlijk en waarachtig ! Let toch nauwkeurig op vraag 86 van ons leerboek, op toet derde deel van des menschen dankbaarheid ! Zeker, de Wet heeft haar kracht als tuchtmeester verloren. Maar de Wet blijft toch richtsnoer voor de levenswandel der bekeerden tot verheerlijking van God. Christus is onze plaatsbekleeder geworden 'VOor onze rechtvaardiging. Maar niet voor onze heiligmaking. Het koninklijk ambt schijnt Kohlbrugge niet te kennen, waardoor Christus de Zijnen vernieuwt tot Zijn evenbeeld, opdat zij met hun gansche leven Gode dankbaarheid bewijzen.
„Deer de waarheid niet, broeder en vriend in Christus. De halve waarheid is geen waarheid, maar leugen. Moge God al de schade, die Gij door uw preeken aangericht hebt, herstellen. Ik moest zoo spreken. Ik moest".
Kohlbrugge was radeloos, toen hij dit schrijven van Da Costa gelezen had. Want alle punten, waarop Da Costa hem bestreed, beteekenden voor hem de eenige troost in leven en in sterven. (Wordt voortgezet.)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 november 1936
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 november 1936
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's