FINANCIËN
Welk een schat van leering in onze spreekwoorden is te vinden, waag ik niet bij benadering aan te geven, 't Valt me telkens en telkens weer op.
Zoo zag ik dezer dagen, hoe het vallend blad het pad, waarover ik voortging, als met een kostelijk tapijt had bedekt. Weet ge, waaraan ik onwillekeurig moest denken ? In de eerste plaats aan het Schriftwoord : „wij allen vallen af als een Wad". De kortstondigheid: van alles wat wij 2ien, ook van ons aardsche bestaan, wordt in zichtbare lijnen en vormen ons bijgebracht. De Psalmdichter zegt het:
Wat uit stof is, neemt een end Door den tijd, die alles schendt.
Toch was het dit niet alleen, al zegt dat niet weinig; neen, een tweede gedachte welde uit een en hetzelfde verschijnsel.
'k Dacht n.l. bij het zien van dat zachte weefsel, waaruit het bladtapijt was samengesteld, wat voor beteekenis daar schuilt in de vermenigvuldiging van het kleine. Zoo kwam mij voor den geest het spreekwoord: „vele kleintjes maken één groote".
Wat voor beteekenis nu één zoo'n blaadje heeft, valt u moeilijk aan te duiden, doch als ge daar duizendtallen ziet neerzweven, al dwarrelend van tak tot tak, tot zij op moede vleugeltjes de aarde heeft bereikt, ja, dan wordt het u pas klaar, dat op zoo'n wijze de koude aardbodem een dekkend kleed over zich ziet uitgespreid.
Een wonder-schoone prediking wordt van alle zijden tot het menschenoor ingedragen, als het de sprake, die God daarin legt, maar beluisteren mag. Helaas, gaat aan ons oor vaak zooveel voorbij. De veelheid van klanken, voortkomende uit het rumoer van rondom, snijden helaas voor o zooveel de toegang af. Al ontgaat het niet heelemaal, toch heeft het rumoer van het wereldgebeuren zulk een overwicht, dat het eerste toch niet een bewuste vorm aanneemt. Het gaat dus bij muziek en zang. De zware instrumenten en de mannen-stemmen klinken zoó over alles heen, dat de zwakkere tonen daarin verzinken, geheel en al.
Rekent het niet klein, wat voor vernielende invloed er uitgaat van het vele en schrikkelijke gebeuren van onzen tijd. Al zou het niet anders zijn dan dit ééne, dat wat de wereld rondom ons doet hooren, ook doortrilt in onze gehoorgangen, waardoor, zonder dat wij het weten, vaak iets van die verwoestende invloed blijft hangen. De besmettende kracht is zoo in-gevaarlijk, dat tegen niets meer dient te worden gewaakt. Om ons maar bij één punt te bepalen: welk een geest van wantrouwen is er in de wereld onzer dagen niet stelselmatig en zonder enige verpoozing jaren achtereen ingedragen. Welke gevolgen dit moest hebben en tot welke uitbarstingen 'dit moest leiden, leert onze tijd. Alles wordt er aan gewaagd. All heeft men het 'kortdurend over beschaving en aanbrengen van cultuur, de feiten van den dag stapelen bewijs op bewijs, dat men zelf met wat in naam voordat, op het gruwelijkste spotte. Ziet maar eens naar de Zuidelijke landen. Let maar eens op wat Frankrijk nu nog in het klein, in Spanje In het groot zich afspeelt. De voortbrengselen van eeuwen-oude cultuur worden opgeblazen en alzoo tot enkel ruïnes herleid. En nu wordt hierbij slechts heengewezen op de gevolgen, op de vruchten van den stam. Geldt van deze 't Schriftwoord : „leest men ook een druif van doornen of vijgen van distelen ? " Zijn de gevolgen angstwekkend, 'de vruchten vergiftigd en vergiftigend, op den boom zelf dient het oog in de eerste plaats zich te richten. Daarin schuilt 't kwaad. Van de vruchten laat zich aflezen wat de boom is. Wanneer deze van niet anders getuigen dan van verderf en vernieling, zoo behoeft ge geen moment te gissen wat voor boom ge voor u ziet. Een doom doet niet anders dan wonden en een distel verloochent zijn aard evenmin. Met de vrucht van den vijgeboom en den wijnstok staat dit juist omgekeerd. Hoe onooglijk en hoe weinig schoonheid biedend deze ook zijn mogen, toch zijn deze vruchten zoet voor de tong en verfrisschend voor de kranken.
'k Vraag u, of uit de natuur, belicht door het schijinsel van Gods Woord, niet alle dagen door ons nameloos veel kan worden geleerd ? In alles wordt ons Gods grootheid en onze kleinheid geleerd, tegelijk met Zijn goedheid en onze verkeerdheden. Voere daarom de Heere ons maar steeds dichter naar Zijn Getuigenis en leere Hij ons daarin te wandelen.
Laat mij ditmaal onze overdenking 'besluiten, om u een overzicht te geven van wat in deze laatste twee weken binnenkwam. Groote posten kwamen niet zoo heel veel voor, 't waren meest kleine. Zoo kwam ik tot de gedachte van de kleine bladeren, die in veelheid een zacht tapijt voor mijn voet spreidden.
1. De eerste gift kwam uit zachte vrouwenhand. Dit spelde mij iets goeds. De Meisjesvereeniging Spreuken 3:6: .Ken Hem in al uwe wegen en Hij zal uwe paden recht maken", uit Gorcum, deed mij een rijksdaalder geworden voor onze beide fondsen ƒ 2.50
Wij zeggen haar vriendelijk dank voor haar blijken van medeleven.
2. Het busje van de wed. Bardelmeijer van Zegveld droeg deze maand af „ 1.83
Wij betuigen ook hiervoor onzen welgemeenden dank en spreken tevens onze bljjdschap uit, dat de houdster van het busje weer haar plaats in het ziekenhuis alhier heeft mogen open maken voor een ander. Wij verheugen ons met haar gezin en wenschen hun tezamen Gods rijke genade toe.
3. De Penningmeester van de Afdeeling Noordwijk aan Zee zond ons een dubbele post, n.l. aan contributie en voor De Waarheidsvriend, samen , 30.—
Wij betuigen in dezen onzen hartelijken dank en zijn hoogst erkentelijk voor alles wat onze vrienden aldaar doen om onzen arbeid zooveel mogelijk steun te bieden.
Van onze zijde hopen we ook alle hulp te bieden aan hunne actie in eigen omgeving. Aan den Secretaris zal ik eerstdags wel berichten, wanneer ik weer in hun midden hoop te kunnen zijn.
4. Een onzer vrienden, die zijn naam doet schuil gaan achter N.N., zond mij 10 gld. onder letters A. C. en B „ 10.—
Hij wil ook onze zeer vriendelijke dank daarvoor wel in ontvangst nemen, terwijl de bede daaraan gepaard gaat, dat de Heere hierover Zijn rijken zegen moge gebieden.
5. Van den Kerkeraad te Driebergen ontving ik met zeer veel dank voor de opleiding tot het Predikambt „ 6.—
6. De Afdeeling van onzen Geref. Bond te Amstelveen is en blijft actief. Zij zond mij met een keurige lijst van de leden de contributie, bedragende , 51.— Voor alles mijn oprechten dank.
7. Van mej. B. alhier kreeg ik voor onze fondsen, als door haar verzameld, „ 2.50 Gelijk wij reeds deden, betuig ik langs dezen weg onzen vriendelijken dank.
8. Te Leiden werd voor de Afdeeling een spreekbeurt gehouden, waarbij voorging ds. Lekkerkerker, van Oldebroek. De collecte bracht op, met een nagift van de fam. V. H. van 2 gld „ 8.50 - Wij zijn de Leidsche vrienden dankbaar en bevelen hen Gode en Zijn bijstand.
9. Vanuit de gemeente van Maarssen krijg ik van tijd tot tijd in den regel omstreeks dezen tijd, een gift voor onze fondsen. Zoo ook nu. Deze goede vriend zond mij ƒ 7.50 voor het Studiefonds plus ƒ 2.50 voor den Medischen Dienst „ 10.—
Het laatste heb ik reeds op de plaats geboekt waar 't hoort. Voor beide betuig ik mijn oprechten dank. 'kHoop de gelegenheid nog eens te hebben persoonlijk deze te betuigen.
10. Zoo ook was ik voorheen nog wel eens gewoon een enkele gift te boeken als ontvangen van 'n onbekenden, doch trouwen vriend uit 's-Gravenmoer, voor onze fondsen. Ditmaal verblijdde hij mij met het zenden van „ 2.—
Ook thans heeft hij mij niet weinig verblijd.
11. Door ds. Ottevanger te Kampen kreeg ik voor onze fondsen van N.N „ 2.50 Hij wil den onbekenden gever onzen dank wel overbrengen ?
12. Niet vele weken gaan voorbij, waarop uit de collectezak in eigen gemeente niet een gift wordt afgedragen voor onze fondsen. Zoo ook thans kwam uit de collecte van de Nieuwe Kerk weer met 't bekende handschrift van N.N. een tientje.., , 10.— Wij zijn met deze gift altijd evenzeer verblijd.
13. Vanuit de gemeente van Bodegraven werd door den nieuwen Penningmeester ons de contributie van de Afdeeling afgedragen. Deze bedroeg „ 47.06 Wij zijn hem dankbaar voor zijn gehouden beheer en inzameling. Hij wil ook wel onzen dank overbrengen aan de leden.
14. Onder letters A. B. ontving ik vanuit eigen gemeente nog 10 gld., waarvan de helft was bestemd voor den Gereform. Zend. Bond. Het andere voor het Studiefonds „ 10. Wij hopen hem ook persoonlijk onzen dank te betuigen.
15. Van de Afd. Rotterdam-Feijenoord zond de ijverige Penningmeester Kok mij de contributie. Daar ik weet hoeveel moeilijkheden daaraan verbonden zijn, is mijn dank des te grooter. Ik ontving „ 34.50
16. Van de Afd. De Bilt ca. ontving ik evenzoo de contributiegelden. Deze bedroegen „ 27.— Ook de vrienden uit De Bilt en Bilthoven ben ik dankbaar voor hun hulp in dezen.
17. Somtijds krijg ik van een onbekende hand en van een onbekende plaats giften, waaruit ik niet anders kan aflezen dan een gave, waarvan God Zelf de Gever is. Deze gift droeg ais eenig kenteeken „een dankoffer van N.N." „ 25.— 't Heeft me tot dank aan God gestemd. Zijn rijke zegen ruste op u en op de gave.
18. Door ds. Lekkerkerker, van Oosterwolde, kreeg ik als gevonden in de collecte van N.N. voor het Studiefonds „ 2.50 Wij verblijden ons ook in deze gift.
19. Vanuit Zeist kreeg ik reeds jaren achtereen ter vervanging van de opbrengst voor verkocht zilverpapier van N. N. een gift van 5 gld „ 5.— Evenals vorige jaren, heeft deze gift mij uiterst dankbaar gestemd.
20. Toch zou het hierbij dezen keer niet blijven. Immers wat bleek mij, uit een schrijven dat de volgende dag inkwam van onzen vriend Kronenburg, den ijverigen Penningmeester van de Afdeeling aldaar, dat hij op het gironummer van den Bond had geplaatst 93 gld. als contributie en 17 gld. als gecollecteerd bij de spreekbeurt, na aftrek der kosten, waarbij ds. Vreugdenhil, van Gorcum, voorging.
Alzoo samen „ iio.— Eenigszins kunt ge mijn blijdschap u wel indenken, 'k Dank de vrienden te Zeist ten zeerste.
21. De Penningmeester van de Afdeeling Amsterdam stemde mij ook tot blijdschap door het opzenden van 5 gld., die hij ontvangen had van een zuster der gemeente, die meende, dat zij te weinig had betaald „ 5.— Was hij verheugd met zulk een gift, ik nóg meer.
22. Ons sluitstuk komt uit Lage Vuursche. Ds. Van Amstel had een gift ontvangen met bijschrift, n.l. Maleachi 3 : 10a. De gift bedroeg „ 2.50
Hieraan wil ik niets toevoegen. Waar onze zaken vanuit dezen lichthoek worden bezien, behoeven wij ook niet te vreezen, dat het ons aan één ding zal ontbreken. Lees maar eens het slot van ditzelfde vers. Hij zal het voor ons volenden.
Tezaamgetefld kom ik voor deze keer tot de prachtsom van
f 405.39
P.S. Mag ik onze vrienden er aan herinneren, dat na deze week nog maar twee weken resten vóór ons boekjaar sluit ?
Utrecht.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 november 1936
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 november 1936
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's